Koningshuis

Hoe groot de afstand is tussen het koningshuis en het volk, weten ze in Beuningen al heel wat jaren. Op 11 juli 1950 brachten koningin Juliana en prins Bernhard een bezoek aan het dorp, als onderdeel van een rondreis door Gelderland. Op oudbeuningen.nl staan foto’s van deze gebeurtenis. Beuningen is goed voorbereid. De vlaggen wapperen, de fanfare staat keurig opgesteld en de oudste inwoners – gehuld in zondagse kledij – wachten op een bankje vooraan. Dan arriveert de koninklijke auto. Het achterportier zwaait open, de burgemeester buigt voorover en heet ze welkom. Vanuit de auto kijkt het echtpaar naar een dansje van schoolkinderen. Dan gaat het portier dicht en wordt de reis vervolgd. De vorstin heeft geen stap op Beuningse bodem gezet en de meeste dorpelingen hebben niets van haar gezien.

Vorige week vloog een gevaarte over ons land. Was het een vogel? Een vliegtuig? Nee, het was een koninklijke middelvinger. Ondanks de lockdown vertrok Juliana’s kleinzoon naar Griekenland. Vanwege de ophef keerde hij terug, maar twee dochters bleven stiekem achter. Ze wisten de raki vast goed te raken.      

Ik heb niks met deze poppenkastfamilie, maar ik maak me daar doorgaans niet druk over. Echter, door dit incident hoor ik details die nieuw voor me zijn. Zoals dat de koning bijna een half miljoen (!) per jaar mag spenderen aan privévluchten. Dit jaar stijgt hij minstens vier keer op. Wat me daarbij verbaast, is dat niemand het heeft over zijn ecologische voetafdruk. Die moet enorm zijn. Weet hij wat vliegschaamte is? 

Van mij mag het een paar onsjes minder. Een paleisje minder, een vliegreisje minder, een zakcentje minder. Het koningshuis hoort een symbool van nationale eenheid te zijn, maar is nu vooral een symbool van ongelijkheid.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *