Kermis

Ik ben nooit op de Wijchense kermis geweest, maar zonder de Wijchense kermis was ik er niet geweest. 

In 1971, op de derde zondag van september, bevonden mijn moeder (23) en vader (21) zich in de grote tent aan de Kasteellaan. Mijn moeder in een jurk, met nylonpanty’s en hoge hakken aan. Mijn vader in pak, zonder stropdas. Mijn moeder dronk Sneeuwwitjes (pils en 7-up gemixt). Mijn vader pilsjes en soms een Sneeuwwitje tussendoor. 

Ze kenden elkaar al van de Katholieke Plattelands Jongeren, een club die onder meer sportdagen en droppings organiseerde. Mijn vader was zelfs al eens bij mijn moeder thuis in Neerbosch geweest, toen hij daar als bestuurslid een vergadering bijwoonde. Toch was de Wijchense kermis hard nodig. 

Om acht uur ging de tent open. De meiden dansten, de jongens zaten op een bankje langs de kant en dronken zich moed in. Zo ook mijn vader. Rond half 10 stapte hij op haar af en vroeg of ze met hem wilde dansen. Daar gingen ze. Die avond walsten ze twee keer met elkaar. Om elf uur was het afgelopen en vroeg hij of hij haar op de Zündapp naar huis mocht brengen. 
 
Er werd nog niet gezoend, maar het was wel aan. In de periode die volgde belden ze veel en dansten in het weekend bij Verploegen. Doordeweeks fietste mijn moeder uit het werk met een omweg naar huis. Bij de Pieckelaan stopte ze om met mijn vader te kletsen, die daar in de wei de koeien molk. Alleen even kletsen, want mijn vader moest op tijd thuis zijn voor de melkwagen kwam. In november kwam mijn moeder voor het eerst bij mijn vader in Beuningen over de vloer. Twee jaar later trouwden ze. 
 
“Niet echt een spannend verhaal”, zegt mijn moeder precies een halve eeuw later. Maar ik vind het boeiend. Het was zo’n andere tijd, zo’n andere wereld. Alleen de kermis is er nog. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *