Slaap

Ik sta in een donkere slaapkamer met mijn slechtziende, gehandicapte zus en in mijn armen mijn koortsige, zacht jammerende dochter van 1.
‘Zal ik een versje of een liedje doen?’ vraagt mijn zus.
‘Doe maar een liedje.’
Ze gaat recht voor me staan, haar hoofd vlakbij mijn dochter en zingt Slaap kindje slaap. Ze zingt het net iets te snel. Ik wieg mijn dochter, maar ik kan het tempo van mijn zus niet bijhouden. Mijn dochter is stil geworden.
‘Ze slaapt,’ zegt mijn zus.
In het donker zie ik twee grote ogen naar mijn zus kijken.
‘Nee, ze heeft haar ogen nog open. Misschien kun je dat versje doen.’
Dat doet ze. Ze zet een lief stemmetje op.
‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen. Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen.’
Meer wordt het niet. Ze blijft het zinnetje steeds maar herhalen alsof het zo hoort. Ook nu heeft ze het tempo er goed in zitten.
Mijn dochter begint weer te kermen, ze strekt zich.
Mijn zus zucht.
‘Leg haar nou maar gewoon in bed,’ zegt ze. ‘Dan gaat ze echt wel slapen.’

Optocht

Volgend weekend gaan de deuren van talloze schuren en garages weer open en komen de wagens en loopgroepen naar buiten. Wekenlang is er in het diepste geheim aan gewerkt. De spanning van de zaterdagochtend: hoe zullen de toeschouwers reageren?
Ik ben heel benieuwd naar de bouwsels en hoop op een mooie afwisseling tussen woordspelingen en actuele thema’s, de twee voornaamste genres in een optocht.
Met de woordspelingen komt het wel goed. Veel groepen kiezen voor dezelfde formule als de groep van mijn broer. Het ziet er feestelijk uit, de woordgrap is ondergeschikt. Vorig jaar hadden ze een kleurrijke helikopter op de wagen: ‘Carnaval vliegt voorbij’. Het kan scherper, maar dan oogt het vaak minder carnavalesk. Zoals de man en de fiets met het hoge zadel: ‘Je moet er maar op komen’.
Met de actuele thema’s gaat het minder goed. Ze verdwijnen steeds meer. 13 jaar geleden liep ik mee met een groepje. We droegen maskers van George W. Bush en Saddam Hoessein en we speelden golf. De golfbal had de vorm van een granaat. In Beuningen scoorden we hoge punten, in Weurt werd het minder gewaardeerd. Wat lastig was: hoe snijd je een heikel onderwerp aan zonder dat de feestelijke stemming verdwijnt? Maar da’s de uitdaging. We lieten Bush en Hoessein elkaar de hand schudden, de mensen langs de kant maakten foto’s.
Er is momenteel veel aan de hand in de wereld, genoeg materiaal dus, maar wie durft het aan? Vroeger kon je een burgemeester in de optocht nog belachelijk maken. Nu steken ze zijn auto in brand, gooien ze een steen door de ruit. Of ze hangen een varken in een boom. En juist daarom verdient de actualiteit een plek in de optocht. Carnaval is bedoeld om het leven van een andere kant te bekijken, om te lachen om moeilijke kwesties, zodat alles weer wat lucht krijgt.
.
Deze column verscheen eerder in De Gelderlander.

Tandvlees

Ze komt de wachtkamer binnen en roept zo enthousiast mijn naam dat ik er verlegen van word. Ik ken mijn tandarts al mijn hele leven. Ze deelt de praktijk aan de Van Heemstraweg in Beuningen met haar mannelijke collega die soms ook in mijn gebit port. Vroeger werkte ze als jeugdtandarts midden in het dorp. Elke keer als ik haar zie, denk ik terug aan het speelhoekje, de kleurplaten en de tandborstel die ik soms meekreeg. En elke keer voel ik dat ik oud aan het worden ben.
Liggend in de stoel kijk ik langs haar hoofd in het spiegeltje. Ze stopt even en merkt op dat ik last heb van terugtrekkend tandvlees. Alles wat ze zegt heeft extra gewicht, omdat ze me al vanaf mijn melktanden kent. Haar collega had het een half jaar geleden ook over terugtrekkend tandvlees, maar dat maakte minder indruk. Ik ging rustiger poetsen, maar blijkbaar niet rustig genoeg. Ze pakt een ander tangetje. ‘Wat wegtrekt, komt niet meer terug,’ zegt ze. Verder is alles in orde. Ik kan een afspraak maken voor over een half jaar.
De rest van de dag spoken haar woorden door mijn hoofd.
Wat wegtrekt, komt niet meer terug. Wat wegtrekt, komt niet meer terug.
Ik vertel mijn moeder over mijn terugtrekkende tandvlees en ze knikt en zegt dat ze er zelf ook last van heeft. Ze zet haar mond wagenwijd open, snel wend ik mijn blik af.
’s Avonds ben ik thuis in Nijmegen, waar ik al jaren woon. Ik kijk naar mezelf in de spiegel van de badkamer en durf bijna niet meer te poetsen.
Langzaamaan word ik oud. Alles verandert en verdwijnt, behalve mijn tandarts in Beuningen. Ze is de enige constante in mijn leven. Uiteindelijk zal ze in een gapend gat kijken waarin geen tandvlees meer te bekennen is, zo ver is het teruggetrokken.

Dit is een column die eerder in De Gelderlander verscheen.

Een

Het is de tijd van aaien en zwaaien. Van lange middagdutjes en van dansen op muziek. Van meer eten dan melk drinken. Van wijzen naar lampen en van graaien naar mijn baard.
.
Als ik de foto’s bekijk van toen ze net geboren was, een jaar geleden nu, dan schrik ik. Hoe heb ik haar ooit een mooie baby kunnen vinden? Zo mooi was ze helemaal niet. Nu is ze dat wel natuurlijk, toen nog niet.
Het lijkt ook zo lang geleden. Ineens herinner ik me weer de kruiken die we in de eerste weken in haar bedje stopten. De zorgvuldigheid waarmee ik ze vulde met gekookt water en ze liet rollen op de vloer om te kijken of ze goed dicht zaten. En dan toch nog altijd de angst voor het lekken. Het is een andere tijd. Om nog maar te zwijgen over toen ze nog niet bestond, toen ze slechts een schaduw in mijn hoofd was. Toen ik Ik ben vandaag zo vrolijk dichtbij de buik van S. zong, in de hoop dat ze dat liedje na haar geboorte zou herkennen als we het weer zouden zingen. Wat ze niet deed overigens.
.
Maar er heeft zich de afgelopen maanden ook veel herhaald. Ik loop dezelfde routes met haar als driekwart jaar geleden, met dezelfde markeerpunten onderweg waarin ik slechts af en toe varieer.
We lachen in de spiegel op de slaapkamer.
We bekijken in de gang de ingelijste tekening, een zelfportret die haar moeder maakte toen ze zes was.
We stoppen bij het spionnetje van de voordeur en ze voelt aan het ronde gaatje.
We halen de krant uit de brievenbus in de entreehal van de flat. Zij houdt hem met één hand vast. (De eerste maanden stopte ze het papier in haar mond, nu wijst ze naar de plaatjes op de voorpagina.)
We blijven drentelen voor het fornuis. Een van de magneten op de afzuigkap is een afbeelding van Paus Franciscus. Zij wijst en ik zeg dat dat opa is. (En daarmee hoop ik dat ze er op een dag naar zal wijzen en zal zeggen dat het opa is, liefst als ze op de arm zit van een van haar opa’s.)
.
Terugblikkend op dit wonderbaarlijke, stormachtige eerste jaar besef ik dat ik vooral veel bezig ben geweest met het zoeken naar bevestiging. Ik wilde dat ze me zag als haar vader en ik twijfelde vaak of ze dat wel deed.
Wie is die meneer die me in slaap probeert te wiegen? Kan dat niet iedere meneer zijn? En is dit wel dezelfde meneer als de meneer die me gisternacht in slaap probeerde te wiegen? Maakt mij dat wat uit?
In de boeken hebben ze het over geur, stemgeluid, de manier waarop je haar vasthoudt. Daardoor weet ze: jij bent mijn vader. Maar soms lijkt ze me niet te herkennen. En soms geef ik haar alle aandacht en kijkt ze doodleuk weg. Dan komt de twijfel, en die was er in de tweede maand, maar ook in de elfde maand. Ik wil heel graag haar vader zijn.
Enkele weken geleden ging het helemaal mis. Ik haalde haar op bij mijn moeder die een dag op haar had gepast. Ik had me erop verheugd haar weer te zien, maar nog voordat mijn moeder haar aan me overhandigde, deed ze wat ze tot dan toe alleen bij anderen heeft gedaan. Haar gezicht vertrok en ze begon te huilen.
.
Er zijn ook andere momenten.
Het is halverwege de ochtend. Ik heb haar een stukje mandarijn gegeven. Ze houdt het tussen haar vingertjes en steekt het dan behendig in haar mond. Ze neemt alle tijd. Ze zuigt, sabbelt en kauwt. Ze lijkt helemaal op te gaan in de handeling van het eten. Het sap stroomt via haar mondhoeken naar buiten en glijdt langs haar mollige babykin omlaag.
Dan steekt ze haar hand uit en vraagt om een nieuw stukje.
Papa, zeg ik.
Dede, zegt zij.

Mooi

Dit was mooi in de laatste week van het jaar.
Zaterdag 26.
Een weiland waar een Te Koop-bord in staat. Mijn nichtje van 5 dat op het kerkhof in Beuningen vraagt waar Jezus ligt. De vrouwelijke herder met het mannengezicht in de kerststal van de Corneliuskerk. Gestoofde peren.
Zondag 27.
Een hond in Weurt die in de berm op zijn Whatsappende baas wacht. Geen rook uit de Electrabeltoren. Een sloot waar evenveel woerden als eenden zwemmen. Dat een jonge eend ‘piel’ wordt genoemd, of ‘pulletje’. Volle kerstvuilniszakken. Marieke, de nieuwe liefde van Boer Tom in BZV.
Maandag 28.
Mijn neefje van 3 dat zijn zus niet bij haar naam noemt, maar steeds ‘Zus’ zegt. Slechtvalken. De zachte wind. Nog altijd kerstmuziek luisteren. Een reclamebord over keukens met in de bovenhoek de tekst: ‘Beuningen bestaat 10 jaar’.
Dinsdag 29.
Een slappe dijk. Mijn broer die een boomgaard ‘bongerd’ noemt. Een bejaard echtpaar op de fiets. Een voetballer die na zeven uur alweer ontslagen wordt bij Barcelona. Erwtensoep. Te vroeg siervuurwerk.
Woensdag 30.
Raden hoeveel de villa aan de Van Heemstraweg kost en er achteraf twee tonnetjes naast zitten. Een kale boom. Een verlate kerstkaart van mijn gehandicapte zus krijgen waarop staat: ‘Vrolik Kersmis en Glukkig Niewaar 2016’.
Donderdag 31.
De vetvlekken in de oliebollenzak. De man met de snor in de oliebollenkraam. De vrouw met het vettige haar in de oliebollenkraam. Dat je oliebollen in het vet gooit en schaatsen uit het vet haalt. Het woord vet.
Vrijdag 1.
De koude appelbeignets van de buren. Een jongen die vanaf zijn fiets kotst en verder rijdt alsof er niks aan de hand is. Resten van rotjes. Mijn dochter van bijna 1, zwaaiend omdat ze op commando zwaait en me zo een glukkig niewaar toezwaait.
.
Deze tekst verscheen als column in De Gelderlander en is geïnspireerd op de ‘Dit-was-mooi’-weken en -maanden van Laura van der Haar op Hard//Hoofd (en die lees je o.a. hier).

 

Rook

Het ruikt naar rook in de woonkamer. Vol ongeloof zeg ik het drie keer achterelkaar tegen S. Ik heb geen idee waar het vandaan komt, maar de geur is heel penetrant. Komt het van mijn jas? Van de bank? Zit het in mijn neusharen? Als ik iets ruik wat ik niet wil ruiken, denk ik vaak dat het in mijn neusharen zit. Maar S. ruikt het ook. We lopen als speurhonden door de kamer en ik denk aan een kettingroker die in onze woonkamer een enorme hoestbui heeft gehad. S. snuift. Ze snuift bij de tafel en ze snuift bij de kast en dan blijft ze snuiven boven een kartonnen doos van de supermarkt waar twee flessen wijn in liggen. Ze heeft die flessen vandaag nog gekocht. Ik til de doos op. Van Nelle, zware shag staat er op de doos.

Ondercast

Ik hou wel van een potje kienen. Dat is ook te horen in de voorstelling Sommige bomen houden hun blad langer vast dan andere die ik samen met Down in Norway heb gemaakt.
Het fragment over het kienen is nu te horen in de podcast Ondercast van kantoorgenoot Dennis Gaens. Aansluitend speelt Down in Norway het lied Daarom ben ik stil. Vooraf en achteraf wordt nog wat fijn ongemakkelijk gekletst.
Beluister Ondercast hier en keer elke laatste zondag van de maand daar terug.

Op Ruwe Planken

‘Ik trek hieruit mijn conclusie en lever mijn button in.’
In de tijd dat ik bij Op Ruwe Planken zat, werd de ‘Dolle Mina’ een begrip binnen de redactie. Inmiddels bestaat het meesterlijke literaire tijdschrift voor aanstormend talent alweer 15 jaar. Dat wordt gevierd met gouwe ouwen, oftewel: Dolle Mina’s. Ik selecteerde een verhaal uit een oude Op Ruwe Planken en schreef er een stukje bij, over de ‘Dolle Mina’. Je leest het hier.

Melktand

Het was mooi geweest als het eerst tandje van mijn dochter was doorgekomen in de week dat mijn 40-jarige gehandicapte zus een melktand verloor. Beiden moesten lijden vorige week. Mijn dochter omdat ze koorts had en dat kwam niet door het doorkomen van de eerste tand. We wisten niet waardoor het kwam. Mijn zus omdat er niets meer voor haar melktand in de plaats komt. Er zit een gat voor de rest van haar leven. Zelfs ik moet daar even van slikken. Mijn zus kreeg twee nieuwe spijkerbroeken en het was weer goed. Bij mijn dochter tasten we elke dag het mondje af, maar vooralsnog geen tand.

Nachtwandeling

Met mijn dochtertje van tien maanden jammerend op mijn arm loop ik ’s nachts rondjes door het huis. Om de tijd te doden stel ik me voor dat ik door Beuningen wandel en de huizen langsga van de meisjes op wie ik ooit verliefd ben geweest.
Te beginnen met Hanneke, die vlak achter onze wei woonde. Een tijdlang haalde ik heel graag de koeien. Dromerig bleef ik bij het prikkeldraad staan.
Dan naar De Haaghe, naar het huis van Kim. Iedereen was verliefd op haar. Ik mocht een keer op haar verjaardagsfeestje komen. Dat was al heel wat.
Op De Hoeven woonde Karlijn. Ik stopte een briefje in haar jaszak waarop stond: ‘doorstrepen wat niet van toepassing is’. Dat had ik afgekeken van een formulier dat thuis op tafel lag. Karlijn kon kiezen uit ‘Ja’ en ‘Nee’.
Inez kende ik van de scouting. Op het zomerkamp in Luxemburg kocht ik snoep van haar. Het mocht niet baten.
Bij Monica zette mijn vader me af voor haar deur. Ik gooide een liefdesbrief door de brievenbus. Mijn vader vroeg of ik niet moest aanbellen. Nee, doorrijden alsjeblieft, snel!
Op De Heuve woonde Alexandra. Ik heb één keer bij haar gespeeld. Een schoonmaakster was aan het stofzuigen. Dat is het enige wat ik onthouden heb. En dat Alexandra heel mooi zwart haar had.
Door naar Ewijk. Sarah zat op dezelfde middelbare school. Ze nam altijd de bus. Ik lette goed op als ik aan het fietsen was en lijn 85 voorbij zag komen. Misschien kon ik nog een glimp van haar opvangen.
Mijn dochtertje slaapt. Voorzichtig leg ik haar terug in haar bedje. Dan kruip ik in mijn eigen bed, naast de vrouw met wie ik oud hoop te worden. Ik kijk naar haar. Ze lijkt door te slapen, maar dan voel ik opeens haar zachte hand op mijn arm.

Deze column verscheen eerder in De Gelderlander.