Tak

In het park pakt mijn jongste van 3 een tak van de grond die ze al vrij snel omdoopt tot ‘Vriendinnetje Tak’. Als we terug bij de fiets zijn en ik haar op het achterzitje wil zetten, moet Vriendinnetje Tak mee. Ze zegt het zo beslist dat ik weet dat het oorlog wordt als ik nee zeg.

We zijn in beweging en ze zwaait met de tak. “Niet doen, straks raak je er iemand mee.” Ze luistert goed, ze houdt de tak meteen laag.  “Niet zo, dan komt ze misschien tussen de spaken. Leg haar maar op je knieën.” Dat vindt ze een goed idee, dat past bij een vriendinnetje. 

Ze praat lang en liefdevol tegen de tak, ik kan het niet helemaal volgen. Dan, uit het niets, vraagt ze waar we naartoe gaan. 
“Naar huis, maar we moeten even via deze weg.” 
Wekelijks hanteer ik dezelfde tactiek en ze trapt daar vooralsnog elke keer in. Het duurt niet lang voor het stil is achter mijn rug. Ik rij zo langzaam mogelijk, sla willekeurige straten in en maak rondjes door een wijk die ik amper ken. Alles om haar in slaap te houden. Het is een grondrecht om te kunnen slapen als je moe bent, zeker voor een peuter. 

Terwijl ik heel bewust mijn tijd verdoe, raast het verkeer langs me heen. Op de stoep staat iemand te bellen. Ik denk aan de hoge werkdruk overal, zeker nu er zoveel ziekmeldingen zijn. Ik vraag me af waarom het niet een slagje minder mag. Juist in deze tijd. Zou de boel dan echt in elkaar storten? Doen we dit niet vooral onszelf aan? 

Mijn jongste schrikt wakker. “Vriendinnetje Tak!” De tak is op straat gevallen. Ze wijst naar waar ze op het asfalt ligt. Ik draai om, zet de fiets op de standaard en geef haar de tak. “Heb je lekker geslapen?” vraag ik. “Geslapen? Nee, ik heb niet geslapen.” Ze glimlacht. “Vriendinnetje Tak heeft geslapen!” 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *