Brandweer

Als er geen corona was, zou mijn vader elke maandag bij zijn derde familie zitten. “De eigen familie is de eerste, de schoonfamilie de tweede en de brandweer de derde, zo wordt wel gezegd.” Jaren geleden ging hij met brandweerpensioen, maar nog altijd heeft hij nauw contact met de mannen. Omdat dit nu niet kan, neem ik die rol over.   

Mijn vader vertelt dat de kapper, tevens commandant, hem vroeg voor de vrijwillige brandweer. “Geen jongensdroom. Ik deed het omdat ik dan niet in militaire dienst hoefde.”
Hij kreeg meteen een essentiële taak. De kazerne stond tegenover onze boerderij. Als er brand was, werd hij gebeld om de sirene aan te zetten. “Zo werden de brandweerlui toen opgeroepen.” 

Hij maakte heftige zaken mee: mensen die in de Waal waren verdronken, doden in auto’s. “Als ik het bericht ‘verkeersongeval met beknelling’ kreeg, dan schoot de adrenaline omhoog. Dan wist ik dat het ernstig was.”

De moeilijkste situaties waren die met bekenden, zoals met een collega-boer die in de mestput viel. “Hij werd gereanimeerd, maar het mocht niet baten. Daar lag ik wakker van.”
Of de brand vlakbij onze boerderij. “We zagen rook. De mensen stonden buiten, in paniek. Mijn pak hing in de kazerne, dus moest ik er eerst langsrijden. Heel raar.”  

Er waren ook mooie uitrukken, zoals de branden in ’88 toen een pyromaan actief was bij fabrieken in Nijmegen en Weurt. “Grote vuren. Alleen materieel, dus niet zo erg.”
En de grappige gevallen. Een paard in een zwembad en een brand bij twee beschonken broers. “Het halve huis was afgebrand, maar een van de twee zat weer in zijn stoel voor zich uit te staren, voeten in het bluswater.”  

Als mijn vader door de omgeving rijdt, weet hij bij veel huizen niet alleen wie er heeft gewoond, ook wat er is gebeurd.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *