Eiland

Ik was 13 toen ik op een zonnige middag met mijn Nijmeegse neef een balletje trapte en we een voetbalclub verzonnen. We gingen naar binnen, pakten pen en papier en schreven het uit. We bedachten spelers, een competitie en een land waarin deze competitie werd gespeeld. Mijn neef ging naar huis en vergat onze fantasie. Ik bleef achter met de papieren en scherpte de boel aan. Het land was een eiland ter hoogte van Brazilië, het team speelde in blauwe shirts. 

Ik werd 15, 16, 18 en bleef in schriftjes de wedstrijden van mijn club noteren. Ik ging studeren en dacht op mijn kamer in de stad aan transfers en contractverlengingen. Ik kreeg werk en hield me in de vrije uren bezig met nieuwe spelers uit eigen jeugd. En zo gaat het nog steeds. Het is iets van mezelf, iets waarin ik kan verdwijnen, waar ik controle over heb. 

Ik heb me er altijd voor geschaamd, al wist ik dat het een broodnodige ontsnapping was. Een afleiding voor als ik weer zit te piekeren. Maar juist nu een pandemie de wereld in zijn tang heeft en ik mijn fantasie hard nodig heb, kan ik er niks mee. De impact van het virus is zo groot dat zelfs mijn eiland zich ertoe moet verhouden. Negeren lukt me niet. In de loop der jaren heb ik te veel lijnen uitgezet naar de werkelijkheid. Oud-spelers van mijn bedachte club spelen voor Juventus en Liverpool. Vorig jaar won mijn club de Champions League van Zuid-Amerika. Doorvoetballen klopt gewoon niet.

Pas vorige week vond ik een uitweg. Ik bedacht dat het eiland de besmettingen snel onder controle zou hebben. Na een korte stop zou de competitie worden hervat. Eerst spelen in lege stadions, daarna als vanouds. Ik geloof erin en dat is voldoende. Met de aankomende recessie zal ik mijn eiland hard nodig hebben. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *