Slijptol

Mijn broer kwam met een slijptol naar de stad. Ik was mijn fietssleutel kwijt en had twee weken lang alles te voet gedaan. Mijn fiets had al die tijd in een rek aan een drukke weg gestaan. Toen ik er zeker van was dat mijn sleutel niet meer zomaar zou opduiken, belde ik mijn broer. Hij kwam meteen, in zijn groene bestelauto vanuit het dorp. Geen moeite, zei hij.
Met de slijptol en een verlengsnoer stapte hij uit. Het was midden op de dag en mijn broer deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was, alsof hij elke week een fiets bevrijdde met zijn slijptol en misschien deed hij dat ook wel. Bij de apotheek, waarvoor het fietsenrek eigenlijk was bedoeld, had ik van tevoren gevraagd of ik het stopcontact mocht gebruiken. Nu kwam ik de zaak binnen en duwde de stekker erin. Meteen was het geronk van de slijptol te horen. Ik keek toe op een paar meter afstand. De vuurvonken vlogen over de stoep, ik moest een stap opzij zetten. Terwijl mijn broer op zijn gemak zijn werk deed, keek ik wat onrustig rond. Er was niemand op straat en in de apotheek die ervan opkeek, een fietsenslot dat met een slijptol werd losgebroken.
Toen mijn broer klaar was, zei hij dat ik nu weer bij hem op bezoek kon komen. Ik vroeg of hij een kop koffie wilde. Dat wilde hij wel. Met de slijptol in zijn hand stapte hij zijn auto in en reed naar mijn huis, twee straten verderop. Ik ging hem op de fiets achterna.