Vlieg

We hebben een vlieg in de auto. Hij moet zijn meegekomen van de boerderij van mijn ouders. Mijn jongste heeft hem als eerste opgemerkt. Ze gilt. Dat is niet gek. Ze gilt wel vaker om een vlieg. Het gillen houdt aan. De vlieg laat zich niet kennen. Ik draai de ramen open, maar hij duikt naar achter, verdwijnt in de achterbak, keert terug, cirkelt om mijn dochters, harder gegil, schiet voorbij de voorstoelen, langs een open raam, maar hij laat zich niet verleiden. Ik wapper met mijn vrije hand en even voel ik hem. Zo klein, zo licht. Hij kriebelt. Maar de vlieg is niet van slag. Opnieuw zoekt hij alle hoeken van de wagen op. Het gillen van de jongste neemt af. Ze wil nog wel doorgaan, maar dat lukt haar niet meer zo goed. Ze hoest. Ze wordt schor. De oudste heeft zo haar eigen methodes. Ze fluistert: ‘Vliegje. Vliegje.’ 
Het is een vlieg die op koeienruggen heeft gezeten (en daar zwiepende staarten heeft ontweken), maar ook op de rand van een emmer, op een weidepaaltje, op schrikdraad en op stront misschien. Op het Beuningse platteland wreef hij rustig zijn pootjes tegen elkaar. Daar heeft hij nu geen tijd voor. Hij maakt nog maar eens een rondje. De jongste is stil. Alleen haar gezicht gilt nog. 
Als we thuis zijn en uitstappen, wil de vlieg niet meteen mee. De oudste houdt de deur open. ‘Kom,’ fluistert ze. Hij neemt afscheid van onze auto en vliegt dan weg. Over de straat, over de huizen en de tuinen, de stad in. Op de stoep kijken we hem na. Ik denk hem nog te zien, maar ik weet het niet zeker. Het kan ook een vlekje voor mijn ogen zijn.  
‘Komt ie nog terug?’ vraagt de jongste. 
‘Misschien,’ zegt de oudste.
Ik sla een arm om de jongste en laat mijn neus even op haar hoofd rusten. Ze ruikt naar boerderij. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *