Niemandsland

Mijn gehandicapte zus picknickte pasgeleden op een kerkhof. Ze was ‘terug in de tijd gegaan’, zoals ze het noemde. Samen met een paar huisgenoten was ze naar Escharen gebracht om het graf van mijn opa en oma te bezoeken. Ze had gebeden voor mijn ouders, mijn broer, mijn zus en mij. Vervolgens was ze op een bankje gaan zitten dat uitkeek op de zerken. Daar had ze haar broodtrommeltje geopend.

Mijn zus leeft in een niemandsland tussen de eerste en tweede prik. Ze ziet nauwelijks mensen. De regels worden strikt nageleefd, want een besmetting in haar huis betekent uitstel van de tweede prik. Om de tijd te doden, worden elke dag plekken bezocht waar een van de bewoners is opgegroeid. Behalve het graf van opa en oma liet mijn zus ook de oude boerderij midden in Beuningen aan haar huisgenoten zien. Ineens herinnerde ze zich weer het verstoppertje spelen bij het torentje in de wei.

In het huis van mijn zus is corona tot nu toe – afkloppen – buiten de deur gebleven. In december was het even spannend toen de zoon van een begeleider besmet bleek te zijn. De begeleider vertrok direct en liet zich testen, wat voor onrust onder de bewoners zorgde. Er werd besloten om niets te zeggen over het scenario als ze positief zou zijn: dan konden de bewoners geen kerst met hun familie vieren. Dit bleef ze bespaard. Maar een paar weken later was het in andere Thomashuizen in de regio wel raak. Mijn zus bakte koekjes voor hen.

Het is nu aftellen geblazen. Na de eerste prik had ze geproost met haar huisgenoten, maar prettig was het niet. Ze klaagde over spierpijn in arm en bovenbeen. Bovenbeen? Ze had, bleek later, vlak daarvoor iets te fanatiek op de hometrainer gezeten. Als de tweede prik is gedaan, kan ze proosten met de mensen voor wie ze heeft gebeden. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *