Bom

We hebben een Syrische man over de vloer. In het begin gaat het over koetjes en kalfjes, maar dat hou ik niet vol. Ik wil het verhaal horen dat hij met zich meetorst in dit koude land. Ik vraag naar het leven daar, het leven in een oorlog. Hij aarzelt. Het is niet alleen de taal die hem tegenhoudt. De blik in zijn ogen doet me denken aan mijn vader, vroeger, toen hij bij de vrijwillige brandweer zat. Als hij terugkwam van een melding wilde ik alles weten, maar mijn vader liet weinig los. Bij dodelijke ongevallen zei hij niets, er was alleen die blik.
Dan vertelt de Syriër hakkelend dat er een bom viel op het huis van zijn buren. Hij was thuis en besloot te vluchten.

Hier is hetzelfde gebeurd, zou ik tegen hem kunnen zeggen als het niet zo ongepast zou zijn. Op 4 oktober 1944 viel een bom op het huis van de buren. De inslag verwoestte ook het huis waar ik sinds twee jaar woon. Na de oorlog zijn beide woningen herbouwd. De huizen in ons rijtje zien er hetzelfde uit. Alleen de bakstenen van mijn huis en dat van de buren aan de andere kant, destijds niet getroffen, verschillen iets van kleur. Elke keer als ik voor mijn huis sta, zou ik aan de oorlog moeten denken.  

De eigenaar van de woning naast ons stierf aan zijn verwondingen. Zijn vrouw raakte gewond, maar overleefde. Zijn zoon ook. Zijn dochter zat in de deuropening van de kapper, iets verderop in de straat, en at een appel toen de bom viel. Zij had niets. 

Ik wil meer horen van de Syrische man. Er is zoveel dat ik niet weet van zijn oorlog en zijn vlucht, er is zoveel dat hij heeft gezien en gevoeld. Maar hij glimlacht en begint over iets anders. Hij lijkt me te willen beschermen. Bij elk woord dat hij uitspreekt merk ik hoeveel hij me niet verteld.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *