Auto


Je komt voor een koelbox en je vertrekt met een auto. Zo ging het bij ons, toen we voor aanvang van een weekje in Zeeland een tussenstop maakten bij mijn ouders in Beuningen. 

Onze auto was volgepakt, de kinderen waren voorbereid op een lange rit, we moesten alleen nog naar de boerderij voor die koelbox. Maar op de Energieweg vertoonde de auto kuren. Een buurman van mijn ouders keek ernaar en had slecht nieuws. We konden niet weg. Althans, niet met deze wagen. Daarop boden mijn ouders hun auto aan. 
‘Weten jullie het zeker?’ 
Ja, ze wisten het zeker. Ze hadden toch geen plannen, de dieren moesten verzorgd worden.  

En daar gingen we. Met de auto van mijn ouders kon het niet anders dan dat het ook een ‘ouderlijke’ vakantie zou worden. Vaak had ik het idee dat ik mijn vader nadeed. Als we langs een boerderij kwamen en ik de kinderen vroeg de koeien te tellen. Als ik hun half overgebleven pannenkoeken opat. Als ik belegen grapjes maakte over Duitsers. 

Terwijl onze eigen auto aan de andere kant van het land werd gerepareerd, genoten wij van Walcheren. De auto van mijn ouders deed zijn werk. De koelbox niet, want op de camping bleek gewoon een koelkast aanwezig. 

Op de terugweg dacht ik na over hoe we mijn ouders konden bedanken. Ik wist het niet goed. Maar dat regelde zich vanzelf. Na het terugbrengen van de auto stapten we in onze eigen vierwieler. Toen ik hem draaide op het erf, zag ik in de stal een koe liggen. Aan de achterkant staken twee pootjes uit. Ik reed langs het terras, liet het raampje zakken en vertelde over de koekalverij. Dat was een bedankje waar ze iets mee konden. Mijn vader stond meteen op.
Eenmaal thuis ontving ik een foto van een moederkoe die haar gezonde kalf drooglikte.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *