Geluk

Geluk is een vreemd en meedogenloos iets. Terwijl niet ver van me vandaan mensen vechten voor hun leven, kijk ik op mijn telefoonscherm naar mijn kersverse nichtje. Gezond, diep in slaap. Een mooi koppie, alles klein en fijn. 

Mijn zus verraste me anderhalf jaar geleden met haar kinderwens. Ze was achter in de 30 en al aardig wat jaren vrijgezel. Ergens ging ik ervanuit dat ze voor altijd een suikertante zou blijven. Toch kwam die kinderwens niet uit de lucht vallen. Mijn zus was altijd al gek met kinderen. Vroeger zei ze altijd dat ze er minstens tien wilde. In schriftjes schreef ze mogelijke namen op voor haar toekomstige kroost. Pas kwam ik het vriendenboekje van mijn andere zus tegen. Bij de vraag ‘Wat wil je later worden?’ schreef mijn zus met zo’n typisch vlekkende vulpen van school: ‘Moeder’. Het ontroerde me toen ik dat teruglas.

Mooi is dat de naam die ze voor haar dochter koos al in haar jeugd bleek te zijn ingedaald. Ook mooi is dat ik maanden terug in mijn agenda precies op de dag van de bevalling had gekrabbeld: ‘Marieke hier ongeveer uitgerekend’. 

Maar ondertussen woedt buiten de crisis. Mijn ouders hebben Beuningen verlaten en zitten in quarantaine bij mijn zus. Kraamvisite zit er voorlopig niet in, raamvisite wel. Maar dat kost veel moeite, ze woont niet in de buurt. Zeven personen hebben de baby van dichtbij gezien en daarvan heeft de meerderheid een medische functie.  

Via het videobellen zie ik het meisje haarscherp. De zachte huid, de wimpers, de rode plekjes bij de ogen. Mijn vaderhart slaat sneller. Ik zou dat hummeltje willen vasthouden, maar ik verbijt mijn ongeduld. Elk kind is welkom, maar bij dit prachtexemplaar ben je daar toch net iets meer bewust van. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tegenstanders


Spelletjes doen, in tijden van corona is het voor een jong gezin haast onvermijdelijk. De afgelopen week waren we regelmatig in de weer met pionnetjes, kaartjes, schijfjes en een dobbelsteen. Leerzame momenten voor mijn oudste dochter (5). Verlies accepteren vindt ze nog lastig. Maar we maken het haar niet makkelijk en dat werpt vruchten af. Een keertje verliezen verdraagt ze inmiddels. Twee keer achter elkaar is nog te veel. Dan gaat ze jammerend van tafel en dat wekt medeleden op bij de jongste (2). Einde spel. 

Bij mij kwam tijdens het spelen van alles boven. Rikken met mijn ouders bijvoorbeeld. Als ik verloor, legde mijn vader alle kaarten op tafel voor een bespreking waarbij elke slag werd geanalyseerd. Het duurde niet lang voor ze een andere medespeler moesten zoeken. 

Of Kolonisten van Catan met Beuningse vrienden. Niet mijn favoriet, maar zij waren er gek op. Ik was nog niet gewend aan het origineel of de uitbreidingen kwamen al op tafel. Elke seconde van het spel werd opperste concentratie van me verwacht en dan nog ging het me te snel. Op een avond deed ik het zo slecht dat ze uit onbegrip grapjes maakten, waarna ik een uur lang niets tegen ze heb gezegd.

Toch ben ik gezelschapsspellen blijven waarderen. De afgelopen dagen trof het me hoe mooi een spel kan werken, in elk geval voor mij. Bij gebrek aan vreemden veranderen mijn naasten in vreemden. Ze krijgen een andere rol. Maar het gaat nog verder: ik ga heel anders naar ze kijken, los van leeftijd en persoonlijkheid. Mijn dochter zie ik ineens als een ijzersterke, geniepige tegenstander en mijn vriendin als een ongevaarlijke goedzak die ik wat puntjes gun. Met een spel kan ik nog even vooruit in deze moeilijke tijd. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Bom

We hebben een Syrische man over de vloer. In het begin gaat het over koetjes en kalfjes, maar dat hou ik niet vol. Ik wil het verhaal horen dat hij met zich meetorst in dit koude land. Ik vraag naar het leven daar, het leven in een oorlog. Hij aarzelt. Het is niet alleen de taal die hem tegenhoudt. De blik in zijn ogen doet me denken aan mijn vader, vroeger, toen hij bij de vrijwillige brandweer zat. Als hij terugkwam van een melding wilde ik alles weten, maar mijn vader liet weinig los. Bij dodelijke ongevallen zei hij niets, er was alleen die blik.
Dan vertelt de Syriër hakkelend dat er een bom viel op het huis van zijn buren. Hij was thuis en besloot te vluchten.

Hier is hetzelfde gebeurd, zou ik tegen hem kunnen zeggen als het niet zo ongepast zou zijn. Op 4 oktober 1944 viel een bom op het huis van de buren. De inslag verwoestte ook het huis waar ik sinds twee jaar woon. Na de oorlog zijn beide woningen herbouwd. De huizen in ons rijtje zien er hetzelfde uit. Alleen de bakstenen van mijn huis en dat van de buren aan de andere kant, destijds niet getroffen, verschillen iets van kleur. Elke keer als ik voor mijn huis sta, zou ik aan de oorlog moeten denken.  

De eigenaar van de woning naast ons stierf aan zijn verwondingen. Zijn vrouw raakte gewond, maar overleefde. Zijn zoon ook. Zijn dochter zat in de deuropening van de kapper, iets verderop in de straat, en at een appel toen de bom viel. Zij had niets. 

Ik wil meer horen van de Syrische man. Er is zoveel dat ik niet weet van zijn oorlog en zijn vlucht, er is zoveel dat hij heeft gezien en gevoeld. Maar hij glimlacht en begint over iets anders. Hij lijkt me te willen beschermen. Bij elk woord dat hij uitspreekt merk ik hoeveel hij me niet verteld.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Voorop

Je hebt met carnaval mensen die vooroplopen en mensen die vooroplopen. Koos Arts behoorde tot de tweede categorie. Ieder jaar liep de kleine man, die een maand geleden onverwacht overleed, letterlijk voorop. Gehuld in een oranje hesje leidde hij de optocht van Weurt in goede banen.

Tot de eerste categorie van mensen die vooroplopen behoort natuurlijk de prins. Maar ook al die vrolijk uitgedoste figuren die meerdere dagen met hun wagen door de straten gaan en carnaval vieren alsof er geen andere keuze bestaat. Ze kunnen niet zonder de drank, maar ook niet zonder de rituelen en de betekenis van het feest.

De twee categorieën, feestgangers en regelaars, horen bij elkaar als yin en yang en gaan vaak moeiteloos in elkaar over.

Er is echter nog een derde categorie. Vorig jaar eindigde de Weurtse optocht met de wagens van twee grote, onbekende groepen. Zo’n 135 personen uit Wanroij en Rijkevoort mochten in hun eigen regio blijkbaar niet meer meedoen. Nu liepen ze door een voor hun onbekend dorp. Ze draaiden loeiharde muziek, maakten rotzooi en plasten op straat. Het zag er treurig uit. Ze waren enkel en alleen met zichzelf bezig.

Die derde categorie is bekend in Maas en Waal. Meestal zijn dit pubers die allemaal dezelfde overalls of sweaters dragen en gehoorzaam achter een lelijke skihut aanlopen. Bier in de hand, hakkend op oorverdovende beats. Het is de leeftijd die veel, misschien wel alles, vergoelijkt. Op weg naar volwassenheid hoort ook dit erbij. Ergens in de toekomst zal een schifting plaatsvinden. Slechts een deel zal doorstromen naar de eerste categorie en hopelijk ook nog enkelen naar de tweede categorie, want zonder regelaars geen carnaval.
Rust zacht, Koos.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Grond

We zijn op weg naar Oss. Net als vroeger zit ik met mijn ouders, broer en zus weer samengepakt in een stuk rijdend blik. Er is niks veranderd. Er is stress. Of we op tijd komen, waar we precies moeten zijn, waar we kunnen parkeren. In de hal van het theater raken we elkaar bijna kwijt in de drukte. We geven onze jassen af bij de garderobe, klimmen de trap op naar het balkon en zoeken de stoelen die voor ons zijn bestemd. De onrust blijft in onze lijven. Pas bij de eerste akkoorden valt er een warme deken over ons heen. 
Rust.
Rowwen Hèze. 

In mijn tienerjaren draaiden we hun cd’s grijs. Thuis, maar vooral op onze spaarzame vakanties. In een huisje tussen de velden in Drenthe luisterden we naar de Limburgse klanken. Gitaar, drums, blazers en natuurlijk de accordeon. We zongen mee, we neurieden mee, we kregen er geen genoeg van.

Ik was altijd de dj van de familie. Ik wilde ze graag iets nieuws laten horen, zonder het op te dringen. Dat was lastig. Vaak hadden ze geen tijd, of geen zin. Ik weet nog dat ik op onze laatste gezamenlijke vakantie Leonard Cohen opzette. Ik dacht dat ze dat wel konden hebben, maar mijn zus vroeg al snel of dat sombere, klagerige gezang af kon. Hup, Rowwen Hèze maar weer op.

In Oss valt me op hoe veelzijdig de band is. Vooral de ballads springen eruit. Goud, NovemberZilverstroatHelenaveen
“Kijk,” zegt mijn broer, “mam zingt ook mee.”  
In de pauze komt het gesprek moeizaam op gang, maar we staan dichtbij elkaar. Vertrouwde lijven vol energie. We zijn niet zo goed in onszelf uiten. 
‘Ze zeggen dat een lied een brug kan zijn, ma. Maar ik zeg dat het ook de grond is waarop we staan,’ schrijft Ocean Vuong in zijn roman. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Fanfare


Mijn buurman speelt altsaxofoon. Sinds kort is hij elke dag aan het oefenen. Mijn jongste dochter hoort het ook. Ze zit bij me op schoot en kijkt naar de muur. Ik zeg dat het de buurman is.
“Buurman,” zegt ze op een manier alsof dit alles verklaart.
Ze weet niet dat de man niet zelf het geluid produceert, maar dat hij een instrument in zijn handen heeft.
“Vind je het mooi?”
Ze lacht.

Een goede vriendin zei een tijdje terug tegen me dat ze eigenlijk niet weet wie ik ben. Ze weet vaak niet wat er in me omgaat, wat er echt in me omgaat. We zaten in een café. Het was niet vervelend bedoeld, geen verwijt. Integendeel. Ze bracht het naar voren in een fijn en open gesprek. Ik zei dat ik het goed vond dat ze dit tegen me durfde te zeggen. 

Diezelfde vriendin weet wel dat ik bij de fanfare van Beuningen heb gezeten. Het is iets wat ik als introductie aan mensen vertel. Ik zeg het denk ik vooral om grappig te zijn, een fanfare blijft voor velen toch een eigenaardig fenomeen. Maar ook omdat het bij me hoort. Ik ben 17 jaar lid geweest. Veel melodieën ken ik nog uit mijn hoofd. Als ik een druppel water op de vloer zie liggen, denk ik aan de plasjes condenswater rondom de stoelen in het repetitielokaal. Soms droom ik dat ik weer in het orkest zit. Ik val in met mijn hoorn, maar wil dat eigenlijk niet. Ik zit gevangen. Ik weet niet hoe en wanneer ik kan aangeven dat ik echt niet meer terugkom.
 
Aan mijn dochter wil ik vertellen over de fanfare, maar ze krijgt de slappe lach. Vanwege het woord, dat vindt ze grappig.
“Fuhnare!”
Ik wil graag uitleggen wat het betekent en het liefst ook wat het voor mij betekent. Maar ik weet dat ze het niet zal begrijpen. Nu niet en misschien wel nooit niet.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Op de foto fanfare Kunst en Volharding uit Beuningen, rond 1943.

Briefwisseling

De afgelopen weken schreven Marjolein Takman en ik ieder twee brieven naar elkaar. Waarom we dat deden? Hier een korte uitleg:

Naar aanleiding van de oprichting van de nieuwe omroep Ongehoord Nederland vraagt Marjolein Takman zich af of ze zich gehoord voelt door de politiek. In een briefwisseling met Willem Claassen verkent ze samen met hem het thema ‘niet gehoord worden’. De twee schrijvers gaan het nieuwe jaar in met overdenkingen over o.a. representatie, nieuwsconsumptie, verjaardagen en het smoelenboek van de Tweede Kamer.

De eerste brief was van Marjolein. Onderaan kun je doorklikken naar mijn antwoord, etcetera. Zie hier.

Foto’s: Gaby Jongenelen, Purdey van Dijke.

Jane Fonda

Mijn oma en opa samen met Jane Fonda in 1975.

Zaterdag 18 januari was het precies 45 jaar geleden dat Jane Fonda logeerde op de boerderij van mijn opa en oma. Hoe zat dat precies?
Mijn verhaal over dit bijzondere bezoek stond dit weekend in het magazine van Algemeen Dagblad, en daarmee ook in een rits regionale bladen. Het is ook online te lezen.

Groots

Vandaag viert mijn zus dat ze 12½ jaar in het Drutense Thomashuis woont, een kleinschalige woonvorm voor volwassenen met een verstandelijke beperking. Jubilea zijn belangrijk voor mijn zus, maakt niet uit van wat. Ook als je er niet echt iets voor hoeft te doen, alleen doorlopen en doorleven, is het een mijlpaal en daarmee een reden voor een feestje. 

Eerst dacht ze dat ze een feest voor zichzelf zou krijgen, maar er zijn nog vijf andere bewoners die tegelijkertijd met haar in het Thomashuis kwamen wonen. Die was ze gemakshalve even vergeten. 

Mijn zus denkt groot. Toen ze op het punt stond naar Druten te verhuizen, wilde ze ter afscheid op een platte kar door Beuningen worden rondgereden. Ze zag zichzelf al als een koningin naar de menigte zwaaien. Even hebben we lachend met haar meegefantaseerd en de route voor de kar uitgestippeld. Toen keken we elkaar aan en hebben we het juiste moment afgewacht om het uit haar hoofd te praten. 

Dat is wat we als familie vooral doen: de pret bederven, dingen uit haar hoofd praten. Ik had liever een andere rol vervuld, maar in deze rol groei je vanzelf, het is iets vanzelfsprekends. 

In feite zijn wij de rotzakken, de nee-knikkers. Terwijl we hetzelfde zijn als mijn zus, met die jubilea en dat grootse denken. Als ik naar mezelf kijk: ook ik tel de jaren, ook ik zou weleens alle aandacht willen hebben. Alleen ik kan die gevoelens camoufleren. Ik rem mezelf af, relativeer de boel, zie de beren op de weg. Mijn zus ziet die niet, met haar slechte zicht. Ze is en blijft een kind. Ze doet zich niet anders voor. Wat binnenin haar leeft, komt er in dezelfde vorm uit. Dat is het enige echte verschil tussen iemand met en iemand zonder verstandelijke beperking.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Bos



In het jaar waarin een deel van de Amazone in vlammen opging, raakten mijn ouders de populieren in hun straat kwijt. Al drie maanden kijken ze uit over een treurige rij boomstronken. Ik heb begrepen dat je een nieuwe boom het beste plant in het najaar. Dan is hij klaar om te groeien zodra de temperatuur stijgt in het voorjaar. Maar dat zit er voor de Hosterdstraat niet meer in.

De oorzaak is klein, kleiner, kleinst. In de gemeente zouden 561 zieke en oude bomen verdwijnen en vervangen worden voor 305 nieuwe exemplaren. Een kleiner aantal, maar: kwaliteit boven kwantiteit. De nieuwe bomen krijgen meer ruimte om te groeien en alleen groeiende bomen leggen structureel CO2 vast. Maar doordat bezwaar werd gemaakt, is het hele project halverwege stil komen te liggen.  

De Beuningse bomenkwestie past bij 2019. Gerommel in de marge, net als op nationaal en internationaal niveau. Zie stikstofcrisis, zie mislukte klimaattop. Hoeveel wetenschappelijke alarmbellen moeten afgaan om te kiezen voor een compleet ander beleid?
Topeconoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz vergelijkt klimaatverandering met de Tweede Wereldoorlog en pleit voor grote veranderingen, net als tijdens en na de oorlog.
“Als we slechts stapje voor stapje veranderen, worden we gefrituurd.” 

Er is ook goed nieuws. In Beuningen kwam de SP met een voorstel voor een geboortebos. Voor ieder kind dat geboren wordt, plant de gemeente een boom. Het college is geïnteresseerd en stelt een onderzoek in om te kijken of het haalbaar is. Maar daar gaan we weer: een onderzoek. Nee, aan de slag! 

Ik snak naar de lange termijn op de korte termijn. Naar grote stappen, naar visie, naar daden. Ook als ze onaangenaam zijn. Er is geen weg terug, dus kunnen we er maar beter vol voor gaan. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Het interview met Joseph Stiglitz is hier te vinden.