Kleine encyclopedie van Het verdriet


.
Dertig jaar geleden verscheen de eerste druk van Het verdriet van België van Hugo Claus. Vanwege dit jubileum komt De Bezige Bij dit voorjaar met een speciale editie van deze klassieker. Daarnaast verschijnt Kleine encyclopedie van Het verdriet, een bundeling van essays, ‘lemma’s’ (of lemmata voor de dure jongens) en een interview met Claus. O.a. Tom Lanoye, Maarten ’t Hart en Cees Nooteboom hebben een bijdrage geleverd. Ik ook. Ik schreef drie ‘lemma’s’ en bleef bij deze grootse roman toch maar een beetje bij mezelf. Ik koos voor Carnaval, Melkfabriek en Zeverkous.
.
Dit fraaie boekje is een mooie inleiding (of uitleiding) op Het verdriet van België en kun je bijvoorbeeld bij Bol kopen.
Mijn lemma’s lees je ook hieronder.

.
Carnaval
Carnaval is vandaag de dag een paar soldaten op een vrijdagmiddag in februari, hollend over een schoolplein. Dat heeft nog maar bar weinig met collaboratie van doen. Partijen zijn er vaak niet, het is ieder voor zich, tot de ranja is ingeschonken. Je zou kunnen zeggen: waar oorlog Carnaval was, is Carnaval nu oorlog. De rest van het jaar rennen de soldaten door het park. Met geweren, maar zonder uniform. Wat niet is veranderd is dat je voor het dragen van een weermachtuniform – op maat of niet, met of zonder wapen – nog steeds gefusilleerd kunt worden.
.
Melkfabriek
Wie komt van een boerderij valt het misschien eerder op. Over de koe wordt maar weinig vleiend gesproken in de klassieker van Claus. Melkfabriek. Zo’n woord, daar denk je niet aan als je als elfjarige aan het begin van de avond door het weiland sjokt om het vee de melkstal in te krijgen. Het naar binnen jagen van de koeien is zo’n routineklus dat je gedachten automatisch afdwalen, overal naartoe, behalve naar de boerderij.
Stomme koe, vet kalf, of gewoon: kalf. Noem een mens een dier en in veel gevallen daalt de waarde van beiden. Wat is er eigenlijk mis met een kalf?
Wellicht komt het door de angst voor het onbekende. Iets waarbij je je als boerenzoon weinig kunt voorstellen. Een kalf dat met zijn poot op je voet gaat staan, tja, dat voel je eventjes. Een kudde die op je af komt gerend, daar schrik je van, maar je weet dat ze je niet zomaar omver lopen. Het enige waarvoor je moet oppassen is dat je niet geplet wordt als je in een kleine, afgesloten ruimte tussen die beesten staat. Ze hebben er geen erg in dat je maar een mager, kwetsbaar mensje bent. En uitkijken bij stieren, uiteraard.
Bij Louis Seynaeve heeft het uitschelden van een koe voor ‘melkfabriek’ iets weg van een bezwering. Een manier om het onbekende, het gevreesde op zijn plek te zetten. De koe is voor hem een haast ongrijpbare, mythische figuur. Soms helemaal. Het sterven van de koe Marie in het begin van het boek zorgt bij Louis voor schuldgevoelens, omdat hij niet heeft meegeholpen bij het kalven. Hij droomt van een vette, opgeblazen witte koe die hem vertrapt en die later een kind, de koningin van de Miezers, uitperst. Schuld en angst brengen eerbied, want waar Dondeyne het heeft over ‘in de kont van een melkfabriek’ spreekt Louis van ‘in de heilige koe Marie’.
.
Zeverkous
Louis is er een, maar eigenlijk zijn ze het allemaal, de personages uit Het verdriet van België. ‘Zeverkous’ klinkt het over en weer, alsof ze elkaar er nog eens op willen wijzen. Maar het laat geen twijfel wie de grootste van allemaal is. Louis is immers de jongen die schrijver wil worden, die schrijver zal worden, de jongen die schrijver is. Hij is van het betere gezever. In hoofdstuk XX van ‘In Bastegem’ geeft hij indirect (verander ‘zij’ en ‘hun’ in ‘ik’ en ‘mijn’) een handleiding van hoe je daar als lezer mee om moet gaan.
‘Als je goed oplet, waakzaam bent, zullen de raadsels, die zij kruimelsgewijs in hun moppen en leugens laten ontsnappen, aan het licht komen, tot op het dunste draadje uitgerafeld worden.’
Dat Louis het niet van een vreemde heeft, ontdekt hij in zijn eigen boek, in hoofstuk XII van ‘Nonkel Florent’.
‘Papa is een redenaar die de massa’s in een oogwenk kan doen veranderen van opinie. Papa, die daar, zwetend en gelukkig, staat te kouten is in aanleg iemand als Danton of Hitler. Louis gloeide van trots.’
Volgens de oude Louis, zoals je Hugo Claus zou kunnen noemen, is dat wat een goede schrijver moet zijn. Een zeverkous, een Hitler. In een interview met NRC Handelsblad in 1994 zegt hij over andere schrijvers (en daarmee heeft hij het natuurlijk ook over zijn eigen schrijverschap): ‘Als ze niet in zichzelf de Hitler ontdekken, zijn ze voor mij bij voorbaat als serieuze schrijver uitgeschakeld.’
Bomama zou zeggen: ‘Het is allemaal die Hielter zijn schuld.’
Gelukkig maar, Bomama.
.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *