Je mag mij hier begraven

‘Hoe kan ik ooit geloofwaardig maken dat een stad mij gelukkig maakt?’ schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in La Superba. Gerjon Gijsbers gebruikt de quote in zijn column en ik jat hem hier maar even. Woensdagnacht, middenin de Vierdaagsefeesten, schreef ik in een dronken bui een lofzang op Nijmegen. Ik was euforisch over zowel de stad als de tekst, maar toen ik de volgende dag het stuk wilde uittikken, dacht ik: nou, nou, nou. Dit was de enige zin die een beetje overeind bleef:
‘Je mag mij hier begraven en je mag dansen op mijn graf, het liefst in deze week.’Dikkefissa
En het was me een week. Natuurlijk met het dansen en het drinken, maar ook met de Wintertuintalkshows, met de Dikke fissa hier in Nimma-stickers van Jolijn Ceelen, de dragshow op Roze Woensdag, de openhartige gesprekken op de meest onverwachte plaatsen en het tot twee keer toe mislopen van mijn vader die de Vierdaagse voor de tweede keer meeliep en die ik wilde begroeten.
Ik heb geleerd dat je als je in Rome over straat loopt, naar een ruïne kunt wijzen en kunt zeggen: ‘Dat hebben we in Nijmegen ook’  (aldus Henny Linders, van de buurtsuper Jan Linders in Waterkwartier die zijn naam heeft veranderd in Henniecee).
Ik heb geleerd dat het weinig had gescheeld of de Vierdaagse was vlak na de oorlog, toen Nijmegen in puin lag, vergeven aan Utrecht, Apeldoorn of Breda. Mede dankzij de opa van theatermaker en schrijver Ilse Schaminee, die in een actiecomité zat, is dit voorkomen. Anders hadden we nu een heel zwaar en somber weekje gehad.
Ik heb geleerd dat je je fiets niet in de steeg achter het casino moet zetten. Ondanks dat wildplassers honderd meter de steeg in moeten lopen voor ze bij je fiets zijn, zullen ze het niet laten. Zeker niet omdat het de enige fiets is die er staat, je lokt het zelf uit.
Ik heb geleerd dat het moeilijk is om geloofwaardig te maken dat een stad mij gelukkig maakt en dat ik een lofzang op Nijmegen soms beter aan anderen over kan laten. Bijvoorbeeld aan Gerjon Gijsbers, zijn prachtstuk met een bijrolletje voor Beuningen lees je hier.
Of aan Lisa Weeda, die de stad beziet als ‘randstadkutje’, haar fraaie liefdesverklaring lees je hier.

Pollygoonjournaal (3)

‘Elke keer als Polly haar opa in het oog krijgt, stopt ze met het bewegen van haar armpjes en beentjes en kijkt hem doordringend aan. Het duurt niet lang of er verschijnt een pruillipje en ze begint te huilen.’
.
Het derde en laatste Pollygoonjournaal staat online. Over zwijgen en over de tegenvallers van het vaderschap. Je leest het hier.

Pollygoonjournaal (2)

‘Ik vind Polly de mooiste baby die er bestaat. Als ik naar andere baby’s kijk, zijn ze altijd net iets minder mooi dan zij en soms een heel stuk minder mooi. Maar als ik foto’s van Polly in haar eerste weken bekijk en ik eerlijk tegen mezelf ben, dan vind ik dat ze toen ook niet zo heel mooi was. Het kan zijn dat ze elke dag mooier wordt, het kan ook zijn dat ik als vader gewoon niet goed kan oordelen.’
.
Het tweede Pollygoonjournaal, over kijken en verwonderen, staat nu online. En wel hier.

Pollygoonjournaal

De komende drie weken schrijf ik op de Wintertuinblog over Polly. Het eerste Pollygoonjournaal gaat over kinderliedjes, Kinderen voor Kinderen en het kolfapparaat.
‘Zo gaan we de nacht in, met melk en muziek.’
.
Je leest het hier.

De kapsalon

Aan het begin van de dag zoek ik de website van de kapsalon op voor het telefoonnummer en bel ik om te vragen of er nog plek is. Mijn vriendin bekijkt intussen de foto waarop alle medewerkers staan. Als ik heb opgehangen, wijs ik naar de foto en vertel ik dat Diana is gaan samenwonen boven de horlogezaak en dat Cindy en Mariska uit Groesbeek komen. Mijn vriendin is onder de indruk.
Aangekomen bij de kapsalon blijkt dat Cindy zwanger is en dat ze op Sky Radio  tussen negen en tien alleen maar hits uit de nineties draaien. Bij No Limits zegt Diana: ‘Oei, nu komen er allemaal herinneringen naar boven.’
‘Ja,’ zegt Cindy.
Samen luisteren we in stilte naar Ray en Anita.
‘Je bent al drie maanden niet geweest,’ zegt Diana dan, terwijl ze een pluk haar tussen twee vingers houdt.
Als ik met een kort geknipt koppie weer buiten sta, klaar om op de fiets te springen, sms ik mijn vriendin en doe verslag. Op mijn werk stuur ik haar nog een selfie van mijn nieuwe look en vermeld erbij: ‘Met een beetje wax van Diana.’

Televisie (Kiezel #13)

De televisie staat aan als we terugkomen van een rondje door de wijk. Er is niemand thuis bij Kiezel.
‘Hij is nieuw,’ zegt ze, ‘en ik weet niet hoe hij aan moet.’
‘Maar hij staat al aan.’
Voor het scherm trek ik mijn jas uit. Precies op dat moment wordt er gescoord.
‘Als ik hem uitzet krijg ik hem niet meer aan, dus daarom laat ik hem maar aan staan. Lieke en Bastiaan zijn er niet deze week, die hebben dat ding gekocht. Weet jij misschien hoe het werkt?’
Ik kijk rond in de kamer op zoek naar een afstandsbediening.
‘Waar is de afstandsbediening?’
‘De afstandsbediening? Ja! Da’s een goeie!’
Kiezel zoekt mee. De bal gaat over de zijlijn.
‘Hoe lang staat hij eigenlijk al aan?’
‘Twee- nee, drie dagen.’
Twee spelers staan klaar voor een vrije trap. De afstandsbediening is nergens te vinden. Kiezel loopt naar de keuken om thee te zetten en vraagt welk smaakje ik wil.
‘Kijk maar.’
‘O, ik heb dus alleen kamillethee.’
Met twee dampende mokken komt ze de kamer binnen. Vanaf de bank kijken we naar een speler die over de grond kronkelt terwijl hij zijn knie vasthoudt.
‘Ik bedacht me gisteren dat ik aan kijkcijferverneuken doe,’ zegt Kiezel. ‘Eigenlijk kijk ik heel weinig, maar hij staat wel gewoon aan. Alle programma’s die langskomen hebben dus een meevaller, eentje extra, gratis en voor niks.’
Ze legt haar hoofd op mijn schouder.
‘Nou, ik gun het ze,’ zegt ze.
.
Lees hier de eerdere verhalen over Kiezel >>

Kikkerbadje

Ik had oogcontact met een moeder die in het kikkerbadje zat. Ze keek droevig. Ik stond langs de kant en zag dat haar man een eindje verderop in het bad zat. Hij hield hun zoontje half in het water. ‘Vind je het wel leuk?’ vroeg hij aan haar terwijl hun zoontje vrolijk in het water trappelde. Ze liet haar handen meegolven op het water en bleef me aankijken met haar droevige ogen. ‘Ja,’ zei ze. Ik keek droevig terug. Toen ben ik naar mijn vrouw en kind gegaan die in het bubbelbad zaten.

Beuningen leest Alex van der Hulst

Drukwerk bestand Draag Nooit een Gele Trui.indd‘En ga vooral ook fietsen!’
Ik vroeg Weurtenaar Alex van der Hulst mijn exemplaar van zijn nieuwe boek Draag nooit een gele trui te signeren en dit was wat hij ervan maakte. Alex weet blijkbaar niet dat ik al mijn hele leven fiets. De fiets is mijn belangrijkste transportmiddel. Hoe vaak ben ik niet van Beuningen naar Weurt gefietst? Om maar te zwijgen van de rit Beuningen-Nijmegen, via de Piekelaan en Kinderdorp Neerbosch of via Sluis Weurt. Vroeger fietste ik zelfs helemaal naar De Groene Heuvels en dat is echt een pokkeneind vanaf de andere kant van Beuningen kan ik je vertellen. Een keer ging ik nog een stuk verder, naar Batenburg, om een meisje te ontmoeten (geen succesverhaal). En nu fiets ik elke dag naar mijn werk. Praat me dus niet van fietsen, Alex!
.
Dit stuk is een reactie op het stuk ‘Weurt leest Willem Claassen’ dat Alex schreef naar aanleiding van het verschijnen van De koe die de Waal over zwom. Alex vond het jammer dat er maar één verhaal over Weurt in het boek stond. ‘We staan op gelijke voet met Dreumel,’ schreef hij. Verderop in het stuk merkte hij op dat de boerderij waar ik ben opgegroeid vlakbij Weurt ligt en vanaf de dijk goed te zien is. ‘Ik heb er talloze malen gefietst en hardgelopen,’ aldus Alex.
Toen ik Draag nooit een gele trui kocht ben ik natuurlijk meteen gaan bladeren, op zoek naar Weurt en Beuningen. Alex begint in de buurt: Wedren, Ooijpolder, Zyfflich, Oude Kleefsebaan. Dat voelt goed, even de andere kant op en we zitten in de juiste hoek. Ik ben heel benieuwd wat hij over de grond van onze jeugd te vertellen heeft. Maar ik kom bedrogen uit. Alex reist in zijn boek naar de Achterhoek, naar Limburg en naar Düsseldorf, keert terug in Nijmegen en noemt op het eind Brabant nog even. Weurt en Beuningen laat hij tot mijn grote verdriet links liggen (vanuit Nijmeegs perspectief kun je deze uitdrukking trouwens letterlijk nemen, Weurt en Beuningen liggen links op de kaart).
.
Als ik aan Beuningen en aan fietsen denk, dan denk ik aan het poetsen van de velgen van mijn fiets in de schuur. Ik moest dat elke week doen van mijn ouders, want anders zou de boel verroesten. Op mijn hurken zat ik naast de fiets en schrobde de velg met een oude tandenborstel waar ik Jif (tegenwoordig Cif) op had gekwakt. O, wat had ik een hekel aan die klus. In latere jaren bleef de fiets voor mij een noodzakelijk middel om van A naar B te komen. Ik reageerde schamper op mijn ouders die om de zoveel tijd nieuwe fietsen aanschaften en ze alleen op zondag uit de schuur haalden voor een rondje om het dorp, terwijl ik elke dag door weer en wind op een tweede- of derdehandsje reed tot zo’n barrel uiteindelijk van ellende uit elkaar viel.
.
Maar Draag nooit een gele trui gaat niet over fietsen, het gaat over wielrennen. Ik heb niet zo heel veel met wielrennen en dat zal ik denk ik ook nooit krijgen. Ik ben een ontzettende schijterd, zeker als het om snelheid en dunne bandjes gaat. Tegelijkertijd vind ik wielrenners -en wielertoeristen al helemaal- ontzettende aanstellers, met hun pakjes, hun geschoren benen en hun friebeltjes en frutseltjes. Ik denk altijd: doe niet zo moeilijk, ga gewoon fietsen. Ik stel me dan voor dat ze een lange dag op kantoor hebben gehad en in plaats van ‘s avonds even de oermens in zich naar boven te halen (door bier te drinken, te schreeuwen en/of te voetballen) trekken ze een strak tenuetje aan en pakken ze hun peperdure fiets uit de schuur. Het is volgens mij typisch Nederlands om je hobby heel serieus te nemen. Door het boek van Alex is mijn beeld van wielrenners niet veranderd. Integendeel, en dat maakt het juist zo’n leuk boek, ook voor de niet-renner. Het gaat over de verschillende types wielrenners en over de regels waaraan ze zich houden. Het zit vol zelfspot en laat goed zien waarom die wielrenners doen wat ze doen. Ze willen erbij horen. Hoe doen ze dat? Door met allerhande ongeschreven regeltjes anderen buiten te sluiten. De wielrenner die me in dit boek het meest aanspreekt, is Gerben Karstens. Ik had nog nooit van hem gehoord. Hier een fragment uit het interview dat Alex met hem had:
En je fiets moet schoon zijn.
‘Daar heb ik geen last van. Ik hoef me niet rot te poetsen. Ik ben daar heel economisch in, de volgende dag wordt de fiets toch weer vies. Mijn vrouw klaagt ook altijd dat ik een koekje ga zitten eten als ze net heeft gestofzuigd, maar dat wordt ook weer vies.’
.
In De koe die de Waal over zwom gaat het o.a. over de afstand die ik neem van mijn boerenjeugd. Maar van alle wielrentypes die Alex in zijn boek bespreekt, van ‘De Terrastijger’ tot ‘De Materiaalfreak’, past ‘De Boer’ het beste bij mij. Nog altijd. Je kunt een boer bij de koeien weghalen, maar de koeien haal je niet weg bij de boer. Of zoiets.
Alex heeft in elk geval een geweldig hilarisch boek geschreven, met als hoogtepunt het hoofdstuk Hoe passeer je bejaarden?, waarin een inhaalmanoeuvre van seconde tot seconde wordt beschreven. Ook zeer
nuttig voor de gewone (oftewel: normale) fietser. Ik haal er even twee zinnetjes uit:
Riet is dus naar links gezwiept en neemt nu de tijd om de controle over haar fiets terug te krijgen. Als die taak is volbracht, gaat ze, nog steeds uiterst links rijdend, langzaam omdraaien op de fiets om te zien wie er achter haar dat geluid maakte. 
.
Dat Alex Beuningen en Weurt in zijn boek links laat liggen zal ik hem maar vergeven. Toch wil ik niet onvermeld laten dat de westkant van Nijmegen ook de moeite waard is om te fietsen als wielrenner. We hebben weilanden, uiterwaarden, een rivier en her en der een bosje. Er wonen ook veel renners. Beuningen heeft minstens twee wielerclubs: No Limits en Zeem as ever. Bovendien heeft Beuningen een eigen wielerzaak, aan de Schoolstraat tegenover het dorpshuis. Daar verkopen ze talloze friebeltjes en frusteltjes.

Meer info over Draag nooit een gele trui vind je hier.

 

Kilometers

Als je vanuit een helikopter in ons huis zou kunnen kijken, zoals filmploegen dat soms zo mooi doen, zou je zien hoeveel rondjes ik op een avond door het huis loop met het kind op de arm. (Eigenlijk mag ik niet ‘het kind’ zeggen, maar daar trek ik me niets van aan, het is gewoon ‘het kind’ in dit soort situaties). Kilometers maak ik, vooral door de woonkamer, want de hal is te smal en te kaal en te saai, en de slaapkamer is te koud en te onhandig qua inrichting. Er is niets vervelender dan heen en weer lopen rondom een bed.
Dus passeer ik voor de zoveelste keer de boekenkast en merk dan ineens, tot mijn grote en vooral stille vreugd, dat het kind gestopt is met huilen. Echt? Ja echt, ze is stil. Met haar rode, waterige ogen kijkt ze verwonderd om zich heen. Nog steeds is haar leven heel erg kort en is alles voor haar heel erg nieuw. Ondertussen blijf ik doorlopen en denk ik aan hoe klein dit huis is. En ik weet dat als ik nu stil ga staan of even ga zitten, ze weer zal beginnen te kronkelen met dat kleine lijfje. Dan komen de geluidjes, korte kermpjes als aankondiging van een nieuwe hoosbui. Het kind zal er alles aan doen om me weer in beweging te krijgen en te houden.
Maar ik sta niet stil en ik ga niet zitten. Ik loop. Ik maak mijn rondjes door dit veel te kleine huis, met mijn tanden op elkaar. Het mag nu niet te lang meer duren. Ik heb kramp in mijn armen, in mijn benen en in mijn hoofd. Gelukkig voel ik het einde naderen. Ze knippert met haar ogen, knikkebolt en valt in slaap. Nu niet te snel zijn, wacht tot ze nog wat dieper slaapt. In mijn hoofd tel ik tot honderd. Stilletjes loop ik naar de slaapkamer en leg haar zo voorzichtig mogelijk in bed. Nog even laat ik mijn hand onder haar hoofd rusten en schuif ’m er dan kalm onderuit. Langzaam doe ik een stap naar achteren, en nog een, ik wacht, draai naar de deur, kijk een laatste keer om, en jawel hoor, ze heeft haar ogen geopend. Pruillip, korte kermpjes.
Ik maak mijn schouders los. Een nieuwe wandeltocht vangt aan.