Beuningen leest Alex van der Hulst

Drukwerk bestand Draag Nooit een Gele Trui.indd‘En ga vooral ook fietsen!’
Ik vroeg Weurtenaar Alex van der Hulst mijn exemplaar van zijn nieuwe boek Draag nooit een gele trui te signeren en dit was wat hij ervan maakte. Alex weet blijkbaar niet dat ik al mijn hele leven fiets. De fiets is mijn belangrijkste transportmiddel. Hoe vaak ben ik niet van Beuningen naar Weurt gefietst? Om maar te zwijgen van de rit Beuningen-Nijmegen, via de Piekelaan en Kinderdorp Neerbosch of via Sluis Weurt. Vroeger fietste ik zelfs helemaal naar De Groene Heuvels en dat is echt een pokkeneind vanaf de andere kant van Beuningen kan ik je vertellen. Een keer ging ik nog een stuk verder, naar Batenburg, om een meisje te ontmoeten (geen succesverhaal). En nu fiets ik elke dag naar mijn werk. Praat me dus niet van fietsen, Alex!
.
Dit stuk is een reactie op het stuk ‘Weurt leest Willem Claassen’ dat Alex schreef naar aanleiding van het verschijnen van De koe die de Waal over zwom. Alex vond het jammer dat er maar één verhaal over Weurt in het boek stond. ‘We staan op gelijke voet met Dreumel,’ schreef hij. Verderop in het stuk merkte hij op dat de boerderij waar ik ben opgegroeid vlakbij Weurt ligt en vanaf de dijk goed te zien is. ‘Ik heb er talloze malen gefietst en hardgelopen,’ aldus Alex.
Toen ik Draag nooit een gele trui kocht ben ik natuurlijk meteen gaan bladeren, op zoek naar Weurt en Beuningen. Alex begint in de buurt: Wedren, Ooijpolder, Zyfflich, Oude Kleefsebaan. Dat voelt goed, even de andere kant op en we zitten in de juiste hoek. Ik ben heel benieuwd wat hij over de grond van onze jeugd te vertellen heeft. Maar ik kom bedrogen uit. Alex reist in zijn boek naar de Achterhoek, naar Limburg en naar Düsseldorf, keert terug in Nijmegen en noemt op het eind Brabant nog even. Weurt en Beuningen laat hij tot mijn grote verdriet links liggen (vanuit Nijmeegs perspectief kun je deze uitdrukking trouwens letterlijk nemen, Weurt en Beuningen liggen links op de kaart).
.
Als ik aan Beuningen en aan fietsen denk, dan denk ik aan het poetsen van de velgen van mijn fiets in de schuur. Ik moest dat elke week doen van mijn ouders, want anders zou de boel verroesten. Op mijn hurken zat ik naast de fiets en schrobde de velg met een oude tandenborstel waar ik Jif (tegenwoordig Cif) op had gekwakt. O, wat had ik een hekel aan die klus. In latere jaren bleef de fiets voor mij een noodzakelijk middel om van A naar B te komen. Ik reageerde schamper op mijn ouders die om de zoveel tijd nieuwe fietsen aanschaften en ze alleen op zondag uit de schuur haalden voor een rondje om het dorp, terwijl ik elke dag door weer en wind op een tweede- of derdehandsje reed tot zo’n barrel uiteindelijk van ellende uit elkaar viel.
.
Maar Draag nooit een gele trui gaat niet over fietsen, het gaat over wielrennen. Ik heb niet zo heel veel met wielrennen en dat zal ik denk ik ook nooit krijgen. Ik ben een ontzettende schijterd, zeker als het om snelheid en dunne bandjes gaat. Tegelijkertijd vind ik wielrenners -en wielertoeristen al helemaal- ontzettende aanstellers, met hun pakjes, hun geschoren benen en hun friebeltjes en frutseltjes. Ik denk altijd: doe niet zo moeilijk, ga gewoon fietsen. Ik stel me dan voor dat ze een lange dag op kantoor hebben gehad en in plaats van ‘s avonds even de oermens in zich naar boven te halen (door bier te drinken, te schreeuwen en/of te voetballen) trekken ze een strak tenuetje aan en pakken ze hun peperdure fiets uit de schuur. Het is volgens mij typisch Nederlands om je hobby heel serieus te nemen. Door het boek van Alex is mijn beeld van wielrenners niet veranderd. Integendeel, en dat maakt het juist zo’n leuk boek, ook voor de niet-renner. Het gaat over de verschillende types wielrenners en over de regels waaraan ze zich houden. Het zit vol zelfspot en laat goed zien waarom die wielrenners doen wat ze doen. Ze willen erbij horen. Hoe doen ze dat? Door met allerhande ongeschreven regeltjes anderen buiten te sluiten. De wielrenner die me in dit boek het meest aanspreekt, is Gerben Karstens. Ik had nog nooit van hem gehoord. Hier een fragment uit het interview dat Alex met hem had:
En je fiets moet schoon zijn.
‘Daar heb ik geen last van. Ik hoef me niet rot te poetsen. Ik ben daar heel economisch in, de volgende dag wordt de fiets toch weer vies. Mijn vrouw klaagt ook altijd dat ik een koekje ga zitten eten als ze net heeft gestofzuigd, maar dat wordt ook weer vies.’
.
In De koe die de Waal over zwom gaat het o.a. over de afstand die ik neem van mijn boerenjeugd. Maar van alle wielrentypes die Alex in zijn boek bespreekt, van ‘De Terrastijger’ tot ‘De Materiaalfreak’, past ‘De Boer’ het beste bij mij. Nog altijd. Je kunt een boer bij de koeien weghalen, maar de koeien haal je niet weg bij de boer. Of zoiets.
Alex heeft in elk geval een geweldig hilarisch boek geschreven, met als hoogtepunt het hoofdstuk Hoe passeer je bejaarden?, waarin een inhaalmanoeuvre van seconde tot seconde wordt beschreven. Ook zeer
nuttig voor de gewone (oftewel: normale) fietser. Ik haal er even twee zinnetjes uit:
Riet is dus naar links gezwiept en neemt nu de tijd om de controle over haar fiets terug te krijgen. Als die taak is volbracht, gaat ze, nog steeds uiterst links rijdend, langzaam omdraaien op de fiets om te zien wie er achter haar dat geluid maakte. 
.
Dat Alex Beuningen en Weurt in zijn boek links laat liggen zal ik hem maar vergeven. Toch wil ik niet onvermeld laten dat de westkant van Nijmegen ook de moeite waard is om te fietsen als wielrenner. We hebben weilanden, uiterwaarden, een rivier en her en der een bosje. Er wonen ook veel renners. Beuningen heeft minstens twee wielerclubs: No Limits en Zeem as ever. Bovendien heeft Beuningen een eigen wielerzaak, aan de Schoolstraat tegenover het dorpshuis. Daar verkopen ze talloze friebeltjes en frusteltjes.

Meer info over Draag nooit een gele trui vind je hier.

 

Kilometers

Als je vanuit een helikopter in ons huis zou kunnen kijken, zoals filmploegen dat soms zo mooi doen, zou je zien hoeveel rondjes ik op een avond door het huis loop met het kind op de arm. (Eigenlijk mag ik niet ‘het kind’ zeggen, maar daar trek ik me niets van aan, het is gewoon ‘het kind’ in dit soort situaties). Kilometers maak ik, vooral door de woonkamer, want de hal is te smal en te kaal en te saai, en de slaapkamer is te koud en te onhandig qua inrichting. Er is niets vervelender dan heen en weer lopen rondom een bed.
Dus passeer ik voor de zoveelste keer de boekenkast en merk dan ineens, tot mijn grote en vooral stille vreugd, dat het kind gestopt is met huilen. Echt? Ja echt, ze is stil. Met haar rode, waterige ogen kijkt ze verwonderd om zich heen. Nog steeds is haar leven heel erg kort en is alles voor haar heel erg nieuw. Ondertussen blijf ik doorlopen en denk ik aan hoe klein dit huis is. En ik weet dat als ik nu stil ga staan of even ga zitten, ze weer zal beginnen te kronkelen met dat kleine lijfje. Dan komen de geluidjes, korte kermpjes als aankondiging van een nieuwe hoosbui. Het kind zal er alles aan doen om me weer in beweging te krijgen en te houden.
Maar ik sta niet stil en ik ga niet zitten. Ik loop. Ik maak mijn rondjes door dit veel te kleine huis, met mijn tanden op elkaar. Het mag nu niet te lang meer duren. Ik heb kramp in mijn armen, in mijn benen en in mijn hoofd. Gelukkig voel ik het einde naderen. Ze knippert met haar ogen, knikkebolt en valt in slaap. Nu niet te snel zijn, wacht tot ze nog wat dieper slaapt. In mijn hoofd tel ik tot honderd. Stilletjes loop ik naar de slaapkamer en leg haar zo voorzichtig mogelijk in bed. Nog even laat ik mijn hand onder haar hoofd rusten en schuif ’m er dan kalm onderuit. Langzaam doe ik een stap naar achteren, en nog een, ik wacht, draai naar de deur, kijk een laatste keer om, en jawel hoor, ze heeft haar ogen geopend. Pruillip, korte kermpjes.
Ik maak mijn schouders los. Een nieuwe wandeltocht vangt aan.

Kjiezel (Kiezel #12)

‘Hey Kjiezel,’ zegt de accordeonist naast de ingang van de supermarkt.
Kiezel glimlacht naar hem.
Als we bij de kaasafdeling zijn, vraag ik hoe ze hem kent.
‘Kennen, kennen.’
Ze pakt drie blokjes kaas van de schaal op de vitrine en steekt ze een voor een in haar mond.
‘Hij heet Dudu en ik ben pas bij hem thuis geweest. Weet je waar hij woont?’
Ik pak ook een blokje kaas.
‘Geen idee.’
‘Hier aan de Maasstraat. Met nog zes andere Roemenen.’
‘Wat deed je daar?’
‘Heb je hem weleens iets gegeven?’
‘Nee, nog nooit.’
Ze kijkt me verbaasd aan.
‘Dat had ik nou niet van je verwacht. Je komt altijd zo zorgzaam over. Jij hebt me onder die tafel uit getrokken.’
‘Als ik zo iemand zie zitten, denk ik: als ik iets geef, moet ik elke keer iets geven. Ik kom hier elke dag, dan bedenk je je wel even.’
‘Jij weet echt van niets hè?’
Kiezel loopt verder. Ineens draait ze zich om.
‘Jij woont al zo lang in de stad, maar je kent de mensen niet. Die Roemenen worden gebruikt. D’r zit een mannetje boven. Het grootste deel van wat ze verdienen moeten ze aan hem afstaan. Er zijn er bij die amper accordeon kunnen spelen.’
‘Nog een reden om niets te geven.’
Ze kijkt me woest aan. Met ferme stappen loopt ze de winkel uit.
‘Kjiezel!’ hoor ik Dudu nog roepen.

Lees de eerdere verhalen over Kiezel >>

Kraan (Kiezel #11)

Net als ik naar haar huis loop om te vragen of ze niet eens een dokter moet bezoeken, kom ik haar tegen op straat. Kiezel heeft rode wangen, haar haren opgestoken. Ze kauwt kauwgom.
‘Heb je de kraan gezien?’ zegt ze.
‘Welke kraan?’
‘Issie er al lang?’
‘Ik weet niet waar je het over hebt.’
‘Kom dan even met me mee.’
We lopen tot de hoek van de straat. Kiezel wijst omhoog. Ik kijk tegen de zon in.
‘Dat had je me dus wel even mogen vertellen,’ zegt ze.
‘Maar die staat daar toch al heel lang?’
‘Ik hou van kranen,’ zegt ze. ‘Dat weet je toch wel? Een kraan is als een ster aan de hemel. Hij leidt ons de weg, er zit betekenis in. Alleen blijft een kraan altijd met één been op de grond. Hij maakt contact met de wereld. Dat kun je van een ster niet zeggen.’
Ik knik naar haar zomerjas.
‘Moet je niet iets warmers aan?’
‘Ik voel me goed, als dat is wat je wilt weten. Sinds gisteren kom ik weer buiten. Ik sta vroeg op, dat helpt.’
‘Zullen we naar de kraan lopen?’
‘Stel jij nou voor om naar de kraan te lopen? Dat ik dat nog mee mag maken, zeg, jij die voorstelt iets te gaan doen.’
Ze biedt me een kauwgumpje aan en steekt haar arm in mijn arm.

Lees de eerdere verhalen over Kiezel >>

Fauser

voorkant

Samen met tekenaar Joost Dekkers maakte ik een hoofdstuk voor Fauser, een graphic novel over een hedendaagse antiheld die afgelopen week verscheen. Voor elk hoofdstuk werd een schrijver aan een tekenaar gekoppeld. Literaire namen als Walter van den Berg, Maartje Wortel en Erik Jan Hermans en tekenaars als Olivier Heiligers, Ruben Accou en Chiel te Bokkel bogen zich over het personage en leverden elk hun eigen blik op de ontwikkelingen rondom Fauser. Fauser is een reaguurder. Hij laat anoniem de meest onfatsoenlijke reacties achter op sites zoals GeenStijl en de Telegraaf. Hij vindt Nico Dijkshoorn grappig en stemt op Geert Wilders. Elke vier pagina’s wisselden de schrijver en de illustrator van het verhaal.

Het was erg tof om aan dit project mee te werken, zeker samen met Joost. We kregen het eennalaatste hoofdstuk toebedeeld en brachten de verhaallijnen uit de vorige hoofdstukken een beetje bij elkaar.

Fauser werd besproken bij het Radio 1-programma Nooit meer slapen >>
Dennis Gaens, die het project leidde, werd geïnterviewd over Fauser door Nijmegen Cultuurstad >>

Fauser is via iedere boekhandel en webwinkel te verkrijgen, maar ook bij de Wintertuin.

Auto (Kiezel #10)

Ik rij in de auto van mijn broer langs Zwartenoude en denk aan de tijd dat ik daar vaak was. Aan de buurvrouw van Kiezel die altijd naar buiten kwam als wij in de tuin zaten en die ons leek af te luisteren. Aan het gore meertje aan de rand van het bos waar Kiezel weleens in zwom, tenminste, dat was wat ze beweerde. Aan het smoezelige, oude mannetje zonder tanden dat in een vervallen huis vlakbij het meertje woonde.
In mijn herinnering stonden er her en der buiten het dorp vervallen huisjes met alleenstaande, oude mensen die er allemaal een eigenaardige levensstijl op nahielden. Nu is daar vanuit de auto niets van te zien. Ik kijk uit op een nieuwbouwwijk en vervolgens op de dorpskern. Daar ergens, in de buurt van de kerk, wonen Kiezels ouders. De eerste keer dat ik met Kiezel afsprak, aten we stamppot met haar ouders. Ze woonde nog thuis en vond het de normaalste zaak van de wereld dat ik meteen haar ouders ontmoette. Op haar slaapkamer kuste ze me op mijn mond. Toen ik meer wilde, duwde ze me weg. Ik moest iets in een schriftje schrijven en ze liet me foto’s zien van een vakantie in Oostenrijk.
Haar moeder zei dat er nooit een jongen over de vloer kwam. Ik voelde me een puber, maar dat was ik al lang niet meer.

Chips (Kiezel #9)

De deur staat open. Ze ligt onder de tafel. Ik had al het voorgevoel dat er iets aan de hand zou zijn, nog voor ik vanmorgen naar buiten ging.
Ik til haar op en leg haar op de bank. Met grote ogen kijkt ze me aan.
‘Waar ben ik? Hoe kom ik hier?’
‘Dit is jouw huis.’
Ze staart uit het raam. Het is midden op de dag.
‘Een vogel,’ zegt ze.
Maar er is geen vogel.
‘Daar op het balkon.’
Maar er is geen balkon.
Vanuit het raam kijk je uit op een flat. Overal hangt vitrage voor de ramen, verder is er niets te zien. Alsof er niets gaande is. Het is bewolkt. Er hangt een grijze lucht. Ik doe de lamp aan.
‘Ik heb zin in chips,’ zegt ze. ‘Chips en cola.’
Dan valt ze in slaap.
Ineens staat er een huisgenoot in de kamer. Ik heb haar nog nooit gezien. Het is een lange, smalle vrouw met een lange jas aan.
‘Wat moet jij hier?’
‘Ik ben hier voor Kiezel. De deur stond open. Ze lag onder tafel en ze wist niet meer waar ze was.’
De huisgenoot lijkt niet verbaasd. Ze kijkt naar de slapende Kiezel.
‘O ja.’
Dan loopt ze de trap op.
Even later is Kiezel wakker en frunnikt ze aan haar pyjama.
‘Ik weet soms niet hoe ik me moet gedragen,’ zegt ze.

 

Geen conclusies

Vernam op een en dezelfde dag dat de nieuwste trend bij moderne dans is dat er gewoon niet meer wordt gedanst en dat in een Achterhoeks dorpje de fanfare niet meer mag meelopen in de carnavalsoptocht omdat er anders geen toeschouwers zijn.
Laat ik hier verder maar geen conclusies aan verbinden.

Baantjer (Kiezel #8)

Kiezel geeft me een glas Kamillethee. Het is de enige thee die er nog in huis is, vertelt ze. Haar huisgenoten drinken thee bij het leven.
Ze loopt nog steeds in een pyjama rond. De stadsplattegrond met de cirkels heeft ze in de gezamenlijke boekenkast gefrommeld. Ik vraag of ze daarmee nog naar het stadhuis is geweest.
‘Ik wilde een afspraak maken met een persoon waarvan ik van tevoren de naam weet, maar zij willen dat ik een nummertje trek. Nou, dan niet.’
We kijken een aflevering van The Bridge. Kiezel merkt op dat politieseries die meer willen zijn dan Baantjer altijd van mindere kwaliteit zijn.
‘Bij Baantjer gaat het zoals het hoort: moord, opgelost, moord, opgelost, moord, opgelost. Maar bij dit soort series loopt het volledig uit de hand. Dat daar maar twee rechercheurs aan het werk zijn, daar kan ik met mijn hoofd niet bij.’
Ik ben op mijn hoede. Elk moment kan ze zeggen dat er niets aan de hand is, dat ze voor de lol al dagen thuis zit en in een pyjama rondloopt, en dan zal ze vragen wat ik hier eigenlijk kom doen. Maar aan het einde van de aflevering begint ze te snikken.
‘Ik ben blij dat je er bent,’ zegt ze, wrijvend in haar ogen. ‘Je vraagt niet wat er is, dat is fijn.’
Ze neemt een slok thee en kijkt me dan aan.
‘Vind je mij écht aardig?’

Melkdroom

Ik zeg tegen mijn dochter dat ze een babyface heeft en dat dat goed is. Ze reageert niet. Ze snurkt. Af en toe smakt ze. Ze zit midden in een melkdroom.

Later huilt ze en zing ik zachtjes Kortjakje voor haar en bedenk me te laat dat dat eigenlijk een hoerenliedje is. Ik zing een hoerenliedje voor mijn dochter, maar ik kan halverwege het liedje niet ineens stoppen. Ik moet er even doorheen.

Ik moet denken aan de kraamverzorgster, in die eerste dagen. Elke ochtend begon ze haar werkdag met het een voor een openen van de poepluiers uit de nacht. Ze was heel blij met die luiers. Ik mis haar.