Landkaart

Regelmatig slaat mijn jongste (4) de prachtig geïllustreerde atlas van het Poolse auteurs-echtpaar Mizielinski open. Ze is vooral benieuwd naar landen met vreemde vormen, maar wil ook altijd nog even kijken naar Nederland. Dan legt ze haar vinger op de speels getekende Valkhofkapel. “Hier wonen wij”. Ze heeft goed onthouden wat ik heb uitgelegd. Haar vinger schuift naar links, richting Maas en Waal. “En hier opa en oma, toch?”. 

Zelf ben ik al heel lang dol op landkaarten. Op de basisschool haalde ik tienen voor topografie en tekende ik landkaarten voor de juf. Ergens hoop ik dat mijn dochter die fascinatie erft. De momenten dat ze er spontaan over begint, koester ik. Zo knielde ze pas bij een willekeurige stoeptegel bij ons in de buurt. Haar vinger gleed over de rand. “Dit is onze straat. Hier wonen wij. En hier wonen de buren”. Ik was onder de indruk, maar toen ging haar vinger verder, de hoek van de tegel om. “En hier wonen opa en oma”. Dat klopte niet in de verhoudingen, dan zouden ze slechts een straat verderop wonen. 

Ook het buurmeisje liet me een keer te vroeg juichen. Ze liet een tekening zien van een cirkel met daarin vier vakken. “Dit is een wereldbol”. Ze drukte haar vinger op een van de continenten: “Hier wonen wij”. “En dan wonen wij daar”, zei ik en ik plantte mijn vinger naast die van haar. “Nee”, zei ze, “daar”. Ze wees naar een ander continent. 

Deze week zat ik samen met mijn jongste in de auto op weg naar huis. Vlak voor we onze straat inreden, vroeg ik of ze herkende waar we waren. Ze keek uit het raam, maar zei niets. “Waar denk je dat we zijn?” vroeg ik. “In Nederland”. Dat klopte als een bus, maar het was wel een erg veilig antwoord. Waarschijnlijk moet ik nog even geduld hebben voor ze specifieker wordt. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *