Land

We zaten in onze glijbaan, maar hij gleed niet meer.
‘We hebben water nodig,’ zei ik.
Rein reageerde niet. Het leek hem weinig uit te maken.
Met pvc-buizen hadden we een soort van glijbaan gemaakt. We waren er al drie keer van af gegaan. Nu zaten we stil, midden op de glijbaan.
‘Dit is de grens van ons land,’ zei Rein.
‘Ons land?’
Hij gebaarde naar rechts, naar het weiland waar geen koeien stonden.
‘Tot de sloot daar,’ zei hij. ‘Ons land, we moeten nog een naam bedenken.’
Ik stak een vinger op.
‘Weiland.’
‘Niet leuk.’
Ik was nu vier jaar vrienden met Rein. Deze zomer trok ik bijna elke dag met hem op.
‘Waarom is dit niet het midden van het land?’ vroeg ik. ‘De hoofdstad. Dan is dit ons paleis.’
‘Nee,’ zei Rein. ‘We zitten op de grens. We moeten ons verdedigen en dit is het hoogste punt.’
Ik gooide grassprietjes op het stuk glijbaan voor ons.
‘Niet doen,’ zei Rein.
Nog een paar dagen voor de school weer begon. Het was gek, maar soms verlangde ik er hevig naar.
‘Als dit de grens is,’ zei ik, ‘waarom zitten we dan hier en niet op een ander stuk grens, aan de andere kant van het land?’
‘Dit is het gevaarlijkste stuk. Deze uitkijktoren is heel strategisch.’
‘Uitkijktoren? Je bedoelt de glijbaan.’
‘Uitkijktoren ja.’
Ik stapte uit de glijbaan, ging er naast staan.
‘Voorzichtig,’ siste hij.
‘Volgens mij komt er iemand aan,’ zei ik.
‘Ga dan snel weer voor me zitten.’
‘Nee.’
Ik deed mijn armen over elkaar.
‘Er komt niemand aan,’ zei Rein.
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Nee, natuurlijk niet. Hier komt nooit iemand.’
Ik keek tegen de zon in. Ik had geen horloge, maar het moest ergens laat in de middag zijn.
‘Nou, ik ga water zoeken. Doei,’ zei ik.
‘Dan hoor je niet meer bij mijn land.’
Het was weer bijna zover. De laatste dagen gingen we steeds met ruzie uit elkaar.
‘Het land heeft niet eens een naam en het is niet jouw land.’
‘Het heeft wel een naam. Glinsterland.’
Ik proestte.
‘Glinsterland? Niet echt toch?’
‘Jawel.’
‘Oké, ik ben weg. Naar huis.’
‘Dan kun je niet meer terug. Dan kom je de grens niet meer over.’
Zijn stem sloeg heel even over.
‘Dat zullen we nog wel zien.’
‘Je hebt geen paspoort van Glinsterland.’
‘Jij ook niet.’
‘Wel waar. Je weet niet hoe het eruit ziet.’
‘Glinsterland is een slechte naam.’
‘Ik zet je het land uit.’
‘Dat hoeft niet.’
Ik schopte tegen de glijbaan. Rein stond dreigend op. Gisteren werd het vechten, maar nu was ik dat voor. Ik liep gewoon weg.
Iets van honderd meter verderop keek ik om. De glijbaan was maar klein, ik zag het nu pas. Rein was er weer in gaan zitten, in dezelfde houding. Hij keek me niet aan. Morgen bestond dat Glinsterland vast niet meer voor hem, zo ging dat altijd. Maar voor mij zou het nog wel bestaan, Rein en zijn Glinsterland, en ik kwam er niet meer.
.
Geschreven tijdens De Hollanders komen! op DOK in Gent. We maakten met vijf Nederlanders en drie Belgen het zine ‘Dit is over‘. Bovenstaand verhaal haalde het zine niet omdat er geen ruimte meer was en ergens keuzes gemaakt moesten worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *