Pink

Van het ene op het andere moment stond het bovenste kootje van mijn linkerpink scheef. Ik speelde beachvolleybal in de oude Honigfabriek en had zojuist de bal op mijn pink gekregen. Ik spande de vinger aan, maar het topje bleef stug schuin naar voren wijzen. Alsof er bij het dak iets te zien was wat ik echt niet mocht missen. 

Ik schrok niet van dat kootje. Ik had ook niet meteen door dat er iets mis was. Mijn vingers zijn al jaren nogal eigenaardig. Als ik mijn hand strek, krijgt mijn ringvinger automatisch een buikje. Het is een trucje dat het goed doet op feesten en partijen. Kijk, zeg ik dan, deze is zwanger. Ik kan met mijn ringvinger ook heel makkelijk een ‘z’ maken, door er met mijn andere hand een beetje op te duwen. Als ik dat laat zien, lopen mensen vaak gillend weg. 
 
Ik weet niet of het erfelijk is, maar mijn oma uit Beuningen had ook lange, eigenaardige vingers van elastiek. Ook bij haar raakte er soms zomaar eentje zwanger. Verder kon ze haar duim als het ware loskoppelen van haar hand en laten ronddraaien. Als we haar bezochten aan de Wilhelminalaan, veranderde ze soms in een artiest. Ze was een goochelaar die geen hoed en konijn nodig had. 

Het incident met de bal vond plaats tijdens mijn tweede les. Ik had me al jaren voorgenomen weer iets aan teamsport te gaan doen en het al evenveel jaren uitgesteld. Nou, dat waren twee mooie lessen. Nu zit ik zes weken met een spalkje, want zonder spalkje zal het vingertopje voor altijd schuin naar voren wijzen. 

Wel een mooi woord: spalkje. 

In de tussentijd vermaak ik me met woorden en woordgrapjes. Aan mijn teamgenoten appte ik dat ik geen pijn heb, dus dat ik geen traantje hoef weg te pinken. En dat ik snel weer bij de pinken ben, als ze voor me duimen. Ja, lekker bijdehand.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *