Overburen

S. laat me in Breda het huis zien waar ze tijdens haar tienerjaren woonde. Ze vertrok op haar achttiende, nu precies achttien jaar geleden. We staan op de stoep met de fiets in de hand. Ze vertelt over de overburen. We draaien ons om en kijken naar het huis van de overburen. Het overbuurmeisje was een van haar beste vriendinnen. Ze zagen elkaar dagelijks en belden met elkaar. De vader van S. vond dat bellen onzin. Als het overbuurmeisje belde en de vader van S. nam op, dan zei hij nog voor hij zijn naam noemde ‘kom maar hierheen’ en legde de hoorn er weer op.
De overbuurvrouw was gescheiden. Een echte mannenhater, herinnert S. zich. S. verwacht, nee, is ervan overtuigd dat de buurvrouw er nog steeds woont, achttien jaar later.
‘Ik zag er net een man lopen,’ zeg ik.
‘Echt?’
‘Volgens mij wel.’
‘Dat kan niet.’
‘Ik weet het eigenlijk wel zeker. Hij liep achter de tuin in.’
Geconcentreerd kijken we naar binnen. S. merkt op dat het huis er veel lichter uitziet dan vroeger. De muren zijn gewit. Door het raam is een stuk van de tuin te zien. Ik zie een parasol. Daar heb ik de man voorbij zien lopen. S. wil niet langer naar binnen kijken, ze vindt het ongepast, en ze wil al helemaal niet aanbellen. Ze zet een voet op de trapper.
‘Maar dan weten we nooit of je overbuurvrouw er nog woont en een drastische verandering heeft ondergaan, of dat we in het huis van een wildvreemde hebben staan kijken.’
‘Tja, dat is dan maar zo.’
‘Wat hoop je?’
‘Dat de overbuurvrouw er nog woont.’
‘Ik ook.’
Ze glimlacht.
‘En jij kent haar niet eens,’ zegt ze.
. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *