Aardbeien

In de zomer van ’97 was alles anders. Elke ochtend stond ik om 5 uur op en fietste van Beuningen naar de Grootstalselaan in Nijmegen, terwijl de zon langzaam opkwam. Eenmaal bij het aardbeienveld aangekomen, zaten de Vietnamezen al een uur op de grond tussen de planten. De plukkers waren allemaal Vietnamezen, want zij hadden kleine vingers en konden daardoor sneller plukken, zo leerde ik.
.
Op mijn eerste dag rende ik tussen de planten door en werd meteen teruggeroepen. Ik dacht dat ik snel moest zijn, maar rennen hou je niet een hele dag vol. Het was mijn taak om de kistjes te verzamelen die op de paden werden achtergelaten. Bij elk kistje dat ik optilde, noemde ik de naam van de plukker die verderop in de rij zat. Ze hadden namen als ‘Lindenholt’, ‘Aardbei’ en ‘Cruijff’, om het voor mij gemakkelijk te houden. Aan het einde van het veld werden de kistjes opgestapeld en kregen de Vietnamezen per kistje een streep achter hun naam. Ik werd per uur betaald, zij per kistje. De verschillen tussen de plukkers onderling waren groot en zichtbaar. Een oudere vrouw was telkens het verst in het veld. Een klasgenoot van me keek veel om zich heen, hij zat altijd vooraan in de rij.
.
Het aardbeienveld is al lang weg. Meneer Jos, zoals hij door de plukkers werd genoemd, heeft een paar jaar na die zomer een perenbedrijf in het Westen gekocht. Inmiddels is hij met pensioen. Mijn klasgenoot – de trage plukker – is getrouwd, heeft een kind en werkt voor een restaurant dat met Oosterse gerechten op muziekfestivals staat. De andere plukkers heb ik nooit meer gezien. En ik? Ik eet aardbeien uit de supermarkt, die eigenlijk veel te groot en te rood zijn.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *