Fanfare


Mijn buurman speelt altsaxofoon. Sinds kort is hij elke dag aan het oefenen. Mijn jongste dochter hoort het ook. Ze zit bij me op schoot en kijkt naar de muur. Ik zeg dat het de buurman is.
“Buurman,” zegt ze op een manier alsof dit alles verklaart.
Ze weet niet dat de man niet zelf het geluid produceert, maar dat hij een instrument in zijn handen heeft.
“Vind je het mooi?”
Ze lacht.

Een goede vriendin zei een tijdje terug tegen me dat ze eigenlijk niet weet wie ik ben. Ze weet vaak niet wat er in me omgaat, wat er echt in me omgaat. We zaten in een café. Het was niet vervelend bedoeld, geen verwijt. Integendeel. Ze bracht het naar voren in een fijn en open gesprek. Ik zei dat ik het goed vond dat ze dit tegen me durfde te zeggen. 

Diezelfde vriendin weet wel dat ik bij de fanfare van Beuningen heb gezeten. Het is iets wat ik als introductie aan mensen vertel. Ik zeg het denk ik vooral om grappig te zijn, een fanfare blijft voor velen toch een eigenaardig fenomeen. Maar ook omdat het bij me hoort. Ik ben 17 jaar lid geweest. Veel melodieën ken ik nog uit mijn hoofd. Als ik een druppel water op de vloer zie liggen, denk ik aan de plasjes condenswater rondom de stoelen in het repetitielokaal. Soms droom ik dat ik weer in het orkest zit. Ik val in met mijn hoorn, maar wil dat eigenlijk niet. Ik zit gevangen. Ik weet niet hoe en wanneer ik kan aangeven dat ik echt niet meer terugkom.
 
Aan mijn dochter wil ik vertellen over de fanfare, maar ze krijgt de slappe lach. Vanwege het woord, dat vindt ze grappig.
“Fuhnare!”
Ik wil graag uitleggen wat het betekent en het liefst ook wat het voor mij betekent. Maar ik weet dat ze het niet zal begrijpen. Nu niet en misschien wel nooit niet.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Op de foto fanfare Kunst en Volharding uit Beuningen, rond 1943.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *