Sporen

We dragen allebei een bril en dezelfde achternaam, maar als we op de dijk in Beuningen staan zien we iets anders. Ik kijk naar beneden en registreer: gras, sloot, prikkeldraad. Mijn achterneef André aanschouwt een landschap dat met de hand is bewerkt. “Hier bij de dijk is niets hetzelfde. Elk perceel heeft andere contouren. Heel anders dan aan de zuidkant van het dorp. Dat gebied is pas later ontgonnen, door machines. Alle weilanden zijn daar kaarsrecht.”   

Ik heb André gevraagd of hij me wil rondleiden, omdat ik eigenlijk maar weinig weet over het gebied waar ik ben opgegroeid. André studeerde bosbouw. Hij toont zich bescheiden. “Alles wat ik vertel, heb ik van iemand die hier onderzoek heeft gedaan.” Maar dan wijst hij naar een kraai die boven een bosje een buizerd aanvalt. “Een kraai is kleiner, maar wel feller en wendbaarder in de lucht.” 

André vertelt graag over de sporen die de geschiedenis in het landschap heeft achtergelaten. Zoals de Moespotse Waai, die door een dijkbreuk is ontstaan. Klei en zand spoelden weg bij die breuk en heeft tot honderden meters verderop voor vruchtbare grond gezorgd. Bij de Waaloever stopt hij bij wilgentenen die met klei zijn aangesmeerd. “Dit komt mogelijk uit de Middeleeuwen, bedoeld om de oever te beschermen tegen het water.” Iets verder liggen losse bakstenen. “Na de oorlog is hier veel puin uit Nijmegen terechtgekomen, ook om de oever te beschermen.” We klimmen omhoog. “Deze dijk is heel stevig, hier kwam vroeger veel verkeer overheen.” 

Op weg naar huis stop ik even bij de Oude Koningsstraat in Weurt. André vertelde dat hier ooit een rivierarm lag en dat de straat daarom zo’n typische bocht heeft. Door zijn ogen krijgt deze omgeving, die zo bekend voor me is, een nieuwe dimensie.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *