Blind

Eens brachten drie landbouwwetenschappers uit Tanzania een bezoek aan onze boerderij. Ze werden rondgeleid op het bedrijf en daarna was er koffie en appeltaart in de woonkamer. Wij zaten er als kinderen bij en maakten tegen oma, ook van de partij, de grap dat het schmink was op hun gezichten. Dat ze het eraf konden halen. Heel even was oma in verwarring. Wij gniffelden. We wisten dat die grap eigenlijk niet kon, maar we dachten dat het niet zo erg zou zijn omdat ze ons toch niet konden verstaan.

Door de vele protesten kwam deze herinnering weer boven. Net als dat incident bij de fanfare, in dezelfde periode of ietsje later. Bij de slagwerksectie zat een jongen van kleur. Hij werd volledig opgenomen in de vereniging. We waren trots, omdat we dankzij hem een diverse club hadden. Toch was er een moment dat ik niet zal vergeten. De jongen moest van de dirigent een passage opnieuw spelen omdat het nog niet goed zat. Ergens aan de andere kant van het orkest, waarschijnlijk onverstaanbaar voor die jongen, zei iemand: “Je zou verwachten dat ze ritmischer zouden zijn”. 

Ook hier wist ik dat het niet kon, dat het erg was. Maar niet hoe erg, als ze dit achter je rug om zeggen, als dit de wereld is waarin je leeft, elke dag. Zouden zulke grappen tegenwoordig nog gemaakt worden? Ik vrees van wel. 

Een vriendin vroeg zich laatst af hoe zij en ik en velen met ons zo lang zo’n blinde vlek konden hebben voor Zwarte Piet. Het is het zoveelste bewijs dat mensen maar een beperkt zicht hebben op hun omgeving. Er ligt zoveel buiten ons gezichtsveld. Blinde vlekken waar anderen je jarenlang op moeten wijzen, net zolang tot jij ze ook ziet. 

Ik ben het zat. Die vlekken moeten weg. Bij mij. Bij iedereen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *