Vader

Op een heldere avond loop ik met mijn jongste een rondje door de wijk en wil haar de sterrenhemel laten zien. Ik kijk omhoog, wijs omhoog, maar ze begrijpt het niet. Ze weet dat ze ergens naar moet kijken, maar ze komt niet verder dan de struik naast ons.
.
De jongste is de negen maanden gepasseerd. Ze lacht veel, klapt graag in haar handen en zwaait door knijpbewegingen te maken. Ze heeft een hekel aan autorijden. Als we naar Beuningen rijden, jammert ze de hele weg. Ze kijkt naar buiten, maar herkent niets. Het is elke keer een weg naar het onbekende, waarbij ze niet eens weet hoe lang het nog duurt. Tegen beter weten in legt haar zus het geduldig uit: daar achter dat huis ligt de boerderij van oma en opa.
.
De rit naar Beuningen eindigt altijd hetzelfde. De autoportier zwaait open. Vanuit haar zitje ziet ze opa richting de stal lopen en twee honden kwispelend op haar af komen. Het gejammer gaat over in gelach. Binnen neemt mijn moeder haar op schoot. Daar zit ze goed, daar wil ze niet meer van af. Als ze toch op de grond wordt gezet, jammert ze eerst en als ze merkt dat dit niet helpt, gaat ze spelen. Ondertussen houdt ze goed in de gaten of mijn moeder in de buurt blijft.
.
Er is nog zoveel wat ze niet kan en niet weet, maar het belangrijkste – voor mij althans – weet ze inmiddels. Lang heb ik gedacht dat zij denkt: o, daar is die man toevallig weer, de man die ’s avonds aanschuift bij het eten. Maar aan haar stralende blik zie ik nu dat ze me herkent. Net als prille geliefden zoek ik als vader naar bevestiging. Ik til haar op en ze grijpt naar mijn baard, mijn mond en knijpt in mijn wang.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *