Non-binair

Met roodgelakte nagels zat ik in bus 85. Mijn kinderen waren ermee in de weer geweest, maar dat wisten de andere passagiers niet. Ik onderdrukte de neiging om mijn handen te verbergen en dat voelde als een overwinning. 

Het zijn dit soort kleine situaties waar ik langer over nadenk sinds ik samenwerk met iemand die non-binair is. Het valt me steeds meer op hoe alles in de samenleving gericht is op man en vrouw, op mannelijk en vrouwelijk. Het zit ook in de taal besloten. De samenwerking met mijn collega is niets bijzonders, alleen moet ik wennen aan een andere taal: het gebruik van de voornaamwoorden ‘hen’ en ‘die’. Het zorgt ervoor dat ik soms haper in een gesprek. Maar het is goed om dat ongemak te ervaren, want anders zit dat ongemak alleen bij degene die ‘anders’ is. 

Deze zomer zorgde het nieuws over Frédérique voor verontwaardiging. Ze werd in elkaar geslagen omdat ze geen eenduidig antwoord gaf toen iemand vroeg of ze een jongen of meisje was. Maar er was ook ophef over Lufthansa. Het personeel zegt voortaan niet meer ‘dames en heren’, maar gewoon ‘hartelijk welkom’. Veel mensen vinden het prima als iemand non-binair is, zolang er niets verandert. Zoiets als genderneutrale toiletten vinden ze onzin. Ze vragen zich af waarom het nodig is, want zij hebben het niet nodig. Maar dat jij het niet nodig hebt, betekent niet dat een ander het ook niet nodig heeft. Als er alleen een mannen- of vrouwentoilet is, dan zeg je eigenlijk tegen non-binaire mensen: jullie bestaan niet.

Veranderingen zijn altijd lastig, maar schrijver Selm Wenselaers verwoordde het mooi: “De wereld is er niet per se ingewikkelder op geworden; er zijn wel steeds meer perspectieven die naar buiten komen en die uitnodigen om na te denken en zacht mee te bewegen.”

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *