Wedstrijd

In de auto wrijft mijn jongste dochter (4) al in haar ogen nog voor we de straat uit zijn. Dat brengt me terug naar tweeëneenhalf jaar geleden. Dezelfde rit, hetzelfde wrijven, maar zo anders. Een wedstrijd was het, steeds weer. Ik tegen haar slaap, en ik wist wie er zou winnen.

Ze mocht niet al slapen. Als ze sliep, kwam het niet meer goed met de oppasdag. Dan konden mijn ouders het middagdutje vergeten, was ze tegen de avond helemaal over haar toeren en zou ze midden in de nacht wakker worden.

Nijmegen-Beuningen is niks. Drie stoplichten en je bent er. Maar elke keer kantelde haar hoofd en moest ik haar aantikken. Eten zou haar wakker houden, maar dat vergat ik steeds, dus begon ik te praten. “Zie je die heftruck? Broem broem. Dat is het industrieterrein. Het laatste stukje Nijmegen. En nu gaan we het kanaal over. Daarboven zit iemand, in die cabine. Hij moet mij kennen, zo vaak als ik hier heb gefietst.”

Ze deed haar best. Ze luisterde naar mijn stem. Ze probeerde me te volgen. Ze keek uit het raam. Eventjes, en toen weer vooruit. “Kijk, wat een mooie paardjes. Dit is Weurt. Hier heb je de Postkantoorstraat waar geen postkantoor meer zit. En nu zijn we Weurt alweer uit.”
Ze glimlachte met haar ogen bijna dicht. Het was heel grappig. Ze leek wel dronken. “Schaapjes. En café Hanneke, daar heb ik weleens carnaval gevierd.”

Ik deed precies mijn vader na toen we vroeger over de dijk reden om naar de beesten te kijken. Overal had hij wat over te zeggen. Ik luisterde, maar sloeg niets op.  “Op dat bord stond een concert van OBK vermeld. Een koor.”

Ik had verloren. Ze sliep. Haar hoofd hing scheef. Ik liet het gas los. Er zat toch niemand achter me. Ik had de tijd. Ik keek om me heen. Ik had nog veel meer kunnen vertellen.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *