School

Daar gaat ze. Met een rugzak om, haar haren in een staartje en haar lievelingsrok aan stapt mijn jongste dochter voor me uit. Ze kent de weg. Dit is de route naar de kinderopvang. Maar dit keer is het anders. Naast de opvang zit de school. Daar is ze al vaak geweest, ook binnen, maar altijd vanwege haar zus. Nu gaat het om haar. Ze kijkt achterom, glimlacht en loopt door. 

Ooit liep ik dezelfde weg op een andere plek. Onze boerderij stond midden in Beuningen. Ik hield de hand van mijn moeder vast, terwijl we over de brede stoep langs de Wilhelminalaan liepen. Aan die stoep leek geen einde te komen. Toch zijn we op een gegeven moment afgeslagen en bij een poort gekomen, een plein, een deur, een gang met haakjes aan de muur. Ik hing mijn jas aan een haakje en kreeg een kus van mijn moeder. De juf boog zich naar me toe en gaf me een hand. Mijn moeder zwaaide. De juf duwde me zacht richting klaslokaal. 

Mijn dochter vroeg vorige week wat dat blauwe bord betekent met de pijl die omhoog wijst. “Moet je daar de lucht in rijden?” Precies die gedachte heb ik ook ooit gehad. Pas wilde ze weten wat ‘waarheid’ was. Ze ving het woord op van tv. “Goeie vraag”, zei ik. “Misschien wel de beste. De vraag der vragen.” Ze was niet onder de indruk, ze pakte de afstandsbediening en zette het geluid harder.

Mijn jongste is er klaar voor. Ze kent de school en het schoolplein. Ze kent zelfs wat kinderen uit de klas. Het maakt niets uit. Spannend en nieuw blijft het. Ze slaapt de laatste tijd slecht, is snel uit haar hum. 

We lopen tussen huizen door, steken over, komen langs een heg waar ze een blaadje van aftrekt. Met elke stap die ze zet, komt de school dichterbij. Ze kijkt vooruit, opzij, achterom en ik weet: dit gaat ze onthouden. En zij niet alleen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Boerenrepubliek

Een rood-wit lint dwars over de oprit, een ontsmettingsbak en een bordje met strenge voorschriften op de staldeur. Dat zijn mijn herinneringen aan de MKZ-crisis die door de documentaireserie De boerenrepubliekweer boven komen drijven. Buitenstaanders mochten niet meer het erf op en zelf kwam ik zo min mogelijk in de stal. Het maakte indruk, maar nooit had ik het idee dat er op onze boerderij dode koeien in vrachtwagens zouden worden getild. Het was crisis op afstand, het bleef bij de heftige beelden op tv.

De MKZ-uitbraak van 2001 vormt de rode draad van De boerenrepubliek en dat is niet voor niks. De kwestie laat heel scherp de pijnpunten van de intensieve landbouw zien. Daarbij moet ik denken aan Sicco Mansholt, de eerste landbouwminister na de oorlog. Hij bracht de schaalvergroting op gang, maar zag al snel dat het te hard ging met de productie en dat dit problemen zou opleveren. Eind jaren ’60 probeerde hij het tij te keren, maar zonder succes. Het streven naar maximale groei bleef de koers bepalen.

Het is een gevoelig thema. In de serie komen verschillende perspectieven aan bod en daarbij is het vaak persoonlijk en emotioneel. Zelf sta ik er dubbel in. Enerzijds gun ik de boeren een bloeiend familiebedrijf waar ze met hart en ziel voor werken, anderzijds maak ik me zorgen over het klimaat, biodiversiteit en dierenwelzijn. Het systeem moet grondig veranderen, maar hoe? In de serie mis ik vooralsnog de rol van banken, supermarkten, veevoerbedrijven en natuurlijk de consument. Zij zijn onderdeel van het systeem. In Nederland wordt gemiddeld minder dan 10 procent van het inkomen besteed aan voeding. Ook dat is onhoudbaar.

Met nog twee afleveringen te gaan, doemt bij mij de vraag op wie de nieuwe minister van landbouw wordt. Wie durft het aan? 

Deze column verscheen in De Gelderlander.
De Boerenrepubliek bekijk je hier.

Millingerwaard

We wilden met de kinderen naar de Millingerwaard, maar dat ging niet zonder slag of stoot. Bij het woord ‘bos’ begon de oudste te steigeren. Pas toen ik voorstelde om de Paw Patrol-bal mee te nemen, kregen we haar schoorvoetend mee. De hele rit hield ze de bal in haar handen. Eenmaal uit de auto liet ze hem hard op de grond stuiteren, schopte hem en rende er lachend achteraan. Het zou een mooie ochtend in de natuur worden, dachten we.
 
Iets verderop ging het bijna mis. Links van het pad lag een kolk, rechts een moeras. Mijn dochter liet de bal weer stuiteren en schoot hem tussen de bomen door richting het moeras. Ik kreeg hem nog net te pakken, maar ik zei dat ze er op dit stuk beter niet mee kon spelen. Dat deed ze even later toch en ik nam de bal over. Straks mocht ze hem weer hebben. 

Bij een T-splitsing keken we uit op een rivierarm. Er was iets meer ruimte en in een impuls gaf ik de bal een schop. “Doe dat nou niet”, zei mijn vrouw. Ze had gelijk, maar het was al gebeurd. De bal stuiterde richting het water. Ik ging erachteraan en verwachtte hem te kunnen vangen, maar de wind had er vat op. De bal kwam in het water terecht. Nog steeds dacht ik dat ik hem kon hebben. Ik pakte een tak van de grond en hengelde naar de bal, maar onderschatte de lichte stroming. In een frustrerend kalm tempo dreef hij steeds verder van de kant af. Mijn dochter liep hem langs de oever achterna en ik liep haar weer achterna. Aan de overkant bleef de bal steken, op een plek waar we onmogelijk bij konden komen.  

Mijn dochter was ontroostbaar. Ze keek naar de bal en ze begreep dat ze hem kwijt was. Ik baalde omdat ik een stuk plastic aan de natuur had gegeven. Veel eerder dan gepland keerden we terug naar de auto, waarbij we werden nagekeken door de bal.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Brandweer

Als er geen corona was, zou mijn vader elke maandag bij zijn derde familie zitten. “De eigen familie is de eerste, de schoonfamilie de tweede en de brandweer de derde, zo wordt wel gezegd.” Jaren geleden ging hij met brandweerpensioen, maar nog altijd heeft hij nauw contact met de mannen. Omdat dit nu niet kan, neem ik die rol over.   

Mijn vader vertelt dat de kapper, tevens commandant, hem vroeg voor de vrijwillige brandweer. “Geen jongensdroom. Ik deed het omdat ik dan niet in militaire dienst hoefde.”
Hij kreeg meteen een essentiële taak. De kazerne stond tegenover onze boerderij. Als er brand was, werd hij gebeld om de sirene aan te zetten. “Zo werden de brandweerlui toen opgeroepen.” 

Hij maakte heftige zaken mee: mensen die in de Waal waren verdronken, doden in auto’s. “Als ik het bericht ‘verkeersongeval met beknelling’ kreeg, dan schoot de adrenaline omhoog. Dan wist ik dat het ernstig was.”

De moeilijkste situaties waren die met bekenden, zoals met een collega-boer die in de mestput viel. “Hij werd gereanimeerd, maar het mocht niet baten. Daar lag ik wakker van.”
Of de brand vlakbij onze boerderij. “We zagen rook. De mensen stonden buiten, in paniek. Mijn pak hing in de kazerne, dus moest ik er eerst langsrijden. Heel raar.”  

Er waren ook mooie uitrukken, zoals de branden in ’88 toen een pyromaan actief was bij fabrieken in Nijmegen en Weurt. “Grote vuren. Alleen materieel, dus niet zo erg.”
En de grappige gevallen. Een paard in een zwembad en een brand bij twee beschonken broers. “Het halve huis was afgebrand, maar een van de twee zat weer in zijn stoel voor zich uit te staren, voeten in het bluswater.”  

Als mijn vader door de omgeving rijdt, weet hij bij veel huizen niet alleen wie er heeft gewoond, ook wat er is gebeurd.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Alles is politiek

Toen mijn oudste dochter haar eerste woorden op papier zette, vroeg mijn vader of ze links of rechts was. “Rechts”, zei ik. “O”, zei mijn vader zogenaamd verbaasd, “ik dacht dat ze in Nijmegen allemaal links waren”. 
Padoem pats. 

Toen ik in de eerste lockdown wekenlang niet naar de kapper kon, vroeg mijn broer of ik mijn haar net als die andere mannen in de stad in een knotje ging dragen. “Nee”, zei ik. “En ik heb ook nog geen bakfiets aangeschaft.”

Vertel me waar je woont, wat je eet, welke kleding je draagt en ik weet waar je op stemt. Politiek zit in alles. Misschien dat ik het daarom waardeer als iemand speelt met de verwachtingen. Willem Engel bijvoorbeeld. Hij ziet eruit als een linkse jongen. Dat hij een dansschool heeft, maakt het plaatje compleet. Maar hij wil niet meer overheid, maar minder. Veel minder. Hij is eerder rechtser dan rechts. Dat hij met zijn uiterlijk iedereen op het verkeerde been zet, is wel echt het enige wat ik aan hem waardeer. 

Mijn oom heeft in het verleden ook met verwachtingen gespeeld. Jarenlang zat hij namens GroenLinks in de gemeenteraad van een villadorp. Voor de vergaderingen trok hij altijd een net pak aan. Daarmee ontkrachtte hij een vooroordeel van zijn rechtse collega’s, die flink in de meerderheid waren. Het was ook een soort camouflagepak, een manier om ervoor te zorgen dat ze tenminste voor even naar hem zouden luisteren.  

Mijn dochter draagt jurken, rokken en broeken. De ene dag skeelert ze rond op de boerderij, de andere dag in de stad. Als je naar haar benen kijkt dan zie je rechts schaafwonden en links blauwe plekken. Nog zeker drie kabinetten mag ze apolitiek zijn. Daarna ook nog, maar dan is het een keuze en daarmee dus politiek. Ik ben benieuwd hoe ze het spel gaat spelen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Niemandsland

Mijn gehandicapte zus picknickte pasgeleden op een kerkhof. Ze was ‘terug in de tijd gegaan’, zoals ze het noemde. Samen met een paar huisgenoten was ze naar Escharen gebracht om het graf van mijn opa en oma te bezoeken. Ze had gebeden voor mijn ouders, mijn broer, mijn zus en mij. Vervolgens was ze op een bankje gaan zitten dat uitkeek op de zerken. Daar had ze haar broodtrommeltje geopend.

Mijn zus leeft in een niemandsland tussen de eerste en tweede prik. Ze ziet nauwelijks mensen. De regels worden strikt nageleefd, want een besmetting in haar huis betekent uitstel van de tweede prik. Om de tijd te doden, worden elke dag plekken bezocht waar een van de bewoners is opgegroeid. Behalve het graf van opa en oma liet mijn zus ook de oude boerderij midden in Beuningen aan haar huisgenoten zien. Ineens herinnerde ze zich weer het verstoppertje spelen bij het torentje in de wei.

In het huis van mijn zus is corona tot nu toe – afkloppen – buiten de deur gebleven. In december was het even spannend toen de zoon van een begeleider besmet bleek te zijn. De begeleider vertrok direct en liet zich testen, wat voor onrust onder de bewoners zorgde. Er werd besloten om niets te zeggen over het scenario als ze positief zou zijn: dan konden de bewoners geen kerst met hun familie vieren. Dit bleef ze bespaard. Maar een paar weken later was het in andere Thomashuizen in de regio wel raak. Mijn zus bakte koekjes voor hen.

Het is nu aftellen geblazen. Na de eerste prik had ze geproost met haar huisgenoten, maar prettig was het niet. Ze klaagde over spierpijn in arm en bovenbeen. Bovenbeen? Ze had, bleek later, vlak daarvoor iets te fanatiek op de hometrainer gezeten. Als de tweede prik is gedaan, kan ze proosten met de mensen voor wie ze heeft gebeden. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Vloek

De laatste tijd denk ik steeds vaker terug aan het weekendje weg met mijn vrouw, vorig jaar januari. We waren in Delft. ’s Avonds liepen we langs overvolle cafés en restaurants. Ik verbaasde me over de drukte en ergerde me er ook aan. De decadentie. De vanzelfsprekendheid die eruit sprak. 

In een van de restaurants zag ik een gezin met drie tieners aan een tafel bij het raam zitten. Er werd gelachen en er stonden een paar flessen wijn op tafel. Ik kon alleen maar denken aan hoe de mens bezig is de aarde te vernietigen en hoe de ongelijkheid tussen mensen blijft groeien. Misschien was ik gewoon jaloers dat ik het mezelf niet kon veroorloven, zulke dure wijn. 

In een klein café met een schamel biertje voor mijn neus heb ik waarschijnlijk wat tegen mijn vrouw gemurmeld. Achteraf zou dat zomaar een vloek kunnen zijn geweest. Het duurde even voor hij begon te werken. We waren alweer een maand thuis in Nijmegen toen Bruno Bruins de eerste coronapatiënt meldde.

Sinds het nieuwe jaar vloeien de dagen in elkaar over. Ik heb steeds het idee dat we al verder op de kalender zijn. Ik had ergens gehoopt dat de crisis ervoor zou zorgen dat we van de vanzelfsprekendheid af zouden komen. Dat er iets zou veranderen. Maar de mensen die het kunnen veroorloven, laten de dure wijn gewoon thuis afleveren. De mensen die het moeilijk hadden, hebben het alleen maar moeilijker. Aan andere landen denken we nauwelijks, we vinden het normaal dat daar veel later wordt gevaccineerd. En voor de aarde hebben we nu even geen tijd. 

Misschien moet de crisis nog wat langer duren. Net zo lang tot we allemaal door de knieën zijn gegaan. Het kan ook zijn dat die vloek geen slimme zet van me was. Zo nu en dan murmel ik wat, in de hoop de boel weer ongedaan te maken. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Naam


Het beestje moet een naam hebben, hoorde ik vroeger weleens. Ik begreep wat dat betekende: zo belangrijk is een naam niet. Inmiddels denk ik daar anders over. 

De Groene Heuvels gaat per 1 mei Het Broeckhuys heten. Althans, het vakantiepark. De recreatieplas behoudt de oude naam. Dan kun je dus spreken van ‘Het Broeckhuys op de Groene Heuvels’. De verandering gaat samen met een flinke opknapbeurt. Ik vraag me af hoe lang het duurt voor die nieuwe naam is ingeburgerd.

Het doet me denken aan een grote speler in de wereld van vakantieparken. Sporthuis Centrum werd in 1986 omgedoopt tot Center Parcs, maar bij ons thuis bleef de oude naam nog jarenlang over de lippen gaan. Toen mijn ouders eindelijk gewend waren aan Center Parcs, verbasterden ze die al snel tot ‘Centenpakkers’.

In Beuningen staat sinds een paar jaar ‘’t Hemelrijck’ op de gevel van café De Vrijboom. Het nieuwe restaurant doet het goed, maar ik heb er nog altijd moeite mee. De ‘c’ in het woord Hemelrijck laat de naam oud lijken, maar De Vrijboom is pas echt oud: uit 1857. Die naam gebruiken ze alleen nog voor de achterzaal.

Soms móét je weten dat een naam veranderd is. Mijn moeder vergiste zich vaak in de naam van de vriend van mijn nicht. Eens per jaar kwam ze met Marcel op bezoek. Telkens presteerde mijn moeder het om met slechts twee woorden Marcels voorganger en rivaal in de kamer te brengen. “Hoi Jeroen!”.  

Een vriend vertelde me eens over een bruine kroeg in Nijmegen. Die werd verkocht en de nieuwe eigenaren maakten er een hardrockcafé van. Ze veranderden de naam, de aankleding en de muziek. De stamgasten van de vorige kroeg lieten zich niet wegjagen. Elke avond zaten ze aan de toog. Tot de eigenaren ermee stopten. 

Een naam is niet zomaar gedaan.


Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tijdelijk

Sneeuw is zowel tijdloos als tijdelijk, mijmerde ik op de eerste ochtend van de witte wereld. Sneeuw bedekt al het moderne en dat zorgt voor taferelen die doen denken aan schilderijen van Bruegel. Dat het slechts voor even is, maakt het des te mooier. Fijne gedachten, maar ze hielpen me niet in mijn troosteloze week. 

Zaterdag begon nog goed. Mijn buurjongen van 8 vertelde dat hij zich verheugde op de mooiste dag van zijn leven. Ook ik was er klaar voor. Ik haalde de slee, die ik drie jaar geleden kocht en die nog niet was gebruikt, alvast uit de schuur. Nog voor de eerste vlokken vielen, leerde ik het heerlijke woord ‘sneeuwjacht’ kennen.

Zondag was de grote anticlimax. Mijn kinderen weigerden meerdere laagjes kleren aan te doen. Ik was doodvermoeid door wekenlang thuisonderwijs, mijn geduld was helemaal op, dus ging ik de strijd aan. Geschreeuw en slaande deuren. Ik verloor. Eenmaal buiten huilden ze al snel van de kou. 

Maandag was niet beter, maar erger. De school bleef dicht en we zaten nog een dag op elkaars lip. Een licht ontvlambare situatie. Opa en oma waren onbereikbaar. Ik deed een wanhopige poging met de auto naar Beuningen te rijden, maar strandde na een paar meter midden op de weg.

Dinsdag dan eindelijk naar school. Voor de zoveelste keer gedoe met de kleren, waarbij ik de oudste optilde en buiten de kou liet voelen. De leerachterstand van de lockdown was merkbaar, ze weigerde er lessen uit te trekken. Bij de slee maakten ze ruzie wie voor mocht zitten. 

Dit is natuurlijk niet het hele verhaal. Ze hebben ook gekraaid van plezier, hun laarzen verwonderd in de sneeuwheuvels laten zakken, gegeten van de sneeuw, gezongen in de sneeuw. En toch, het tijdelijke van sneeuw, ik ben daar best wel blij mee.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Jaarringen

‘De lange Canadasche peppelen schudden hunne toppen, alsof het groote pluimen zijn.’ Deze zin, die een Beuningenaar in 1888 aan het papier toevertrouwde, zorgde bij mij voor een historische sensatie. Ik stelde me voor dat die ‘peppelen’ (populieren) nog steeds ergens in het dorp stonden en dat ze hadden gezien hoe mijn ouders, grootouders en overgrootouders opgroeiden. 

Een boeiende gedachte, maar hij verbleekt volledig na het lezen van Wat bomen ons vertellen. In dit boek wijdt boomwetenschapper Valerie Trouet uit over het onderzoek naar jaarringen. Dit levert ongekend veel informatie over het verleden op. Niet met een kettingzaag, maar met een houtboor gaan Trouet en haar collega’s te werk, zodat ze bomen niet hoeven te verwonden. Het langst ononderbroken jaarringarchief bestrijkt 12.650 jaar, zonder ook maar één jaar over te slaan. De bomen vertellen over droge en natte jaren, over hittegolven, orkanen en natuurbranden. Indirect zeggen ze iets over piraterij, pestpandemieën en kernrampen.

De bomen met de meeste gegevens staan niet in Beuningen, niet in Nederland. Het zijn bomen die groeien in afgelegen, onherbergzame gebieden. Door de barre omstandigheden groeien ze langzaam. Dit zorgt voor compact hout waardoor ze minder snel ziek worden. Het zijn geen ‘peppelen’, want populieren groeien juist snel. Die werken hard, geven zich helemaal en sterven jong. 

De jaarringen van stokoude bomen geven ons veel meer dan een persoonlijke sensatie. Ze laten de complexe interactie zien tussen mens en natuur. Ze vertellen ook iets over eerdere klimaatveranderingen. Veel volkeren hebben ermee te maken gehad. Het ene volk redde het, het andere niet. Daarbij gaf veerkracht en aanpassingsvermogen de doorslag. Een wijze, broodnodige les. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.