Wagen


Hij stond altijd naast onze melkstal. Mijn vader had een afdakje gemaakt waar de kleine, platte kar precies onder paste. Twee keer per jaar werd hij daar onderuit getrokken. In de zomer om te hooien en in het najaar om naar een schuur te worden verplaatst. In die schuur – met een kacheltje, radio en krat bier om hem heen – werd hij aangekleed. Een pop van papier-maché bovenop, borden met tekst aan de zijkant. Op een zaterdag in februari werd de wagen voorzichtig naar buiten gereden. Een tractor trok hem dat weekend twee, soms drie dorpen door. Een week later werd alles gesloopt en kwam hij weer kaal onder het afdak te staan.
.
Eerst gebruikte mijn broer hem. Maar de groep van mijn broer groeide en wilde na een paar jaar een grotere wagen. Wij mochten hem gaan gebruiken. We waren beginnelingen, maar het lukte ons toch een keer de groep van mijn broer voorbij te streven in het klassement. Toen we later verder gingen als loopgroep, gebruikte mijn broer de kleine kar nog twee keer. Enkele jaren geleden zijn onze overbuurjongens een tijdje met hem aan de slag gegaan.
.
Hij heeft veel meegemaakt. Vreugde en teleurstelling over uitslagen, ruzies binnen een groep, overdreven dronken blijdschap, geflirt en geflikflooi – allemaal bij hem in de buurt. Maar hij heeft veel meer meegemaakt, want hij is oud, waarschijnlijk van net na de oorlog. Er liep toen nog een paard voor. Ze haalden meel met hem bij de Boerenbond. Later hebben ze hem wat aangepast zodat er een tractor voor kon. Nu staat hij achter de loods van de overburen. Drie banden zijn lek, de bodem stelt niet veel meer voor. In de verte is muziek te horen. Meer krijgt hij er niet van mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *