Pijn

Ik reed de teststraat in bij de Nijmeegse GGD en tot op dat moment had ik geen negatieve associatie bij het woord ‘test’. Sinds februari was ik niet meer echt verkouden geweest. Nu wel, en mijn kinderen ook. Dus ging ik “even een testje doen”, zoals ik het formuleerde tegen mijn zus. 

Ze zeggen weleens dat je pijn vergeet. Dat je hersenen ervoor zorgen dat je concrete pijn later niet meer exact kunt herinneren. Ik heb een andere ervaring. De verpleegkundige legde rustig uit wat er ging gebeuren. Ze zou een lang wattenstaafje in mijn keel steken. “Daar kun je kokhalsneigingen van krijgen.” Ik kreeg die neiging, al viel het me mee. 

Maar toen de neus. “Het kan vervelend aanvoelen, maar het mag geen pijn doen.” Dat is psychologisch natuurlijk. Enerzijds moet je een beetje voorbereid zijn op wat komt, anderzijds moet je niet van tevoren al in paniek raken. “Kies maar een neusgat uit”, zei ze. Ze drukte de staaf goed door. Ik trilde op de stoel, mijn armen maakte ongecontroleerde bewegingen. Alleen het oog boven het betreffende neusgat traande, maar het was wel een stortvloed. 

Ik vraag me af of ik dit pijn mag noemen. Bij een man schijnt de pijngrens lager te liggen dan bij een vrouw. Bij mij misschien nog wel lager. Ik schaam me ervoor. Eigenlijk heb ik nooit echt pijn gehad. Geen wortelkanaalbehandeling, geen arm uit de kom, geen ziekte. “Alles doet pijn,” zei mijn vrouw. Ze had het tegen mijn dochter die jammerde bij het zoveelste paar schoenen dat ze paste, maar ik betrok het op mezelf. 

Door een gesprek met een lotgenoot, iemand die ook getest is, voelde ik me uiteindelijk erkend. Hij zuchtte en steunde toen hij over zijn ervaring sprak, en op een gegeven moment liet hij dat ene woord vallen. “Pijn”. Yes! Ik was niet alleen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *