Geertrude

In Beuningen in oude ansichten vind je ergens halverwege een zwart-wit foto van de knappe, jonge vrouw Geertrude van Raaij. Dit boekje staat al sinds mijn jeugd in de boekenkast van mijn ouders en deze foto, of eigenlijk het onderschrift bij deze foto, maakt elke keer als ik het weer onder ogen krijg diepe indruk. Geertrude stierf in 1916 op haar 21etoen ze bij de Koningsstraat met haar fiets onder de stoomtram kwam. Volgens de Maas en Waler uit die tijd ‘werden het meisje zoo goed als beide benen bij onderlijf afgesneden’. 

Op jonge leeftijd overlijden is al heel erg treurig, maar dat in zulke gevallen vooral de doodsoorzaak wordt onthouden maakt het nog treuriger. Wie de persoon was, vertellen mensen niet aan elkaar door. Ze hebben het alleen over hoe iemand aan zijn einde kwam. Voor Geertrude geldt dat helemaal. Haar dood staat omschreven in een boekje dat meer dan 70 jaar later verscheen. 

Daar komt bij dat het hier gaat om een tramongeluk. Zoiets zou nu niet meer kunnen gebeuren. Al vanaf 1934 niet meer, toen de tramlijn Nijmegen-Wamel werd opgeheven. Zo voelt haar dood achteraf extra zinloos. 

Arme Geertrude. Ik zou haar graag herdenken om wie ze was tijdens haar leven, maar er is niets wat ik over haar kan vinden. Althans, dat dacht ik. Toen ik laatst Beuningen in oude ansichtenweer opensloeg, zag ik op de volgende pagina een foto van het huis van Geertrude’s vader. In het onderschrift stond nog iets over haar. Dat ze een geëmancipeerde vrouw moest zijn geweest, want ze fietste en dat was in die tijd voor vrouwen zeer ongebruikelijk. Het is slechts een glimp uit haar leven, maar wel een heel mooie.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Schoolplein

De school was uit. Mijn dochter rende op me af, stopte vlak voor mijn neus en keek over mijn schouder. Ze wou heel graag met iemand afspreken. Ze heeft een vriendinnetje op wie ze gek is, maar zij had met iemand anders afgesproken. Mijn dochter speurde rond en ik zag het al misgaan. Ze liep een rondje over het schoolplein, en toen nog een. Ik zei dat we beter naar huis konden gaan, dat we thuis iets leuks zouden doen, maar ze bleef zoeken. Het werd steeds rustiger, tot we als laatste over waren. Ik zei dat ze de volgende keer zeker met iemand af kon spreken, maar dat we nu toch echt naar huis gingen. Toen was het mis. Ze sloeg tegen mijn been, smeet haar rugzak weg en liet zich op de grond vallen. Haar gehuil ging door merg en been. 

Ik stelde me voor dat op dat moment overal in het land kleuters op schoolpleinen lagen, snakkend naar contact met een leeftijdsgenoot. Ik heb zelf vast en zeker ook weleens op het schoolplein in Beuningen gelegen. Al denk ik niet dat het vaak is gebeurd. Ik was te geremd om mijn verdriet en frustratie op deze manier te tonen. Bovendien vroeg ik bijna nooit iemand om te spelen, bang om teleurgesteld te worden.  
    
Mijn dochter lag daar nog altijd uitgestrekt. Er moest een einde aan komen, maar hoe? Ik pakte haar vast en sjouwde haar mee onder mijn arm, terwijl ze loeide als een sirene. Zo liepen we de poort uit. Iets verderop kwamen we het vriendinnetje tegen en het meisje met wie zij had afgesproken. Ook dat nog, dacht ik. Het vriendinnetje kwam naar ons toe en tikte mijn dochter aan. Ik zette haar op de grond. “Volgende keer spreken wij af,” zei het meisje. Dat was voldoende. Wonderbaarlijk. Mijn dochter huppelde naar huis.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Aandacht

Vorige week zat ik op een bankje in de Corneliuskerk in Beuningen en luisterde naar een solo van een sopraan-saxofoon. Ik was ontroerd. Ik ken de solo goed, omdat ik het vaak heb gehoord in mijn fanfaretijd. De soliste van nu was dezelfde als die van toen, maar de muziek had een heel andere lading gekregen. Henriëtte speelde het lied dit keer voor haar overleden vader.     

Het was een mooie dienst voor Frans Litjes, de oud-postbode die bijna 80 jaar deel was van de fanfare. In de periode dat ik muziek maakte, beschouwde ik hem een beetje als mijn opa. Hij was een lieve, benaderbare man die van grapjes hield. In de dienst hoorde ik dat terug: een familieman met veel aandacht voor anderen. Die aandacht ging nu naar hem. “We vieren vandaag zijn leven,” zei pastoor Harry van Dooren. 

Bij een uitvaart springen de kleine anekdotes over de overledene er vaak uit. Ze zijn veelzeggend, ze doen wat met je. Zo vertelde een kleindochter dat Frans elke ochtend voor het raam stond te zwaaien als ze voorbij fietste op weg naar school. Soms stond hij dan klaar voor niets, als ze het eerste uur vrij had. 

Maar dit keer troffen de grote woorden over het geloof me ook. Vooral door de manier waarop Van Dooren ze inleidde. Hij vertelde dat Frans een gelovig christen was en dat hij geloofde in iets na de dood. “Je kunt het een hemel noemen, maar eigenlijk schiet zo’n woord te kort.” Heel helder en genuanceerd legde hij het uit, met begrip voor de niet-gelovigen in de kerk.  

Het mooiste vond ik dat de tijd werd genomen. De fanfare speelde nog een lang stuk. Alles waar Frans voor stond, kwam zo mooi samen: aandacht, familie, geloof en muziek.

Deze column verscheen in De Gelderlander. 

Verkiezingen

De envelop met mijn stempas ligt al een week op de onderste tree van de trap. Elke keer als ik naar boven loop, word ik eraan herinnerd dat ik binnenkort weer het rode potlood ter hand moet nemen. Ik weet niet of de trap de beste plek is voor die envelop, maar zo vergeet ik hem in elk geval niet.
.
Het doet me denken aan mijn allereerste verkiezingen, toen ik nog helemaal niet mocht stemmen. Ik was met mijn ouders op bezoek bij de man die alles vergat, mijn opa in het verpleeghuis. Die middag zat hij in een politieke mist. Hij brabbelde aan een stuk door over raadsvergaderingen en stemrondes. Het bracht me op het idee om verkiezingen te houden. Mijn vader legde uit hoe het precies werkte. Ik zocht een stuk papier en knipte daar stembiljetten uit. Ik liet mijn opa streepjes zetten bij de partijen, waarbij ik zijn trillende hand naar het papier begeleidde.
.
Het was niet vreemd dat mijn opa die middag, en vele andere middagen in zijn laatste jaren, met bestuur en beleid bezig was. Politiek zat in hem. In Beuningen had hij zijn eigen partij gehad en hij was een tijdje wethouder geweest. Op de boerderij ging het vaak over politiek.
.
In het verpleeghuis probeerde ik via het naspelen van verkiezingen contact met hem te maken. Ik wilde hem uit die mist trekken, of anders zelf in die mist terechtkomen. Ik wilde dat hij me zag en met me sprak. Het werkte niet. We zaten naast elkaar, maar ook in twee werelden. Ik was nog met de uitslag bezig toen mijn moeder mijn pen afpakte.
‘Zo is het wel genoeg.’
.
Pas later zag ik hoe wrang de situatie was. Maar voor mij was het meer dan een spelletje geweest. Het voelde belangrijk wat ik deed.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Raam

Gisteravond kleedde mijn dochter zich vlak voor het slapengaan uit, waarbij ze alleen haar onderbroek aanhield. Even later klom ze op de vensterbank en ging voor het raam zitten. Zijwaarts, knieën iets opgetrokken, blik op de overkant. 
‘Wat wil je later worden?’ vroeg ik.
‘IJscoboer.’

Geheim

‘En?’ vroeg ik aan mijn broer anderhalve maand geleden. ‘Zijn jullie al begonnen?’
‘Ja, we zijn begonnen.’
Stilte. Het was zeer de vraag of er nog meer kwam. Uiteindelijk vertelde hij dat ze ‘iets’ hadden gekocht, maar dat daar nog ‘veel’ aan gedaan moest worden. Daar moest ik het mee doen.
.
Bij het bouwen van een carnavalswagen is het geheim houden van je creatie de helft van het plezier. Niet alleen mijn broer heeft dat goed begrepen. Een paar weken geleden stapte ik bij hem over de drempel en toen stond mijn schoonzus daar met haar hoofd in een kartonnen doos. Ze zei iets, maar ik kon het niet verstaan. Ze zette de doos af en knipte er een rond gat in, bedoeld voor het gezicht.
‘Dit is een prototype. We gaan het maken van purschuim.’
Daar moest ik het mee doen.
.
In de tijd dat ik zelf nog meeliep in de Beuningse optocht ging ook alles in het geniep. Het was een doodzonde als iemand zijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en bij de concurrent in de schuur ging kijken. Vaak wist je dan nog niks. Alleen het vermoeden dat de ander met iets groots en moois bezig was werd bevestigd. Het geloof in een goed resultaat voor je eigen groep verkruimelde.
.
Het laatste wat mijn broer over de wagen zei, was dat hij ‘heel veel’ slaapmatjes bij de scouting had opgehaald. Hij deed ’t erom. Op internet vond ik foto’s van vrienden van mijn broer die aan het verven waren en van stukken stof onder een naaimachine. Steeds die focus op het materiaal, maar wat werd het nou?
.
Over een week sta ik langs de route. Dan is het maar te hopen dat hij in dat purschuim wel te herkennen zal zijn. Anders weet ik nog niks.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Observanten

Tot voor kort zag ik alleen maar de verschillen tussen het werk van mijn vader en dat van mij, tussen het boeren en het schrijven. Hij werkt met zijn handen, ik met het hoofd. Hij heeft koeien, weilanden, tractors en stallen. Ik heb een laptop, een pen en een notitieblok. Bij hem komt om de drie dagen een melkwagen de tank te legen. Bij mij duurt het een paar jaar voor ik een boek af heb en het naar de drukker kan.
.
Maar door een gesprek met een collega-schrijver viel me ineens op dat mijn vader en ik ook een belangrijke overeenkomst hebben. We zijn allebei observanten. We staan allebei min of meer buiten de samenleving. Mijn vader letterlijk, zo met zijn boerderij aan de rand van Beuningen. Ik iets minder letterlijk, door altijd van een afstand ergens naar te kijken en te luisteren, materiaal verzamelend voor een verhaal.
.
Mijn vader komt maar één dag in de week in het dorp. Op maandagochtend drinkt hij koffie met zijn oud-collega’s van de vrijwillige brandweer. Op maandagavond rijdt hij naar De Tinnegieter om te sporten. Vroeger was hij al niet van het erf af te slaan. Als hij een winterjas nodig had, ging zijn broer – die dezelfde maat heeft – naar de stad om jassen te passen en er eentje uit te kiezen. Nog altijd koopt mijn moeder vaak kleding voor hem. Dan is het telkens de vraag of het past en of hij het mooi vindt, anders moet ze er weer mee terug.
.
Eigenlijk zou mijn vader schrijver kunnen zijn. Vanaf de boerderij kijkt hij uit op het dorp en daar kan hij dan een verhaal van maken. Eentje vol observaties, want een uitgesproken mening heeft hij niet, of die laat hij niet snel horen.
.
Maar zou ik boer kunnen zijn?
.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Struisvogels


Een keer per week groet ik ’s morgens de dingen in de Reekstraat. Het is net als in het gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen.
‘Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem / ploem ploem / dag stoel naast de tafel / dag brood op de tafel / dag visserke vis met de pijp’.
.
In mijn geval: ‘Dag meisjes op de fiets met de rugzakken op weg naar school / kool kool / dag opblaasboot in de sloot / dag taxibussekebus / dag bevroren landbouwgrondje dat te koop staat’.
.
Dat ik de dingen groet in de Reekstraat komt door de struisvogels. Met hen is het begonnen. Dag struisvogels! Ik weet niet precies of ze nu met vijf, zes of zeven zijn, ook al ben ik er honderden keren langs gereden. Soms volgen ze me, met hun koppen, die net boven de bovenste draad uit komen. Ze kijken dan even ongeïnteresseerd als ze waarschijnlijk in Afrika zouden doen. Soms zie ik ze op de grond pikken en dan vraag ik me af of ze eten zoeken of een gat waar ze hun kop in kunnen steken.
.
Een struisvogel is een raar beest. De grootste vogel die bestaat, die het hardst kan lopen van alle vogels, maar vliegen ho maar. En dan die lange nek, buigzaam als gekookte spaghetti. En dat dan op de Reekstraat, met op de achtergrond een berg die het goed zou doen in Afrika. Als je het niet zou weten zou je denken: wat een eigenaardige maar mooie berg.
.
Je kunt er vast iets symbolisch in zien, in die struisvogels in een weitje op de grens van Beuningen en Weurt, vlak voor een afvalberg. Maar dat doe ik niet. Het zijn gewoon struisvogels. En die groet ik, iedere week. Daa-ag struisvogel. Dag lieve struisvogel. Dag fijne struisvogelijn mijn.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
Afbeelding: Zürcher – Studie van een Struisvogel (Struthio camelus, mannetje)

Nashville

Ik heb niet meteen in de gaten dat er iets bijzonders aan de hand is. Als ik plaatsneem voor de spiegel is de kapster bijna klaar met het meisje naast me. Ze moet een jaar of 15 zijn en heeft een kort, jongensachtig kapsel. Nadat ze is vertrokken, vertelt de kapster dat ze met lang haar binnenkwam. ‘Ze liet een foto zien van een jongen, zo wilde ze het.’ Met één knip had de kapster de lange staart eraf gehaald. ‘Gewoon hups.’ Een kleine handeling, maar tegelijkertijd zo groot.
.
Mijn zus ontdekte op de leeftijd van het meisje dat ze op vrouwen viel. Pas op haar 20e, toen ze Beuningen had verlaten en in Maastricht studeerde, kwam ze uit de kast. Ze schreef mijn ouders een brief en gaf die op maandagochtend, vlak voor ze weer naar het zuiden ging, aan mijn moeder. Ze dacht dat ze het nieuws in een week zouden verwerken, terwijl ze er zelf 5 jaar over had gedaan om ermee naar buiten te treden.
.
Ik had het al veel eerder kunnen weten. Mijn zus was 17 toen we samen naar Fort Alpha keken. In de aflevering zoenden twee jongens elkaar. “Dat heb ik ook,” zei ze zacht en ze liep de kamer uit. Ik weet niet of ik het begreep en niet wist wat ik ermee aan moest, of dat ik het helemaal niet in de gaten had. Beide opties zijn mogelijk. Later zat ik wel degelijk in een ontkenningsfase, want toen er thuis een homoblad rondslingerde, dacht ik dat ze in Maastricht iemand kende die ‘dat had’ en dat ze zich wilde inlezen.
.
In de kapperszaak kijk ik naar de berg haren op de grond. Ik weet helemaal niet of het meisje op vrouwen valt. Ik weet niets. Ik weet alleen dat ze aan het begin van het nieuwe jaar het roer heeft omgegooid, ik weet dat ze iets dappers heeft gedaan.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tweedeling


Mijn buurman vroeg of ik voor of tegen vuurwerk was en ik dacht: dat vat 2018 mooi samen. Tot op de laatste dag van het jaar draait het om voor of tegen. Om links of rechts, stad of platteland, progressief of conservatief, et cetera.
Maar toen ik er nog wat langer over peinsde, kwam ik hierop terug. De tweedeling is niet typisch voor dit jaar, het is van alle tijden. Zoom maar eens in op Beuningen, en zoom dan verder in op mijn jeugd in de jaren ’90.
.
Toen had je De Hoeven versus De Beundert, twee scholen waarvan de leerlingen recht tegenover elkaar stonden. Dat kwam vooral doordat De Hoeven een dependance had bij De Beundert.
Maar ook de scouting tegenover de judo. Elk jaar was het de vraag welke van deze twee clubs de meeste deelnemers had bij de Avondvierdaagse. Die club kreeg een prijs.
En je had fanfare Kunst en Volharding en drumfanfare Luctor et Emergo. O wee als de gemeentesecretaris bij Dodenherdenking de verkeerde aankondigde.
Bij de carnavalsoptocht (categorie ‘grote wagens’) waren het er eveneens twee. De Pensekletsers, de groep van mijn broer, streden jaarlijks om de hoofdprijs met De Klotskoppen.
.
Het verschil met nu is dat het toen om heel kleine zaken ging. Een dorp heeft tot op zekere hoogte baat bij zulke tweedelingen. Het brengt leven in de brouwerij. Het maakt je scherper, creatiever, ambitieuzer.
Anno 2018 gaat het om grote thema’s, over levensstijl en hoe je naar de wereld kijkt. Dan blijkt: hoe minder je met elkaar praat, hoe groter de kloof.
.
De Pensekletsers en De Klotskoppen dronken na de uitslag van de optocht samen bier. Dat lijkt me een mooi voornemen voor het nieuwe jaar.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.