Omhoog/omlaag

We zitten in het schemerdonker op het dakterras van Pascal. Als we omlaag kijken hebben we zicht op de benedenstad, kijken we omhoog dan zien we de sterrenhemel.
Aram vraagt of ik geloof, of dat ik agnostisch of atheïstisch ben. Hij stelt die vraag aan iedereen, één voor één, hij is rechts begonnen.
Ik zeg dat ik het niet weet.
‘Dan ben je agnostisch,’ zegt hij.
Iedereen rookt, behalve Aram en ik.
Het gesprek komt op het heelal. Er schijnt in de jaren 70 een heel goeie documentaire over te zijn gemaakt. Aram heeft ‘m gezien. Erik ook. Pascal schrijft ‘m op in zijn telefoon.
Joeri zou het liefst een keer op de achterkant van de maan lopen, bekent hij. Daar moet één bundeling van licht te zien zijn, want daar heb je zicht op het volledige sterrenstelsel. Of zoiets.
Erik gaat met ‘m mee.
Aram twijfelt of het wel klopt.
Ik kijk naar een hoog gebouw dat in de benedenstad tussen de huizen staat. Het is een oud bakstenen geval zonder ramen en deuren. Op het dak staat een antenne. Elke keer als we hier zitten, begint iemand erover. Nu is dat Pascal zelf. Hij zegt dat het er alleen nog staat omdat het niet gesloopt kan worden. Dat is al eens eerder gezegd, maar dan door iemand anders. Joeri zegt dat het wel gesloopt kan worden. Aram zwijgt. Door het donker kan ik niet zien waar hij naar kijkt.
Erik staat op en knijpt een leeg blikje bier in elkaar. Dan gooit hij het richting het gebouw. Het belandt op het dak van het huis dat ervoor staat.
‘Bier?’ vraagt hij terwijl hij naar Pascals kamer loopt.
Iedereen zegt ja, behalve Aram.
Als we de stad ingaan – drie trappen omlaag en dan vierhonderd meter tot het eerste café – is Aram verdwenen. Een oude man komt wankelend het café uit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *