Koppen

Als er iets te doen is in het dorp, zie ik ze altijd. Of het nu gaat om een braderie, carnaval of de kermis. Er zijn een paar figuren die ik elke keer tegenkom. Ik ken ze niet echt, ik weet amper hun naam, maar ik herken ze omdat ze iets heel eigens hebben. Het zijn echte Beuningse koppen. 

Ik weet niet precies waar het ‘m in zit. Het komt denk ik door de vorm van hun gezicht. De stand van de neus, de ogen, de oren, de mond. Of door de manier waarop ze praten, lachen, lopen. Ze zijn niet te missen. Ze horen bij het dorp, zoals de uiterwaarden bij de Waal.

Op een strand in Portugal heb ik een keer een van deze figuren zien lopen. Ik dacht: die ken ik ergens van. Maar ik kon het niet plaatsen. Ik was gedesoriënteerd. Het duurde even voor ik de situatie begreep. Ook zij kunnen loskomen van hun decor, van Beuningen. Soms dan.

Ik heb altijd gedacht dat ze uniek waren. Ik dacht dat ieder mens uniek was en zeker zij, de Beuningse koppen. Levend lokaal erfgoed. Maar mijn goede vriend Ton uit Thailand beweert iets heel anders. Hij komt zelf van oorsprong uit Weurt en heeft in Phetchaburi, het district waar hij al een paar jaar woont en werkt, enkele Weurtenaren zien rondlopen. Ze hebben een andere huidskleur en een ander soort haar, maar verder zijn ze echt Weurts. Het zorgt ervoor dat hij zich een beetje thuis voelt. 

Als ik Ton moet geloven, zou je met wat grondig speurwerk over de hele wereld – van Namibië tot Guatamala en van Noord-Korea tot Cyprus – een tweede Beuningen kunnen samenstellen. Ze hebben andere gewoonten, spreken een andere taal, maar verder zijn ze precies hetzelfde. 

Dat klinkt eigenlijk best als een goed idee. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *