Kinderen voor Kinderen

In het vriendenboekje van een klasgenoot schreef mijn oudste dochter dat ze graag bij het koor van Kinderen voor Kinderen wil. Die wens is van alle tijden, want mijn oudste zus riep dat ook herhaaldelijk, zelfs toen ze al drie keer zo oud was als de koorleden. 

Dankzij mijn zus is Kinderen voor Kinderen een constante factor in mijn leven. De muziek werd grijsgedraaid op onze boerderij in Beuningen. Zeker vlak na Sinterklaas, want elk jaar kreeg ze van de goedheiligman het laatste album cadeau.

Het verbaasde me dat mijn dochter van dat koor droomt. Ze houdt helemaal niet van dansen, terwijl het daar tegenwoordig vooral om draait. Vroeger was het nog gewoon ‘met één been op de stoep en één been in de goot’. Nu kent elk lied veel snelle en strakke choreografie, die zo moeilijk is om in te studeren dat zelfs Beyoncé ervan moet slikken. 

Mijn dochter is het dan ook vooral te doen om de tekst. Ondanks dat de woorden heel snel gaan, houdt ze het goed bij. Een stuk beter ook dan mijn zus, bij wie elke regel eindigde in ‘nanana’. Jammer is wel dat de liedjes van nu niet meer zo persoonlijk zijn en vol details zitten als die van vroeger. Toen ging het over een kerstezel, wakker worden met een wijsje in je hoofd en het verhuizen van Annemiek. Tegenwoordig is het algemener en ligt de boodschap van gelijkheid, solidariteit en meer bewegen er dik bovenop. De teksten worden daar niet per se beter van.

Aan mijn zus gaat dit alles voorbij. Als veertiger voelt ze zich nu toch echt te oud. 
Mijn dochter droomt nog even verder. Ze heeft ook een grotere kans dan mijn zus vroeger om bij het koor te komen. Toen moest je in ’t Gooi wonen en een ‘r’ hebben, maar dat is niet meer zo. Al zullen die danspasjes mijn dochter wel nekken. Helemaal niet erg, vind ik.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Licht

Op de dag dat ze zich eindelijk weer aan haar moeder vast mocht klampen, had mijn jongste (4) geen behoefte aan licht. Ze kwam ’s ochtends met dichtgeknepen oogjes de trap af en riep dat alle lampen in huis uit moesten. “Nu meteen!” 

Licht aan het eind van de tunnel, daar hadden we de dagen ervoor als gezin ontzettend naar gesnakt, maar misschien vertrouwde ze het nog niet helemaal. 

Ergens wel begrijpelijk, want het was lang onduidelijk geweest wanneer onze tunnel zou ophouden te bestaan. Het einde van een besmetting laat zich niet gemakkelijk aanwijzen. Testen heeft geen zin, want nadat je ziek bent geweest test je nog lang positief, ook als je niet meer besmettelijk bent. De regel is dat je na een week uit quarantaine mag, mits je een dag
klachtenvrij bent. Maar wat is klachtenvrij? Wij twijfelden bij mijn vrouw nog op dag 12 en dag 13.

Op de tweede ochtend na de quarantaine eiste mijn oudste (6) dat de lamp van de woonkamer nog even uitbleef. Ook bij haar snapte ik dat. In haar klas hadden twee kinderen corona en drie zaten te wachten op een testuitslag. Een nieuwe tunnel leek voor haar aan te dienen.

Het deed me denken aan mijn Weurtse vriend Ton, inmiddels al aardig wat jaren woonachtig in Thailand. Als we vroeger in het donker door een bos hier in de regio struinden, dan mochten we van hem geen zaklamp aan doen. Door een lamp ga je slechter zien. Alles wat buiten het licht valt, daar heb je geen zicht meer op. Als je je ogen aan het donker laat wennen, zie je meer. 

Een mooie les, zeker in deze tijd, want het zal wel weer donker worden en blijven. Waar je dan wel gebruik van kunt maken, volgens Ton, zijn de maan en de sterren. En kale bomen waar hun minder felle licht doorheen schijnt. Daarmee kijk je anders naar het donker.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Zolder

En toen zat ik ineens op zolder. Vanaf een matrasje gooide ik een tennisbal tegen de muur en ving ‘m weer op. Om me heen pakjes zakdoeken, dozen vol administratie en een verdwaald bakje met viltstiften. Er werd op de deur geklopt; een bord eten stond klaar. Op 21 juli – de dag van mijn tweede prik – had ik niet kunnen bevroeden dat drieënhalve maand later dit de situatie zou zijn.

In het begin van mijn quarantaine dook ik in de online discussies. Heel onverstandig, want behalve de besmettingen namen ook de discussies exponentieel toe. Wat me weer opviel, was hoe makkelijk veel mensen hun mening gaven. Alsof ze wisten waar ze het over hadden. Terwijl dit virus ondoorgrondelijk is, of in elk geval buitengewoon ingewikkeld, en keer op keer door iedereen is onderschat.

Ik schoof dit alles opzij en nodigde een symfonieorkest uit om iets laatromantisch voor me te spelen. Ook ging ik lezen. Hierdoor kon ik de Waal over, ver weg, naar Noorwegen en naar Oekraïne, waar de romandebuten van Frouke Arns en Lisa Weeda zich afspelen. Ik luisterde naar de indringende verhalen van personages die gedwongen werden huis en haard te verlaten. Dan had ik het maar goed. Huis en haard was juist precies wat ik had. Beneden hoorde ik mijn kinderen – afgesloten van mij en van de buitenwereld – kletsen, lachen, ruziemaken. 

Na een paar dagen voelde ik me goed en mocht ik naar beneden. Maar nu bleek dat ik voor niets op zolder had gebivakkeerd. Mijn vrouw was positief getest. We hadden de quarantaine-jackpot gewonnen. Zij moest naar zolder, terwijl ik de zorg van de kinderen – die nu nog steeds niet naar buiten mochten – op me nam. Zo hobbelden we naar dag 8, dag 9, dag 10. Een lange oefening in nederigheid, maar niet zo’n lange oefening als de pandemie zelf. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Broer

Zal je net zien, sta je net in de rij voor de muntenkassa als op het podium plaatsvindt waarvoor je naar het feest bent gekomen. Het overkwam mij afgelopen zaterdag bij het Prinsenbal in Beuningen.

De carnavalsvoorbereiding hangt van geheimen aan elkaar, dus toen ik een paar dagen eerder een vaag berichtje van mijn broer kreeg, had ik al een confettigekleurd vermoeden dat er meer aan de hand was. 
‘Kom je naar het Prinsenbal?’, appte hij. 
‘Moet je optreden?’, appte ik terug. 
‘Zoiets.’ 
Later werd ik gebeld door een oude bekende, die me ook uitnodigde zonder iets prijs te geven. Het was duidelijk, ik kon niet anders dan gaan. Op weg naar de Tinnegieter speculeerde ik met mijn ouders. Zou mijn broer adjudant worden?

In de sporthal sloot ik aan in de lange rij voor de muntenkassa. Op het podium, aan de andere kant van de zaal, begon de eerste act al. Ondanks de afstand kreeg ik het goed mee. Een groep gemaskerde schoonmakers poetste het decor, een carnavalsnummer schalde door de speakers. Na het lied bleven twee schoonmakers over, een man en een vrouw. Ik keek naar de rug van de man en kon me niet voorstellen dat die rug van mijn broer was. 

Mijn broers rug bleek een geheim voor me te zijn. De maskers gingen af en daar stond het nieuwe boerenbruidspaar van Beuningen: mijn broer en schoonzus. Eind februari worden ze in de onecht verbonden tijdens een ludieke bruiloft.

Het wierp me 19 jaar terug in de tijd, toen mijn ouders het boerenbruidspaar waren. Iedereen in klederdracht en met klompen aan. Mijn vroegere buurjongen wist het nog goed, vertelde hij, ook al was hij pas 4. Hij verloor die dag zijn eerste tand.

Nu waren alvast nieuwe herinneringen gemaakt: dat ik op het moment suprême in de rij stond en dat ik de rug niet herkende.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Fietsen

Er is nauwelijks iets veranderd, dacht ik toen ik samen met mijn vader een glimmende, volgeladen, elektrische fiets optilde en achterop zijn auto zette. We maakten hem stevig vast aan de drager en plaatsten een tweede fiets ernaast. De herfstzon lokte mijn ouders naar buiten. In Noord-Limburg lag een mooie route op ze te wachten.

Fietsen is voor mijn ouders, en in het bijzonder voor mijn vader, een recreatieve bezigheid.  Het is iets voor als het goed weer is, iets voor op de zondagmiddag. Niet zo verwonderlijk natuurlijk, daarvoor zijn het pensionado’s. Hele hordes babyboomers maken de fietspaden onveilig, zeker als het zonnig, droog en windstil is. Mijn ouwelui zijn daarin geen uitzondering. Maar zij doen dit al decennia. Ik ken ze niet anders. Ze waren al gepensioneerd voor ze gepensioneerd waren. Op zondag dan, na het melken. 

Voor mij is fietsen nog altijd een manier om van A naar B te komen. Het heeft een functie. Als tiener zag ik het verschil met mijn ouders en dat vond ik moeilijk. Zij hadden prachtige, dure Gazelles die ze af en toe in het weekend uit de garage haalden, terwijl ik op een tweedehands barrel dagelijks vele kilometers maakte om ergens te komen. Vanuit Beuningen door weer en wind, vaak met een volle schooltas of een hoornkoffer op de bagagedrager. Ergens vond ik het ook wel stoer, dat mijn wielen – met een slag erin – veel vaker ronddraaiden. Het was ook stoer.

Nu gebruik ik meestal de fiets van mijn vrouw. Een sportief, knalgeel zwijntje (‘zwijntje’ blijkt een synoniem te zijn voor fiets), die ze te danken heeft aan het uitstekende fietsplan van haar werkgever. “Eigenlijk maken we nooit fietstochtjes”, constateerde ze pas. En zo is het. Het zwijntje rijdt heel soepel, maar hij rijdt vooral volledig ongepensioneerd.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.
  

Allerzielen

Het is bijna Allerzielen en door schrijver Elske van Lonkhuyzen ben ik bezig met het wonderlijke samenspel van woorden en de dood. 

Een tijdje terug wandelde Elske over het kerkhof in Heteren. Daar zag ze een steen waarop geen naam en geen datum stond, alleen maar ‘vader moeder’. Slechts het hoogstnoodzakelijke, zo mooi. Het herinnerde haar aan een haiku die ze gelezen had, van Yosa Buson: 

‘’T is herfst, en avond; 
ik kan alleen maar denken: 
vader en moeder’.

Elke keer als ik de Graafseweg oversteek, kom ik langs een stoeptegel waar een tekst op staat. Bovenaan een naam, onderaan een datum, in het midden: ‘Doodgereden’. Dat harde, rauwe woord is telkens weer een klap in mijn gezicht. Ik voel de woede en wanhoop, en denk vooral aan de mensen die de tegel plaatsten.

Je hebt ook nog de laatste woorden van een stervende. Die kunnen ontroeren, zoals ‘Kam mijn haar’ of ‘Zing voor me’. Soms zijn ze grappig: ‘Ze zouden nog geen olifant kunnen raken van deze afst-’.

Schrijver Marc van der Holst maakte een boekje waarin hij laatste woorden van beroemdheden selecteerde en arrangeerde. Dan krijg je een tekst waarin elke zin van iemand anders is: 
‘Goed, ik denk dat het nu ongeveer tijd is om naar bed te gaan. Dat is alles; ik denk dat ik nu ga slapen. Ik ga slapen. Ik ben zo moe. Ik ben erg moe. Ik wil slapen. Ik ga nu liggen. Laat me nu slapen. Goedenacht.’

Humor kan welkom zijn en dan moet je schrijver Gerjon Gijsbers hebben. Sinds kort werkt hij in het graf- en groenonderhoud op vijf Nijmeegse begraafplaatsen. Hij deelt foto’s van oude grafstenen in het ochtendlicht, met als bijschrift: ‘Another day at the office’. In zijn vrije tijd draagt hij een shirt met de tekst ‘We put the fun in funeral’. De dood, gelukkig hebben we de taal nog. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Oudoom

Vorig weekend leerde ik onverwacht mijn oudoom Wim kennen. Toen ik tegen mijn ouders zei ik dat ik in Angeren ging voordragen, begon mijn moeder over haar oom die daar in 1944 door een bominslag was omgekomen. Vaag herinnerde ik me dat ze er al eens over had verteld. “Er staat een oorlogsmoment, zoek het maar eens op.” 

Nu, dat zoeken hoefde niet, want mijn optreden vond plaats in de protestantse kerk en als ik uit het raam keek zag ik het monument op de dijk staan. Aan de overkant van de straat bevond zich een oorlogsgraf met daarin 27 personen, waaronder Wim. Alles duwde me richting het verleden. En dat in oktober: mijn oudoom stierf in deze maand. 

De volgende dag zei mijn moeder dat ze heel lang niets wist van het bestaan van haar oom. Thuis spraken ze niet over de oorlog, behalve als je je bord niet leegat. Pas later hoorde ze over de bom in Angeren. De 28-jarige Wim was een weekend bij zijn verkering Willemien op bezoek. Ze zaten te eten toen de boerderij waar ze woonde werd geraakt. 

Het verhaal gaat dat het dagen tot weken duurde voordat mijn familie in Neerbosch wist wat er was gebeurd. Contact houden was moeilijk in oorlogstijd. Het voelt wrang dat als ik zijn naam bij Google intyp zijn bidprentje meteen verschijnt. ‘Nog zien we hem heengaan, niets vermoedend van het ontzettende leed, van de groote rampen, die over deze streken zouden neerkomen’, staat op de achterkant van Wims foto.

Na het optreden stond ik met een paar andere schrijvers op de dijk waaraan de boerderij had gelegen. We keken uit op de uiterwaarden. Een van de schrijvers wees op vier populieren in de verte. Ze zagen er alle vier net iets anders uit, maar waren even lang en de takken begonnen steeds op dezelfde hoogte. “Dat is een familie”, zei de schrijver.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Hier loopt er een eentje, een vader

Iedereen schijnt naast een kalenderleeftijd ook een gevoelsleeftijd te hebben. Die van mij schat ik op 15 jaar. Zeker weten doe ik het niet en dat past dan weer bij die leeftijd. Ik voel me een Beunings jochie van 15 dat dagelijks over de Van Heemstraweg fietst, dat twijfelt over alles en de wereld nog moet ontdekken. 

Het is in dit opzicht niet vreemd dat ik me soms niet echt een vader voel. Ik heb een heel ander beeld van hoe een vader is. Als ik richting school loop om mijn kinderen op te halen, moet ik af en toe tegen mezelf zeggen: hier loopt er eentje, een vader.

Ik verbaas me ook weleens over de impact die mijn woorden hebben op mijn dochters. Ik schat die steevast lager in. Mijn jongste dochter (4) ligt ’s nachts weleens te gillen. Als ik ga kijken, schreeuwt ze: “Ga weg!”. Blijkt later dat ze over mij heeft gedroomd, omdat ik overdag een keer tegen haar ben uitgevallen.

Als mijn kinderen me heel hard knuffelen en behoefte hebben aan aandacht, zie ik dat ook niet altijd aankomen. Ik moet vaker stilstaan bij mijn rol en dat hoe ik me gedraag en wat ik zeg gewicht heeft. 

“Soms voel ik me niet een vader”, zei ik pas tegen mijn buurman die drie jonge kinderen heeft. “Och, wil je erover praten?”, grapte hij. Maar zelf heeft hij zijn kinderen aangeleerd dat ze hem aanspreken met zijn voornaam.

Ondanks de impact die ik op haar heb, lijkt mijn oudste dochter (6) soms wel ouder dan ik. Ze heeft net haar eerste voortand gewisseld, eindelijk, maar haar gevoelsleeftijd schat ik op 16, misschien 17. Haar lichaamstaal is behoorlijk puberproof. Ze zegt nog net geen ‘duhuh’ of ‘tssss’, maar ze rolt al aardig met haar ogen. En sinds kort heeft ze de stijlvorm ironie ontdekt.
“Vond je het eten lekker?”, vroeg ik gisteren.
“Ja hoor, hééél lekker”.   

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Rijbewijs

Maandag reed een lesauto langzaam achteruit de parkeerplaats af toen ik aan kwam fietsen. Ik stapte af en wachtte even. Zo kon ik letterlijk stilstaan bij het feit dat ik deze week twintig jaar in het bezit ben van een rijbewijs. 

Menigeen die deze mijlpaal bereikt zal er zijn schouders voor ophalen. Maar als je drie keer voor een examen en een tussentijdse toets bent gezakt, en meer dan honderd lessen hebt gehad, is dat toch een ander verhaal.

Twintig jaar het gaspedaal indrukken heeft me naar hoogte- en dieptepunten geleid. Een dieptepunt: die keer dat ik ’s avonds de auto van mijn ouders leende en in het donker naar de Wingerdstraat reed, zonder lichten aan, want ik kon de juiste knop niet vinden. Het is maar een klein stukje, hield ik mezelf voor, terwijl tegenliggers claxonneerden en lichtsignalen gaven. 

Ander dieptepunt: met mijn oudste (toen 3) naar de carwash. Ik had zo mijn twijfels, maar ze wilde heel graag mee. Eenmaal in de wasstraat van de Anac klemde ze zich aan me vast en brulde ze dat ze eruit wou.

Een hoogtepunt: dat ik in één soepele beweging een busje strak langs een gracht in Amsterdam parkeerde. Mijn reisgenoten waren diep onder de indruk en brengen het soms weer ter sprake. Terwijl ik toch echt maar wat deed.

Ander hoogtepunt: de aanschaf van mijn eerste auto, zes jaar geleden. Er bestaat een foto waarop ik trots voor mijn auto sta met mijn dochter onder mijn arm. Een vriendin reageerde: “Het lijkt wel alsof je de baby erbij krijgt.”

De lesauto die de parkeerplaats afreed, kwam ik een half uur later nog een keer tegen. Heel langzaam ging de leerling door een bocht. Precies zo ben ik de vierde keer geslaagd. Ik reed zo traag dat niets me kon ontgaan. Niet de beste aanpak, maar ik heb er al twee decennia profijt van.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Duofiets

Op een elektrische duofiets zoefden mijn oudste zus en ik dwars door Druten. Het was een heerlijke ochtend met veel zon en een beetje wind. Ik zocht naar een manier om het tempo te vertragen, maar mijn zus vond het heel normaal dat we zo hard gingen.

Bij aankomst had mijn zus zich van haar subtielste kant laten zien. Ze zei dat ze het helemaal niet erg vond dat ik de kinderen niet had meegenomen. Alle aandacht was voor haar en daar maakte ze gretig gebruik van. Ze vertelde uitgebreid over het uitje naar de Efteling en de wespensteek in haar voet.
 
Op de duofiets merkte ik dat ze niet wist wat rechts en links was. Ik twijfelde even of ik dat wel aan een 46-jarige uit moest leggen, maar ik deed het toch. Het ezelsbruggetje met de hand in de vorm van een L leek ze te begrijpen. Toen we vanaf de dijk de Heersweg in sloegen, zei ze zonder van haar hand een L te maken dat we linksaf gingen. Wist ze het of had ze goed gegokt?  Iets verderop haalde mijn zus haar handen van het nepstuur en keek op haar horloge. We kwamen langs het hertenpark en ze stelde voor om even af te stappen. “En dan kunnen we zo nog even naar de Jumbo”.

Ik had haar door: ze was tijd aan het rekken. Haar begeleider had aangegeven dat ze niet om lunchtijd thuis hoefde te zijn. Ze mocht zonder haar huisgenoten eten. Mijn zus wist dat ik niet aan zou schuiven, dus het was iets anders waarom ze de lunchtijd koste wat het kost wilde missen. “Heb je geen zin om met ze te eten?”. “Jawel hoor”. Maar ondertussen deed ze er alles aan om later thuis te komen. 

In de Jumbo, de rit was bijna ten einde, zochten we naar een zalfje dat ze daar helemaal niet verkochten. Mijn zus blijft een mysterie. Tussen de schappen sprak ik haar per ongeluk aan met de naam van mijn jongste dochter. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.