Tijd

“Ben ik daar een keer geweest?” vraagt ze als we over de Neerbosscheweg richting Beuningen rijden. Via de achteruitkijkspiegel zie ik waar ze naar kijkt. Tankstation ANAC.
Mijn oudste dochter is drie jaar en vier maanden, heeft ’s nachts last van groeipijn en begint langzaamaan vat te krijgen op haar geheugen.
“Ja,” zeg ik. “Bij de wasstraat.”
“Wasstraat, stroopwafel,” zegt ze.
Ze heeft het goed onthouden, want het is al even geleden. Ik dacht dat ze het leuk zou vinden, zo’n wasstraat, al die borstels en dat water rondom de auto, maar in de eerste tunnel ging ze tekeer. Toen we eruit waren, haalde ik haar uit haar zitje en gaf haar mee aan een medewerker. Ze kreeg een stroopwafel en mocht van buitenaf toekijken hoe ik met de auto de tweede tunnel in ging. Prima samenvatting dus: wasstraat, stroopwafel.
“Vroeger toen ik klein was ben ik daar geweest,” zegt ze tegen haar zusje van één, dat naast haar zit en niet reageert.
Met vroeger bedoelt ze driekwart jaar geleden. Dat is een hele tijd voor iemand van drie en een beetje. Als we foto’s kijken van toen ze een baby was, heeft ze het over ‘lang geleden’. Dat komt door mij, ik praat zo tegen haar. Zelf heb ik het ook over ‘vroeger’ als het gaat om iets van een paar jaar terug, en dan hoeft het niets met de kinderen van doen te hebben.
We steken het Maas-Waalkanaal over.
“Over een week komen we hier weer langs,” zeg ik.
Ze knikt, maar aan haar gezicht zie ik dat ze geen flauw benul heeft.
“Dat is zeven nachtjes slapen,” voeg ik er nog aan toe. Alsof rijden langs een tankstation iets is om naar uit te kijken.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *