Villa


Ik was een jaar of negen toen ik wegliep van huis en na een uur werd teruggevonden op de Distelakkerstraat, een straat verder. Met mijn hoofd tussen mijn knieën zat ik verscholen in de berm. Ik was dwars door de wei gelopen met het plan om de bus te pakken en zo ver weg mogelijk te gaan, maar eenmaal op de Distelakkerstraat durfde ik niet langs het grote, geheimzinnige huis op de hoek.
.
Villa Nieuw Distelakker. Landhuis met koetshuis uit 1910. Verstopt achter bomen. Vervallen. Het heeft tal van bewoners gehad: weeskinderen, verslaafden, antikrakers, volgelingen van de Bhagwanbeweging.
Nu staat het te koop. Er zijn al geïnteresseerden, schijnt.
.
In de berm probeerde ik me voor te stellen hoe het zou zijn, elders, ver weg van Beuningen. Dat was moeilijk. Vage beelden van een drukke, stinkende metropool. Zo vond ik het ook lastig om te bedenken wat zich achter de voordeur van de villa afspeelde. Ik meende dat de Bhagwan daar nog zat. Ik was bang dat als ik er langs zou lopen, ze me naar binnen zouden sleuren en zouden hersenspoelen.
Ik dacht aan thuis. Aan wanneer ze me zouden vinden. Langzaam verschrompelde het idee van vertrekken. Ik wachtte en hield ondertussen de villa in de gaten.
.
De villa is eerst geveild, maar er werd niet genoeg geboden. Wat de prijs moet zijn, is niet duidelijk, zoals zoveel niet duidelijk is. Als ik mijn ouders bel met de vraag naar wat zij weten van het huis, is het lang stil. De lijn is slecht. Dat kan geen toeval te zijn.
“Het was er vaak een rommeltje,” zegt mijn moeder uiteindelijk.
Of de Bhagwan er echt gezeten heeft, vraagt mijn vader zich sterk af.
“Er waren geluiden dat ze zouden komen, maar we hebben ze nooit gezien.”
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *