Schoolplein

De school was uit. Mijn dochter rende op me af, stopte vlak voor mijn neus en keek over mijn schouder. Ze wou heel graag met iemand afspreken. Ze heeft een vriendinnetje op wie ze gek is, maar zij had met iemand anders afgesproken. Mijn dochter speurde rond en ik zag het al misgaan. Ze liep een rondje over het schoolplein, en toen nog een. Ik zei dat we beter naar huis konden gaan, dat we thuis iets leuks zouden doen, maar ze bleef zoeken. Het werd steeds rustiger, tot we als laatste over waren. Ik zei dat ze de volgende keer zeker met iemand af kon spreken, maar dat we nu toch echt naar huis gingen. Toen was het mis. Ze sloeg tegen mijn been, smeet haar rugzak weg en liet zich op de grond vallen. Haar gehuil ging door merg en been. 

Ik stelde me voor dat op dat moment overal in het land kleuters op schoolpleinen lagen, snakkend naar contact met een leeftijdsgenoot. Ik heb zelf vast en zeker ook weleens op het schoolplein in Beuningen gelegen. Al denk ik niet dat het vaak is gebeurd. Ik was te geremd om mijn verdriet en frustratie op deze manier te tonen. Bovendien vroeg ik bijna nooit iemand om te spelen, bang om teleurgesteld te worden.  
    
Mijn dochter lag daar nog altijd uitgestrekt. Er moest een einde aan komen, maar hoe? Ik pakte haar vast en sjouwde haar mee onder mijn arm, terwijl ze loeide als een sirene. Zo liepen we de poort uit. Iets verderop kwamen we het vriendinnetje tegen en het meisje met wie zij had afgesproken. Ook dat nog, dacht ik. Het vriendinnetje kwam naar ons toe en tikte mijn dochter aan. Ik zette haar op de grond. “Volgende keer spreken wij af,” zei het meisje. Dat was voldoende. Wonderbaarlijk. Mijn dochter huppelde naar huis.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *