Zolder

En toen zat ik ineens op zolder. Vanaf een matrasje gooide ik een tennisbal tegen de muur en ving ‘m weer op. Om me heen pakjes zakdoeken, dozen vol administratie en een verdwaald bakje met viltstiften. Er werd op de deur geklopt; een bord eten stond klaar. Op 21 juli – de dag van mijn tweede prik – had ik niet kunnen bevroeden dat drieënhalve maand later dit de situatie zou zijn.

In het begin van mijn quarantaine dook ik in de online discussies. Heel onverstandig, want behalve de besmettingen namen ook de discussies exponentieel toe. Wat me weer opviel, was hoe makkelijk veel mensen hun mening gaven. Alsof ze wisten waar ze het over hadden. Terwijl dit virus ondoorgrondelijk is, of in elk geval buitengewoon ingewikkeld, en keer op keer door iedereen is onderschat.

Ik schoof dit alles opzij en nodigde een symfonieorkest uit om iets laatromantisch voor me te spelen. Ook ging ik lezen. Hierdoor kon ik de Waal over, ver weg, naar Noorwegen en naar Oekraïne, waar de romandebuten van Frouke Arns en Lisa Weeda zich afspelen. Ik luisterde naar de indringende verhalen van personages die gedwongen werden huis en haard te verlaten. Dan had ik het maar goed. Huis en haard was juist precies wat ik had. Beneden hoorde ik mijn kinderen – afgesloten van mij en van de buitenwereld – kletsen, lachen, ruziemaken. 

Na een paar dagen voelde ik me goed en mocht ik naar beneden. Maar nu bleek dat ik voor niets op zolder had gebivakkeerd. Mijn vrouw was positief getest. We hadden de quarantaine-jackpot gewonnen. Zij moest naar zolder, terwijl ik de zorg van de kinderen – die nu nog steeds niet naar buiten mochten – op me nam. Zo hobbelden we naar dag 8, dag 9, dag 10. Een lange oefening in nederigheid, maar niet zo’n lange oefening als de pandemie zelf. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *