Stadsjongen

Boven me ritselen bladeren en dan zie ik hem gaan. Hij maakt een val van een meter of tien. Vlak voor me stuitert hij op de stoeptegels. Meteen daarna volgt een knalletje. Een stuk verderop is er eentje op het dak van een auto terechtgekomen. En dan weer geritsel, in een boom achter me. Hop, daar suist ie naar beneden.

Ik loop door de Dorpstraat in Nijmegen. Het is hier een enorm slagveld en het bombardement is nog altijd gaande. Elk moment kan er een eikel op mijn hoofd vallen. Het zijn dan wel geen kokosnoten, toch houd ik de boel daarboven in de gaten.  
  
Gekke naam trouwens, voor een straat in de stad. Zelf voel ik me soms juist een stadsjongen in het lichaam van een dorpsjongen. Mijn hele leven al. Zo heb ik me nooit echt beziggehouden met natuur, maar nu er van alles aan het verdwijnen is, heeft het mijn aandacht. Daarin ben ik niet de enige. Flora en fauna zijn ‘in’. 

Ik raap een eikel op. Ik weet dat het een eikel is, maar daarmee is de grens van mijn kennis al in zicht. Begin dit jaar kreeg ik voor mijn verjaardag een vogelboekje, maar nog altijd kan ik een kraai niet van een kauw onderscheiden. Ik voel me een analfabeet in het landschap. Ik denk aan een boswachter. Hij ziet veel meer dan ik, omdat hij er meer van weet. Ik zie slechts bomen, bladeren, takken, mos. Die achterstand is niet meer in te halen.  

In mijn tuin zag ik pas een dagpauwoog vliegen. Ik was er trots op dat ik het dier herkende, maar toen ik het voor de zekerheid opzocht, ontdekte ik dat het ook een atalanta kon zijn geweest. Ergens las ik dat het aantal dagvlinders de afgelopen 30 jaar is gehalveerd en dat het aantal vliegende insecten zelfs met 75 procent is afgenomen. Harde, treurige cijfers, maar het is niet vreemd dat ik daar niks van heb gemerkt. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *