Geluid


De stoelen in de zaal, de lampjes op de lessenaars, het rode gordijn achter het orkest, het programmaboekje, de blauwe consumptiemunten. Veel is hetzelfde gebleven sinds ik 9 jaar geleden voor het laatst aanwezig was bij een optreden van Kunst en Volharding. Toen blies ik mee, nu zit ik in het publiek.
.
De fanfare speelt een try-outconcert in het dorpshuis. Volgende week gaan ze op concours in Zutphen. Ik denk aan 2003, het concours in Enschede. Een uiterst intensieve voorbereiding leidde tot promotie naar de hoogste divisie. Voor veel muzikanten vergde dat teveel. Sindsdien is de club niet meer op concours geweest. Dit keer gaat het anders. Zonder extra voorbereidingen speelt het orkest in de introductiedivisie. Er volgt geen beoordeling met cijfers, maar een advies in welke divisie de vereniging start bij een volgend concours.
.
Ik zag eens een documentaire over het Concertgebouworkest, waarin een dirigent zei dat hij dit orkest blindelings zou herkennen tussen tal van internationale toporkesten. Ook als het een geluidsopname van 30 jaar geleden betrof, met een andere dirigent en andere muzikanten. Ik kon me daar niets bij voorstellen. Mooie praat, dacht ik. Maar nu ik mijn fanfare hoor spelen, herken ik het geluid. Het raakt me. Het is het kopergeluid dat me jarenlang heeft omringd. Ook al zijn er nieuwe gezichten, is er een nieuwe dirigent, en is de groep iets kleiner. Dit kan alleen Kunst en Volharding zijn.
.
Naderhand bespreek ik het optreden met de muzikanten. Ik zeg dat ik het geheel goed vond. Compact, evenwichtig. En dan besef ik dat dit altijd al de kracht was van deze fanfare: de klankkleur van het geheel. Wat wil je als orkest nog meer.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Plat

‘Se slupt al,’ zeg ik tegen mijn moeder.
Het voelt natuurlijk, terwijl ik er toch bewust over heb nagedacht.
Se slupt al.
Normaal zou ik dat nooit zo zeggen. Ik weet niet of het klopt. Of het Bunnings is, of Nimweegs, of niks. Er zijn mensen die het heel strikt nemen, maar hoe meer ik me in de wereld van dialecten verdiep hoe duidelijker het voor me wordt dat het allemaal niet zo strikt is. ‘Piepers’ betekent niet alleen in Maas en Waal aardappelen, ook in Wageningen, Aalten en Den Helder.
.
Taal is vloeiend. Het is constant in beweging. Ik lees een scriptie van een kunstacademiestudent en leer over hyperdialect en diaglossie.
Ook mooi: taalbevriezing. Dat gebeurt soms bij mensen die al heel lang niet meer op de plek wonen waar ze vandaan komen. Ze spreken een taal die niet meer bestaat. Dialect verandert door nieuwe mensen, nieuw werk, door hoe de grote wereld dichterbij komt. Muzikanten die in dialect zingen, eigenen zich de taal toe. Zo zingt Gerard van Maasakkers een mix van meerdere dialecten, een fantasie-Brabants.
.
Ik heb geen idee hoe plat ik praat. Het is net als jezelf terug horen op een geluidsopname. Je herkent iets, maar lang niet alles. Je kunt je moeilijk voorstellen dat jij dat bent. Ik denk altijd dat ik behoorlijk ABN praat, maar mijn vriendin zegt dat ik een duidelijk accent heb. Op mijn werk wordt regelmatig gelachen om mijn uitspraak. Maar mijn buurman zegt juist dat je bij mij niet kan horen dat ik uit de buurt kom. Hij komt zelf uit Nijmegen en dat is wel goed te horen.
Het blijft ongrijpbaar. Mijn dochter spreekt soms met een Gooise ‘R’. Als ik vraag hoe ze daaraan komt, zegt ze: ‘Weet ik niet hoorrr’.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Poppetjes


Niet alleen in Den Haag gaat het vooral over de poppetjes, ook in Druten. Zo blijkt weer als ik met mijn gezin een bezoek breng aan mijn gehandicapte zus. Eerst krijgen we thee in de gezamenlijke woonkamer, daarna mogen we een kijkje nemen in haar slaapkamer. We bestuderen de foto’s, knuffels en dvd’s. Mijn 2-jarige dochter staart naar het bureau. Het tafelblad is leeg.
‘Waar zijn de poppetjes?’ vraagt ze.
Mijn dochter heeft het goed onthouden. Normaal gesproken staan op het bureau honderdvijftig oude, niet meer verkrijgbare Fisher Price-figuurtjes, gegroepeerd in een halve cirkel. Mijn 42-jarige zus doet alsof ze de vraag niet heeft gehoord. Een bekend politiek trucje.
Dan ben ik het die naar de poppetjes vraagt.
‘Ze mag er toch wel eventjes mee spelen?’
‘Ze zijn met vakantie,’ zegt mijn zus zonder blikken of blozen.
Mijn vriendin bemiddelt. Ouderwets polderen, het werkt. Schoorvoetend haalt mijn zus vijf poppetjes tevoorschijn en geeft ze aan mijn dochter. We gaan terug naar de woonkamer. Mijn dochter zit met de vijf poppetjes voor haar neus. Ze geeft ze namen.
‘Nee, zo heten ze niet,’ zegt mijn zus en ze vertelt hoe ze dan wel heten.
Al snel is mijn dochter het beu. Ze glijdt van de stoel en rent de tuin in. Mijn zus staat meteen op en legt de poppetjes terug op haar kamer.
Later die dag, bij mijn ouders in Beuningen, gaat het over het voorval. Mijn moeder vertelt dat mijn zus de poppetjes vorig jaar nog weg wilde doen. Ze heeft haar toen overtuigd ze te bewaren, voor als haar neefje en nichtjes op bezoek komen.
Mijn moeder raakt niet uitgepraat over de poppetjes. Tot ik uitroep: ‘En nu weer terug naar de inhoud!’
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Maar wij gaan oe

In aanloop naar mijn Wintertuinsessie op 26 oktober schreef ik een stuk over Normaal, Rowwen Hèze, de bio-industrie, de twee bubbels waar ik tussen zit, het shirt dat ik kapot knipte en een halfvolle boer.
.
Je leest het hier.
.
Over mijn Wintertuinsessie:
Op donderdag 26 oktober zijn muzikant Broeder Dieleman en schrijvers Marieke Lucas Rijneveld en Leo Pleysier te gast tijdens de vierde Wintertuinsessie. Deze literaire talkshow in de Thiemeloods in Nijmegen staat geheel in het teken van ‘de boerenerfenis’, en wordt door mij geleid. Ik ga met de gasten in gesprek over de rol van de boerenachtergrond in hun teksten en muziek: de drie gasten putten namelijk ieder op geheel eigen wijze uit hun plattelandsjeugd voor hun verhalen. Als boerenzoon vraag ik me af wat de artistieke aantrekkingskracht is van een jeugd tussen de weilanden. Tickets koop je hier.
.

Waterput


.
Grootste, rijkste, spectaculairste. Waar de mensen aan de Maas kunnen pronken met scheepswrakken, mammoetresten en stenen van een Romeinse brug, moeten mijn familie en ik het doen met een simpele waterput. ‘In feite een uitgeholde boomstam,’ aldus mijn vader.
.
Acht jaar geleden kreeg een archeologenteam ons weiland in het vizier. Aanleiding was de geplande aanleg van een gasleiding. Mijn vader was niet onder de indruk. Elke ochtend om zeven uur klom een man in de graafmachine en kon de eerste twee uur nauwelijks iets doen. Pas om negen uur arriveerden de archeologen uit ‘Groningen of Drenthe’. Ze namen eerst rustig een bak koffie en kuierden vervolgens naar de onderzoeksplek. Tot vier uur waren ze bezig. En zo vonden ze de uitgeholde boomstam die door Middeleeuwers in de grond was gestoken en gebruikt werd als waterput.
.
Ik weet zelf weinig van die opgraving. Net als mijn moeder ben ik destijds niet bij de greppel gaan kijken, ook al was ik net klaar met mijn studie geschiedenis. We leerden op de opleiding dat materiaal uit vroegere tijden het beste bewaard blijft onder de grond.
Mijn vader was en is meer geïnteresseerd in de gasleiding. Hij vertelt dat er mogelijk Noors, maar nog waarschijnlijker Russisch gas onder onze grond stroomt. Het is inderdaad een boeiend gegeven. Poetin in je achtertuin. Dat is wel iets anders dan een waterput. In de Middeleeuwen had elke boerderij wel zo’n put. Alleen al in de Beuningse Molenstraat zijn eind jaren negentig 25 waterputten gevonden.
.
De boomstam is weg, de greppel is dichtgegroeid. Er is enkel gras. De Middeleeuwen zijn verder weg dan ooit. Nu maar hopen dat over 800 jaar die exotische gasleiding er nog ligt.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Zitten

Er wordt de laatste tijd veel lelijks gezegd over de menselijke handeling zitten. Het zou ongezond zijn, je zou er korter van leven, hoe meer je het doet hoe slechter, bla, bla, bla. Maar het meest ontroerende moment in het vijfmaandig bestaan van mijn dochter is toch wel dat ze zit. Vandaag, in een kinderstoel, naast haar zus. Rechtop zitten en om je heen kijken en daarmee van het ene op het andere moment een persoon worden.
.

Villa


Ik was een jaar of negen toen ik wegliep van huis en na een uur werd teruggevonden op de Distelakkerstraat, een straat verder. Met mijn hoofd tussen mijn knieën zat ik verscholen in de berm. Ik was dwars door de wei gelopen met het plan om de bus te pakken en zo ver weg mogelijk te gaan, maar eenmaal op de Distelakkerstraat durfde ik niet langs het grote, geheimzinnige huis op de hoek.
.
Villa Nieuw Distelakker. Landhuis met koetshuis uit 1910. Verstopt achter bomen. Vervallen. Het heeft tal van bewoners gehad: weeskinderen, verslaafden, antikrakers, volgelingen van de Bhagwanbeweging.
Nu staat het te koop. Er zijn al geïnteresseerden, schijnt.
.
In de berm probeerde ik me voor te stellen hoe het zou zijn, elders, ver weg van Beuningen. Dat was moeilijk. Vage beelden van een drukke, stinkende metropool. Zo vond ik het ook lastig om te bedenken wat zich achter de voordeur van de villa afspeelde. Ik meende dat de Bhagwan daar nog zat. Ik was bang dat als ik er langs zou lopen, ze me naar binnen zouden sleuren en zouden hersenspoelen.
Ik dacht aan thuis. Aan wanneer ze me zouden vinden. Langzaam verschrompelde het idee van vertrekken. Ik wachtte en hield ondertussen de villa in de gaten.
.
De villa is eerst geveild, maar er werd niet genoeg geboden. Wat de prijs moet zijn, is niet duidelijk, zoals zoveel niet duidelijk is. Als ik mijn ouders bel met de vraag naar wat zij weten van het huis, is het lang stil. De lijn is slecht. Dat kan geen toeval te zijn.
“Het was er vaak een rommeltje,” zegt mijn moeder uiteindelijk.
Of de Bhagwan er echt gezeten heeft, vraagt mijn vader zich sterk af.
“Er waren geluiden dat ze zouden komen, maar we hebben ze nooit gezien.”
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kip

Bericht uit Beuningen. Een kip was de Hosterdstraat overgestoken. Mijn moeder vond veren op het terras. Bij de stal zag ze het beestje onrustig heen en weer lopen. Dat was er een van de buren, wist ze. Te grazen genomen door onze honden. Mijn moeder sloop op het dier af en zette haar in het hok bij onze vier kippen.
.
Toen ik de volgende dag op bezoek was, nam mijn moeder me mee naar het kippenhok. Ze keek door het raam en deed verslag, al kon ik het zelf ook wel zien. Er stond een los stuk gaas in het hok ter bescherming van de nieuwe kip, want ze werd nog niet bepaald geaccepteerd. En dat terwijl ze allemaal even wit waren.
.
Een week later vroeg mijn moeder of ik de kippen wilde voeren. Het gaas was weg, maar ik moest de etensresten wel goed over het hok verspreiden.
Het blijft een stiefkind, zei ze.
’s Nachts droomde ik van de kippen en van mijn moeder. Ik was een alcoholist. De symboliek ontging me.
.
Een Canadees meisje liep vijf dagen stage op de boerderij. Mijn moeder probeerde Engels tegen haar te praten, maar ze kwam steeds bij het Duits terecht. Zo vertelde ze in het Duits over de nieuwe kip. De Canadese bekende me op haar laatste dag dat ze er niets van had verstaan. Zelfs het verschil tussen het Nederlands en het Duits was haar ontgaan.

Deze week liepen de kippen buiten. De nieuwe scharrelde ontspannen tussen de anderen. Ik vond vier eieren in het hok. Dat leek me veelzeggend, de acceptatie was maar schijn. Mijn moeder vermoedde echter dat ze om beurten een dag rust hielden. Ik kon dat niet geloven, maar toen vertelde ze dat ze tot voor kort elke dag drie eieren legden. Alles wees op een happy end.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Fiets

Voor het dorpshuis van Weurt staat al twee maanden een fiets geparkeerd. Vorige week werd op de Facebookpagina van De Kloosterhof een oproep geplaatst: “Wie o wie mist zijn/haar fiets?”. Een foto toonde de tweewieler eenzaam badend in het zonlicht.
.
Ik zag de oproep langskomen en dacht met schrik aan de oude fiets van mijn vriendin. Zou dat ding nog steeds aan de Marialaan staan? Toen we in oktober van Nijmegen-West naar -Noord verhuisden, vergaten we de fiets met de lekke band mee te nemen. Ze stond toen al een tijdje voor onze flat, schuin hangend aan een kettingslot in het fietsenrek. Na de verhuizing reden we met de auto af en toe voorbij en elke keer kwam de fiets terug in onze gedachten, met het bijbehorende schuldgevoel. We moesten het sleuteltje vinden, de band maken en naar het nieuwe huis fietsen. Simpel, maar eenmaal thuis vergaten we de fiets weer.
.
Met mijn eigen fiets keerde ik ook een paar keer terug naar de flat. Dat was niet de bedoeling. Ik fietste van mijn werk naar ons nieuwe huis en raakte in gedachten verzonken. Ik sloeg af waar ik altijd had afgeslagen en voor ik het wist stond ik voor de flat. Een keer zette ik zelfs mijn fiets op slot en probeerde met de sleutel van het nieuwe huis de voordeur van de flat te openen. Het duurde even voor ik doorhad wat ik aan het doen was. Ik schaamde me nu niet alleen voor de fiets van mijn vriendin.
.
Het bericht over de fiets in Weurt werd 12 keer gedeeld. Binnen een dag was de eigenaar gevonden. Wij moesten ook maar eens actie ondernemen. Zondag pakten we doelbewust de auto naar de Marialaan. Stapvoets reden we langs de flat. De fiets was weg. Ons schuldgevoel nog niet.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Heimat


.
Toen ik een huis zocht in de stad, vroeg mijn vader of ik ook aan de omliggende dorpen had gedacht. Beuningen bijvoorbeeld.
Toen ik mijn trouwplannen bekendmaakte, merkte mijn vader op dat je de plechtigheid tegenwoordig niet meer hoeft te houden in de plaats waar je woont. Het kan ook in Beuningen.
En toen ik een sportvereniging zocht, zei mijn vader dat ik misschien verder moest kijken.
‘Wat dacht je van een club in Malden, Wijchen of… Beuningen?’
.
Mijn vader die tegen mij zegt dat ik verder moet kijken – het klinkt als een goeie grap. Hij is geboren in Beuningen, heeft nooit ergens anders gewoond en zal dat ook niet meer gaan doen. Als hij naar een bedrijf of instantie belt, is het eerste wat hij zegt: ‘Met Claassen uit Beuningen’. Toen hij dit voorjaar vakantie vierde op Terschelling, noemde hij de hoofdweg van het eiland steeds ‘de Van Heemstraweg’.
.
Mijn vader groeide op in een dorp met zo’n 2.000 inwoners. Weurt, Ewijk en Winssen waren destijds van ongeveer vergelijkbare grootte. In ruim zestig jaar zijn de inwonersaantallen van die drie dorpen verdubbeld. Maar Beuningen werd negen keer (!) zo groot. Mijn vader behoort tot de oude kern. Soms denk ik dat hij door die enorme groei zo gehecht is aan zijn dorp.
.
Uiteraard heb ik wat van die hechting meegekregen. Ik lees over Beuningen, schrijf over Beuningen en ik vergelijk op vakantie Rome met Beuningen. Dat gaat nog een generatie verder. Mijn nichtje vroeg eens (ze was toen 3) waar ik woonde.
‘Wat denk je?’
Ze dacht in Beuningen.
Toen ik mijn hoofd schudde, riep ze: ‘Ewijk!’
‘Nijmegen.’
Verwonderd herhaalde ze wat ik zei. Haar wereld werd ter plekke een stuk groter.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.