Handen

Vlak voor de huidige lockdown bracht ik een bezoek aan mijn tante. Op een zeker moment viel mijn blik op haar hand, die ze even op tafel had gelegd. Het verbaasde me hoe lang die was. We vergeleken onze handen en ze bleken even lang te zijn. Dat zie ik niet vaak, vrouwenhanden van hetzelfde formaat.

“Oma had ook zulke handen”, zei mijn tante.
Ze had gelijk. Dankzij de handen van mijn tante zag ik ineens de handen van mijn oma, die in 2004 op 90-jarige leeftijd overleed, weer voor me. 
“Ze friemelde altijd met een zakdoek. In het verpleeghuis wreef ze steeds over mijn handen.”
Ja! Dat wist ik nog, dat had ze bij mij ook gedaan. 

Sindsdien denk ik vaak aan mijn oma. Aan haar rijzige gestalte. Aan de soep, stroopwafels en drop die ik van haar kreeg, tussen de middag in de pauze van school. Aan die keer met carnaval, dat ik bij haar logeerde op een luchtbedje in de woonkamer nadat ik flink had gefeest. Aan haar wandelstok, de lange bloemenjurken en de korte, witte haartjes boven haar lippen. Aan de krant die ze alleen had om te weten welke dag het was. Aan die keer dat ze in het centrum van Beuningen hard voorover viel en grote blauwe plekken op haar gezicht had.  

En aan rummikub, het spel waarvan de randen van de doos met plakband bij elkaar werden gehouden. Hoeveel potjes ik wel niet tegen haar heb gespeeld, tot in het verpleeghuis. Ik fantaseerde dat we een rummikubdynastie waren en tot de wereldtop behoorden. Een oma met een glansrijke carrière die het stokje aan haar talentvolle kleinzoon overdroeg. Soms liet ik haar winnen om het spannend te maken.

“Ben ik aan de beurt?”, hoor ik haar nog aarzelend vragen. “Ja, u bent.” En dan pakte die hand, die nu van mijn tante is, weer een steentje van tafel.    

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *