Sporen

We dragen allebei een bril en dezelfde achternaam, maar als we op de dijk in Beuningen staan zien we iets anders. Ik kijk naar beneden en registreer: gras, sloot, prikkeldraad. Mijn achterneef André aanschouwt een landschap dat met de hand is bewerkt. “Hier bij de dijk is niets hetzelfde. Elk perceel heeft andere contouren. Heel anders dan aan de zuidkant van het dorp. Dat gebied is pas later ontgonnen, door machines. Alle weilanden zijn daar kaarsrecht.”   

Ik heb André gevraagd of hij me wil rondleiden, omdat ik eigenlijk maar weinig weet over het gebied waar ik ben opgegroeid. André studeerde bosbouw. Hij toont zich bescheiden. “Alles wat ik vertel, heb ik van iemand die hier onderzoek heeft gedaan.” Maar dan wijst hij naar een kraai die boven een bosje een buizerd aanvalt. “Een kraai is kleiner, maar wel feller en wendbaarder in de lucht.” 

André vertelt graag over de sporen die de geschiedenis in het landschap heeft achtergelaten. Zoals de Moespotse Waai, die door een dijkbreuk is ontstaan. Klei en zand spoelden weg bij die breuk en heeft tot honderden meters verderop voor vruchtbare grond gezorgd. Bij de Waaloever stopt hij bij wilgentenen die met klei zijn aangesmeerd. “Dit komt mogelijk uit de Middeleeuwen, bedoeld om de oever te beschermen tegen het water.” Iets verder liggen losse bakstenen. “Na de oorlog is hier veel puin uit Nijmegen terechtgekomen, ook om de oever te beschermen.” We klimmen omhoog. “Deze dijk is heel stevig, hier kwam vroeger veel verkeer overheen.” 

Op weg naar huis stop ik even bij de Oude Koningsstraat in Weurt. André vertelde dat hier ooit een rivierarm lag en dat de straat daarom zo’n typische bocht heeft. Door zijn ogen krijgt deze omgeving, die zo bekend voor me is, een nieuwe dimensie.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Koningshuis

Hoe groot de afstand is tussen het koningshuis en het volk, weten ze in Beuningen al heel wat jaren. Op 11 juli 1950 brachten koningin Juliana en prins Bernhard een bezoek aan het dorp, als onderdeel van een rondreis door Gelderland. Op oudbeuningen.nl staan foto’s van deze gebeurtenis. Beuningen is goed voorbereid. De vlaggen wapperen, de fanfare staat keurig opgesteld en de oudste inwoners – gehuld in zondagse kledij – wachten op een bankje vooraan. Dan arriveert de koninklijke auto. Het achterportier zwaait open, de burgemeester buigt voorover en heet ze welkom. Vanuit de auto kijkt het echtpaar naar een dansje van schoolkinderen. Dan gaat het portier dicht en wordt de reis vervolgd. De vorstin heeft geen stap op Beuningse bodem gezet en de meeste dorpelingen hebben niets van haar gezien.

Vorige week vloog een gevaarte over ons land. Was het een vogel? Een vliegtuig? Nee, het was een koninklijke middelvinger. Ondanks de lockdown vertrok Juliana’s kleinzoon naar Griekenland. Vanwege de ophef keerde hij terug, maar twee dochters bleven stiekem achter. Ze wisten de raki vast goed te raken.      

Ik heb niks met deze poppenkastfamilie, maar ik maak me daar doorgaans niet druk over. Echter, door dit incident hoor ik details die nieuw voor me zijn. Zoals dat de koning bijna een half miljoen (!) per jaar mag spenderen aan privévluchten. Dit jaar stijgt hij minstens vier keer op. Wat me daarbij verbaast, is dat niemand het heeft over zijn ecologische voetafdruk. Die moet enorm zijn. Weet hij wat vliegschaamte is? 

Van mij mag het een paar onsjes minder. Een paleisje minder, een vliegreisje minder, een zakcentje minder. Het koningshuis hoort een symbool van nationale eenheid te zijn, maar is nu vooral een symbool van ongelijkheid.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Voorpret

Maandag belde ik precies op het juiste moment naar Druten. Het reclameblok was van start gegaan bij Goede Tijden, waardoor mijn gehandicapte zus de gelegenheid had om aan de telefoon te komen. Ze klonk blij verrast toen ze hoorde wie er aan de andere kant van de lijn zat, we hadden elkaar al een tijdje niet gesproken. 

Na wat ditjes en datjes vertelde ze over een uitje dat over anderhalve week stond gepland. Ze zou op stap gaan met mijn moeder en mijn andere zus. Iets leuks doen, ergens, ze wist nog niet wat. Ik vroeg me af of die twee daarvan op de hoogte waren. Mijn zus kan soms al dagen iets in haar hoofd hebben wat ze nog niet met de buitenwereld heeft gedeeld. Het lijkt een bewuste tactiek, want haar hoofd zegt altijd ‘ja!’, terwijl de buitenwereld weleens heel goed ‘nee!’ zou kunnen zeggen. Ik wilde de voorpret niet drukken en stelde geen kritische vragen. 
 
Tijdens ons belletje zweeg mijn zus over één bepaald onderwerp. Ze was duidelijk niet op de hoogte van de persconferentie die de volgende dag zou plaatsvinden. Ik wist niet wat de premier ging zeggen, maar het zag er slecht uit. Zo was op twee fronten de kans zeer groot dat haar uitje niet door zou gaan. Ik wilde het aanstippen, maar besloot dat toch maar niet te doen. Ik liet haar in haar onwetendheid, al was het maar voor even. 

Mijn zus hing uiteindelijk opmerkelijk snel op, want de reclame was afgelopen. Ook in dat opzicht had ik mijn telefoontje onbewust goed getimed. Ze kan een gesprek soms rekken tot meer dan een half uur, terwijl er niet echt meer iets wordt gezegd. Nu bleef me dat bespaard, al benijdde ik haar wel. Zij was weer terug bij de fictieve problemen van fictieve mensen. Soms verlang ik zelf naar wat meer bewuste en onbewuste onwetendheid. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Capriolen

Mijn oudste heeft eelt op haar handen. Ik schrok een beetje toen ze het trots aan me liet zien, maar ik wist hoe ze eraan kwam. Niet omdat ze tegenwoordig zo vaak en zo grondig haar handen moet wassen. Op het schoolplein staat een groot houten speeltoestel. Aan de onderkant zijn handgrepen geplaatst waarmee kinderen als aapjes van de ene naar de andere kant kunnen slingeren. Elke dag hangt mijn dochter aan die grepen. Eerst kreeg ze blaren, nu heeft ze eelt. 

Als ik diep in mijn geheugen graaf, zie ik het klimrek van De Beundert – mijn basisschool in Beuningen – weer voor me. Een halve boog die in een zandbak stond, als ik me niet vergis. Het onwaarschijnlijke plezier dat die boog gaf. Erop klimmen, eraan hangen, loslaten. Maar zo fanatiek als mijn dochter ben ik nooit geweest. Keer op keer test ze haar lichaam uit. Ze slaat een handgreep over, maakt een halve koprol en meer van dat soort capriolen. Zelfs in het weekend wil ze naar het schoolplein. 

Ze heeft het goed in de klas. De juf vertelde dat de andere kleuters haar vaak knuffelen. Zo vaak, dat de juf bijna medelijden met haar krijgt. Ik heb tegen haar gezegd dat ze het moet aangeven als ze niet geknuffeld wil worden, maar vooralsnog vindt ze het allemaal prima. Het lijkt bijna een reactie op deze coronatijd. Terwijl ik constant moet opletten dat ik genoeg afstand houd van de andere ouders, knuffelt zij er flink op los.

“Papaaa! Kijken!” Daar hangt ze weer, haar beste vriendin aan de andere kant. Ze slingeren naar elkaar toe. Op het punt waar ze elkaar passeren, slaat mijn dochter even haar benen om haar vriendin. Ze giechelen en gaan verder. Dat plezier, ongekend. Misschien wel het mooiste aspect aan het virus is dat het jonge kinderen zoveel mogelijk met rust laat. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Gelijke

‘Jongen, het zal nooit, nooit, maar dan ook nóóit wat met jou worden,’ schreeuwt een leraar tegen een leerling die zich heeft verslapen. Je voelt meteen aan: dit is geen goede leraar. Maar het krijgt meer lading als je weet dat de leerling Sinan Çankaya heet en de leraar Nico Konst, ooit de tweede man van de extreemrechtse Centrumpartij.

In het boek Mijn ontelbare identiteiten is dit incident het startpunt voor een bespiegeling van hoe we in Nederland omgaan met ‘de Ander’. Het trok mijn aandacht, omdat schrijver en antropoloog Çankaya uit Nijmegen komt en we in hetzelfde jaar geboren zijn. Als ik op mijn 12e voor het Kandinsky College had gekozen, dan had ik mogelijk bij hem in de brugklas gezeten en geschiedenisles gehad van Konst. 

In het boek schakelt Çankaya veelzeggende ervaringen uit zijn leven aaneen. Zo komt zijn moeder hem een keer met de auto ophalen van een voetbaltraining bij De Goffert. Een groep hooligans belaagt de auto. Jeugdspeler Çankaya zet het raam op een kiertje en roept: ‘Ik ben ennieseejer, ik voetbal hier, ik ben ennieseejer.’ Hij toont zijn sporttas, waarna de hooligans kalmeren. 

Het hele boek ademt het verlangen: zie mij als een gelijke, zie mij als een individu. Het is een persoonlijk gevecht tegen racisme, uitsluiting en ontheemding, waarbij zowel verzet als jezelf aanpassen niets uithaalt. ‘Of ik nu hard brul of op mijn knieën ga om dankbaarheid te betuigen, ‘oorspronkelijke’ Nederlanders bepalen wanneer je er plots toch niet helemaal bij hoort.’

Tegen het einde richt hij zich tot docenten, met Konst in zijn achterhoofd. ‘Jullie woorden doen ertoe. Jullie woorden scheppen een wereld en die kan veilig en onveilig zijn.’ In dat opzicht ben ik blij dat ik destijds voor een andere school koos.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.
De laatste twee citaten uit het boek zijn in de tekst iets aangepast vanwege de beperkte ruimte in de krant, maar mijn inziens is de strekking precies hetzelfde.
Meer info over
Mijn ontelbare identiteiten vind je hier.

Stadsjongen

Boven me ritselen bladeren en dan zie ik hem gaan. Hij maakt een val van een meter of tien. Vlak voor me stuitert hij op de stoeptegels. Meteen daarna volgt een knalletje. Een stuk verderop is er eentje op het dak van een auto terechtgekomen. En dan weer geritsel, in een boom achter me. Hop, daar suist ie naar beneden.

Ik loop door de Dorpstraat in Nijmegen. Het is hier een enorm slagveld en het bombardement is nog altijd gaande. Elk moment kan er een eikel op mijn hoofd vallen. Het zijn dan wel geen kokosnoten, toch houd ik de boel daarboven in de gaten.  
  
Gekke naam trouwens, voor een straat in de stad. Zelf voel ik me soms juist een stadsjongen in het lichaam van een dorpsjongen. Mijn hele leven al. Zo heb ik me nooit echt beziggehouden met natuur, maar nu er van alles aan het verdwijnen is, heeft het mijn aandacht. Daarin ben ik niet de enige. Flora en fauna zijn ‘in’. 

Ik raap een eikel op. Ik weet dat het een eikel is, maar daarmee is de grens van mijn kennis al in zicht. Begin dit jaar kreeg ik voor mijn verjaardag een vogelboekje, maar nog altijd kan ik een kraai niet van een kauw onderscheiden. Ik voel me een analfabeet in het landschap. Ik denk aan een boswachter. Hij ziet veel meer dan ik, omdat hij er meer van weet. Ik zie slechts bomen, bladeren, takken, mos. Die achterstand is niet meer in te halen.  

In mijn tuin zag ik pas een dagpauwoog vliegen. Ik was er trots op dat ik het dier herkende, maar toen ik het voor de zekerheid opzocht, ontdekte ik dat het ook een atalanta kon zijn geweest. Ergens las ik dat het aantal dagvlinders de afgelopen 30 jaar is gehalveerd en dat het aantal vliegende insecten zelfs met 75 procent is afgenomen. Harde, treurige cijfers, maar het is niet vreemd dat ik daar niks van heb gemerkt. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tak

In het park pakt mijn jongste van 3 een tak van de grond die ze al vrij snel omdoopt tot ‘Vriendinnetje Tak’. Als we terug bij de fiets zijn en ik haar op het achterzitje wil zetten, moet Vriendinnetje Tak mee. Ze zegt het zo beslist dat ik weet dat het oorlog wordt als ik nee zeg.

We zijn in beweging en ze zwaait met de tak. “Niet doen, straks raak je er iemand mee.” Ze luistert goed, ze houdt de tak meteen laag.  “Niet zo, dan komt ze misschien tussen de spaken. Leg haar maar op je knieën.” Dat vindt ze een goed idee, dat past bij een vriendinnetje. 

Ze praat lang en liefdevol tegen de tak, ik kan het niet helemaal volgen. Dan, uit het niets, vraagt ze waar we naartoe gaan. 
“Naar huis, maar we moeten even via deze weg.” 
Wekelijks hanteer ik dezelfde tactiek en ze trapt daar vooralsnog elke keer in. Het duurt niet lang voor het stil is achter mijn rug. Ik rij zo langzaam mogelijk, sla willekeurige straten in en maak rondjes door een wijk die ik amper ken. Alles om haar in slaap te houden. Het is een grondrecht om te kunnen slapen als je moe bent, zeker voor een peuter. 

Terwijl ik heel bewust mijn tijd verdoe, raast het verkeer langs me heen. Op de stoep staat iemand te bellen. Ik denk aan de hoge werkdruk overal, zeker nu er zoveel ziekmeldingen zijn. Ik vraag me af waarom het niet een slagje minder mag. Juist in deze tijd. Zou de boel dan echt in elkaar storten? Doen we dit niet vooral onszelf aan? 

Mijn jongste schrikt wakker. “Vriendinnetje Tak!” De tak is op straat gevallen. Ze wijst naar waar ze op het asfalt ligt. Ik draai om, zet de fiets op de standaard en geef haar de tak. “Heb je lekker geslapen?” vraag ik. “Geslapen? Nee, ik heb niet geslapen.” Ze glimlacht. “Vriendinnetje Tak heeft geslapen!” 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Schuldig

Al snel na de moord op Mehmet in Beuningen wisten mensen uit mijn omgeving het zeker. Dit was een afrekening. Het slachtoffer had vast iets op zijn kerfstok. De informatie die bekend was over de schietpartij, versterkte hun vermoeden. Hij was op weg naar zijn werk door een busje gevolgd en toen hij vlakbij het winkelcentrum de straat overstak, werd hij beschoten. Dit alles op klaarlichte dag. Dat hij Mehmet heette en uit Neerbosch-Oost kwam, paste in het plaatje. 

De burgemeester moet hetzelfde hebben gedacht, want een paar uur na de moord zei ze tegen deze krant: “De daders hebben geen enkele rekening gehouden met de omstandigheden”. Een ongepast naïeve uitspraak waarin haar oordeel doorklonk. Het zijn allemaal criminelen. Ze mogen elkaar afknallen, als het maar uit het zicht is.   

De reacties van de mensen die hem kenden, hielpen weinig tegen het beeld dat was ontstaan. Hij zou een grappige, lieve man zijn. Maar ja, dat zeggen ze altijd op zulke momenten. En zo werd Mehmet schuldig bevonden. Bijna schuldiger dan de daders, want hij had een naam en een gezicht, terwijl de daders anoniem konden vluchten. 

Inmiddels zijn we twee maanden verder. De zaak is bij Opsporing Verzocht geweest en de politie flyerde bij de moestuin in Weurt waar Mehmet kippen hield en pompoenen, broccoli en courgettes verbouwde. Nog altijd is niets over het motief bekend. Het kan goed zijn dat Mehmet zich in de nesten had gewerkt, maar het kan even goed een vergissing zijn geweest.
 
Die twee maanden van onduidelijkheid beschouw ik als een les. We hebben de neiging om de schuld te geven aan degene die het ongeluk treft, omdat we de wereld dan beter begrijpen en omdat we dan denken dat het onszelf niet kan overkomen. Was het maar zo simpel. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kermis

Soms is het fijn als een evenement wordt afgelast. Ik had dat graag gehad toen ik 14 was. Een afgelaste Beuningse kermis om precies te zijn, net zoals dit weekend. Maar in die tijd was er geen corona. 

Twee weken had ik verkering met Lonneke, een knap meisje uit mijn klas. Lang en blond, afkomstig uit Lindenholt. Niet ik had haar, maar zij had mij verkering gevraagd. De eerste week stonden we wat onwennig bij elkaar, altijd met anderen om ons heen. Ergens heb ik haar toen een kettinkje gegeven.
De tweede week was het herfstvakantie. Ze belde en vroeg of ik meeging naar de kermis in Beuningen. Ze kwam daar speciaal met een vriendin voor uit Lindenholt. Ik had geen zin in die kermis, omdat ik niks met kermissen heb. Straks zat ze in een attractie die over de kop ging en stond ik erbij te kijken omdat ik niet durfde. Na lang aarzelen zei ik dat ik die dag niet kon. Terwijl ik FIFA speelde op de computer, stelde ik me voor dat zij giechelend met een vriendin in een botsauto stapte en even later een suikerspin kocht. Ik had spijt, maar ook weer niet.    

Het is me allemaal zo goed bijgebleven, omdat ze het uitmaakte op de eerste dag na de vakantie. Ik kreeg het kettinkje terug. Ze zei dat ze me niet aan het lijntje wilde houden. Ik kende die uitdrukking nog niet en moest goed nadenken wat ze daarmee bedoelde. Ik dacht aan een hondje.
Het was een hopeloze verkering. We hadden niet eens gezoend. Toen ik haar niet meer had, werd ik pas echt hevig verliefd. Een vorm van zelfkastijding. In de loop van het schooljaar dacht ik nog vaak terug aan de kermis. Dat was vast en zeker de bron van al het kwaad. Als ik daar nu gewoon naartoe was gegaan, of beter: als dat helemaal niet had plaatsgevonden, dan was het nog altijd L hartje W.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Taal

Als jonge vader verbaas ik me er regelmatig over hoe moeilijk het is om als kind je moedertaal onder de knie te krijgen. Dat gaat echt stapje voor stapje, niets komt vanzelf.    

Mijn oudste (5) gaat sinds deze week weer naar de kleuterschool en daar leert ze spelenderwijs alvast een beetje lezen en schrijven. Sommige letters vindt ze lastig omdat ze zo op elkaar lijken, zoals de ‘b’ en de ‘d’. Ook de ‘e’ gaat vaak mis, dan maakt ze er een ‘9’ van. Ons regionale accent werpt extra obstakels op. Tijdens de vakantie las ze een woord waar een ‘f’ in voorkwam. Ze vroeg welke letter dat was en ik zei het haar voor. Ze keek me niet-begrijpend aan. Ze zocht naar de ‘v’. “Maar dat is toch die letter?”. 

Als mijn dochter spreekt, gaat het ook niet altijd goed. Ze maakt fouten met ‘de’ en ‘het’, evenals met verledentijdsvormen: koopte, slaapte, ik heb verliest. Maar daarover hoef ik me geen zorgen te maken. Taalkundige Sterre Leufkens vertelt in een onlinefilmpje dat het hier om de ondoorzichtige eigenschappen van het Nederlands gaat. Er zit geen logica in. Ze noemt het de ‘mannentepels van onze taal’.
“Ze zitten er, zien er interessant uit, hadden misschien ooit een functie, maar wat je er nu aan hebt is een raadsel.”
Leufkens onderzocht 22 talen op zulke mannentepels en het Nederlands blijkt de meeste tepels te bevatten. Het is daarom niet vreemd dat een kind tot z’n achtste nog fouten maakt met ‘de’ en ‘het’. 

Het mooie is dat ik me, doordat ik er nu dicht op zit, weer herinner hoe het vroeger bij mezelf ging. Bijvoorbeeld het moment dat ik naar een rij vreemde tekens keek en me niet kon voorstellen dat ik die ooit zou kunnen ontcijferen. Eigenlijk is het een wonder dat ik hier nu al deze zinnen achter elkaar kan schrijven.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.