Sebastiaan

Precies een week na het gruwelijke drama in Wijchen stak mijn vrouw trillend haar middelvinger op naar een automobilist. Op een eenrichtingsweg middenin een wijk kwam een auto zo hard op haar af, dat ze zich niet meer veilig voelde en met haar fiets de stoep op bonkte.

Ik herken het gevoel dat bij die opgestoken vinger hoort. Het is woede die ineens achter je borstkast omhoogschiet, als een totaal onverwachte vulkaanuitbarsting. Ik ervaar het vaak genoeg, zowel op de fiets als in de auto. Gierende banden vlak achter of naast me, iemand die door rood rijdt, iemand die op het allerlaatste moment remt, iemand die me afsnijdt. Dan vervloek ik de bestuurder en wens diegene het ergste van het ergste toe. Een auto is een vervoersmiddel, maar ook een wapen. Je kunt er iemand mee verwonden en doden. Geen wonder dat het zulke rauwe emoties oproept.

Alleen laat ik die gevoelens nauwelijks zien of horen. Ik schud een beetje afkeurend mijn hoofd en mompel hel en verdoemenis. Ik ben iemand die inslikt. De angst overheerst, waardoor de woede snel weer terugglijdt in mijn lichaam en daar lang voortsuddert. De laatste jaren probeer ik dat te veranderen, ook in verkeerssituaties. Maar dat is lastig. Je weet niet wie er achter het stuur zit. Je weet ook niet of het zin heeft. Als iemand in het verkeer boos op mij is, omdat ik een fout heb gemaakt, dan is mijn eerste reactie ook boosheid. Boosheid om de boosheid van de ander. 

Toen mijn vriendin met het verhaal van de middelvinger thuiskwam, was het eerste wat ik zei: “Had je beter niet kunnen doen”. Dat was misschien de verstandigste reactie, maar ook iets waarvoor ik me schaam. Als we niet meer van ons laten horen, zijn we nergens. Ik wou dat ik wat meer van de Wijchense Sebastiaan in me had. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *