Die nacht

Die nacht liep ik door het centrum van de stad. Ik kwam langs cafés die andere namen hadden gekregen, maar waar dezelfde muziek uit kwam. Ik herinnerde me de nachten dat ik beschonken buiten had gestaan, nakletsend, mijn vrienden gedag zeggend, en dan niet naar huis willen gaan. Ik heb meer uren doorgebracht voor cafés dan er in. Mijn lach had door de straat geëchood, ik hoorde het weer. Ik liep langs plekken waar ik had gewoond. Ik dacht aan de huisbazen, stuk voor stuk klootzakken, zonder uitzondering. Eentje had me een keer midden in de nacht geslagen toen ik thuiskwam. Ik opende de deur, hij stond in het halletje en sloeg me met een vuist vol in het gezicht. ‘Ik heb je!’ schreeuwde hij. Hij was dronken van zijn eigen kroeg. Toen ik later bij hem verhaal haalde, zei hij dat hij dat niet had gedaan. Dat ik me maar wat verbeeldde. Dat ik waarschijnlijk te dronken was geweest om me er iets van te herinneren. Daar moest ik aan denken, toen ik door de stad, mijn stad, liep. Op een hoek waar ik duizenden keren voorbij was gekomen, ging ik op de stoep zitten. Ik keek naar de straatstenen. Met een hand ging ik langs de geultjes tussen de stenen. Een meisje liep tegen me aan. Ze had een dun jurkje en begon te giechelen. Ik had haar vast willen grijpen, ik had haar mijn verhalen willen vertellen. Maar ze liep door, een beetje zigzaggend, en ik mompelde tegen het donker dat het goed was, al wist ik wel beter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *