Fietsen

Er is nauwelijks iets veranderd, dacht ik toen ik samen met mijn vader een glimmende, volgeladen, elektrische fiets optilde en achterop zijn auto zette. We maakten hem stevig vast aan de drager en plaatsten een tweede fiets ernaast. De herfstzon lokte mijn ouders naar buiten. In Noord-Limburg lag een mooie route op ze te wachten.

Fietsen is voor mijn ouders, en in het bijzonder voor mijn vader, een recreatieve bezigheid.  Het is iets voor als het goed weer is, iets voor op de zondagmiddag. Niet zo verwonderlijk natuurlijk, daarvoor zijn het pensionado’s. Hele hordes babyboomers maken de fietspaden onveilig, zeker als het zonnig, droog en windstil is. Mijn ouwelui zijn daarin geen uitzondering. Maar zij doen dit al decennia. Ik ken ze niet anders. Ze waren al gepensioneerd voor ze gepensioneerd waren. Op zondag dan, na het melken. 

Voor mij is fietsen nog altijd een manier om van A naar B te komen. Het heeft een functie. Als tiener zag ik het verschil met mijn ouders en dat vond ik moeilijk. Zij hadden prachtige, dure Gazelles die ze af en toe in het weekend uit de garage haalden, terwijl ik op een tweedehands barrel dagelijks vele kilometers maakte om ergens te komen. Vanuit Beuningen door weer en wind, vaak met een volle schooltas of een hoornkoffer op de bagagedrager. Ergens vond ik het ook wel stoer, dat mijn wielen – met een slag erin – veel vaker ronddraaiden. Het was ook stoer.

Nu gebruik ik meestal de fiets van mijn vrouw. Een sportief, knalgeel zwijntje (‘zwijntje’ blijkt een synoniem te zijn voor fiets), die ze te danken heeft aan het uitstekende fietsplan van haar werkgever. “Eigenlijk maken we nooit fietstochtjes”, constateerde ze pas. En zo is het. Het zwijntje rijdt heel soepel, maar hij rijdt vooral volledig ongepensioneerd.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.
  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *