Struisvogels


Een keer per week groet ik ’s morgens de dingen in de Reekstraat. Het is net als in het gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen.
‘Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem / ploem ploem / dag stoel naast de tafel / dag brood op de tafel / dag visserke vis met de pijp’.
.
In mijn geval: ‘Dag meisjes op de fiets met de rugzakken op weg naar school / kool kool / dag opblaasboot in de sloot / dag taxibussekebus / dag bevroren landbouwgrondje dat te koop staat’.
.
Dat ik de dingen groet in de Reekstraat komt door de struisvogels. Met hen is het begonnen. Dag struisvogels! Ik weet niet precies of ze nu met vijf, zes of zeven zijn, ook al ben ik er honderden keren langs gereden. Soms volgen ze me, met hun koppen, die net boven de bovenste draad uit komen. Ze kijken dan even ongeïnteresseerd als ze waarschijnlijk in Afrika zouden doen. Soms zie ik ze op de grond pikken en dan vraag ik me af of ze eten zoeken of een gat waar ze hun kop in kunnen steken.
.
Een struisvogel is een raar beest. De grootste vogel die bestaat, die het hardst kan lopen van alle vogels, maar vliegen ho maar. En dan die lange nek, buigzaam als gekookte spaghetti. En dat dan op de Reekstraat, met op de achtergrond een berg die het goed zou doen in Afrika. Als je het niet zou weten zou je denken: wat een eigenaardige maar mooie berg.
.
Je kunt er vast iets symbolisch in zien, in die struisvogels in een weitje op de grens van Beuningen en Weurt, vlak voor een afvalberg. Maar dat doe ik niet. Het zijn gewoon struisvogels. En die groet ik, iedere week. Daa-ag struisvogel. Dag lieve struisvogel. Dag fijne struisvogelijn mijn.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
Afbeelding: Zürcher – Studie van een Struisvogel (Struthio camelus, mannetje)

Nashville

Ik heb niet meteen in de gaten dat er iets bijzonders aan de hand is. Als ik plaatsneem voor de spiegel is de kapster bijna klaar met het meisje naast me. Ze moet een jaar of 15 zijn en heeft een kort, jongensachtig kapsel. Nadat ze is vertrokken, vertelt de kapster dat ze met lang haar binnenkwam. ‘Ze liet een foto zien van een jongen, zo wilde ze het.’ Met één knip had de kapster de lange staart eraf gehaald. ‘Gewoon hups.’ Een kleine handeling, maar tegelijkertijd zo groot.
.
Mijn zus ontdekte op de leeftijd van het meisje dat ze op vrouwen viel. Pas op haar 20e, toen ze Beuningen had verlaten en in Maastricht studeerde, kwam ze uit de kast. Ze schreef mijn ouders een brief en gaf die op maandagochtend, vlak voor ze weer naar het zuiden ging, aan mijn moeder. Ze dacht dat ze het nieuws in een week zouden verwerken, terwijl ze er zelf 5 jaar over had gedaan om ermee naar buiten te treden.
.
Ik had het al veel eerder kunnen weten. Mijn zus was 17 toen we samen naar Fort Alpha keken. In de aflevering zoenden twee jongens elkaar. “Dat heb ik ook,” zei ze zacht en ze liep de kamer uit. Ik weet niet of ik het begreep en niet wist wat ik ermee aan moest, of dat ik het helemaal niet in de gaten had. Beide opties zijn mogelijk. Later zat ik wel degelijk in een ontkenningsfase, want toen er thuis een homoblad rondslingerde, dacht ik dat ze in Maastricht iemand kende die ‘dat had’ en dat ze zich wilde inlezen.
.
In de kapperszaak kijk ik naar de berg haren op de grond. Ik weet helemaal niet of het meisje op vrouwen valt. Ik weet niets. Ik weet alleen dat ze aan het begin van het nieuwe jaar het roer heeft omgegooid, ik weet dat ze iets dappers heeft gedaan.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tweedeling


Mijn buurman vroeg of ik voor of tegen vuurwerk was en ik dacht: dat vat 2018 mooi samen. Tot op de laatste dag van het jaar draait het om voor of tegen. Om links of rechts, stad of platteland, progressief of conservatief, et cetera.
Maar toen ik er nog wat langer over peinsde, kwam ik hierop terug. De tweedeling is niet typisch voor dit jaar, het is van alle tijden. Zoom maar eens in op Beuningen, en zoom dan verder in op mijn jeugd in de jaren ’90.
.
Toen had je De Hoeven versus De Beundert, twee scholen waarvan de leerlingen recht tegenover elkaar stonden. Dat kwam vooral doordat De Hoeven een dependance had bij De Beundert.
Maar ook de scouting tegenover de judo. Elk jaar was het de vraag welke van deze twee clubs de meeste deelnemers had bij de Avondvierdaagse. Die club kreeg een prijs.
En je had fanfare Kunst en Volharding en drumfanfare Luctor et Emergo. O wee als de gemeentesecretaris bij Dodenherdenking de verkeerde aankondigde.
Bij de carnavalsoptocht (categorie ‘grote wagens’) waren het er eveneens twee. De Pensekletsers, de groep van mijn broer, streden jaarlijks om de hoofdprijs met De Klotskoppen.
.
Het verschil met nu is dat het toen om heel kleine zaken ging. Een dorp heeft tot op zekere hoogte baat bij zulke tweedelingen. Het brengt leven in de brouwerij. Het maakt je scherper, creatiever, ambitieuzer.
Anno 2018 gaat het om grote thema’s, over levensstijl en hoe je naar de wereld kijkt. Dan blijkt: hoe minder je met elkaar praat, hoe groter de kloof.
.
De Pensekletsers en De Klotskoppen dronken na de uitslag van de optocht samen bier. Dat lijkt me een mooi voornemen voor het nieuwe jaar.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verliezers


In mei las ik een krantenbericht dat me nog altijd intrigeert. De kop: ‘Beuningse Boys moet mogelijk verliezen om toch te promoveren’. In een doortimmerd systeem van periodetitels, play-offtickets en nacompetitie bleek ook dit onwaarschijnlijke scenario te kunnen bestaan.
.
Hoewel ik het spelletje waardeer, gaat het me hier niet om het voetbal. Het gaat me om het verliezen. Ik heb de laatste tijd steeds meer behoefte aan verliezers. Aan mensen die zich rot voelen en dit durven te delen met de wereld, tussen al die succesverhalen. Aan mensen die slachtoffer durven te zijn, ook als ze worden weggezet als ‘zeikerds’.
.
Ik heb behoefte aan kwetsbare mensen. Dan denk ik ook aan de top van de samenleving: aan hen die aan de knoppen zitten, die als voorbeeld dienen. Bij grote bedrijven, in de wetenschap, in de media en vooral in de politiek. Mensen die durven toe te geven dat ze soms fout zitten, die durven te zeggen dat ze het ook niet precies weten. Mensen die van gedachten durven te veranderen. Maar daarvoor moeten ze dan ook de ruimte krijgen en niet meteen veroordeeld worden.
.
Zelf viel ik dit jaar 10 kilo af en ik weet niet precies hoe dat komt. Over het algemeen voel ik me goed, maar ik heb ook slechte momenten. Die momenten probeer ik minder te negeren. En als ik me richt op de wereld, op het nieuws, probeer ik vooral nuchter te blijven. Niet met de stroom mee. Niet te snel een mening. Alle opties openhouden. Is dat kwetsbaar?
.
Hoe het Beuningse Boys verging? Ze verloren en mochten nacompetitie spelen. Maar ook toen verloren ze. Ze bleven in de 3e klasse. Sport is niet het leven, maar ik gun de jongens hun verlies.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Presentatie Beungening

Afgelopen zondag 2 december presenteerde ik het Besiendershuis in Nijmegen mijn boekje Beungening. Het is een bundel met korte verhalen die op elkaar reageren en elkaar aanvullen en op die manier één geheel vormen. Beungening gaat onder andere over afkomst, opgroeien, verwijdering, familie, migratie en ouder worden. Een klein, literair onderzoek naar de plek waar ik vandaan kom en die ik niet los kan laten.

Op de presentatie traden Marc van der Holst (The Avonden), Elske van Lonkhuyzen en Laurens van de Linde op. Het was fijn, het was goed.
Het boekje is te bestellen via willem [at] modderenlijm.nl.

Hier de foto’s:

Lees verder Presentatie Beungening

Groot

Ik belde naar Beuningen, naar mijn ouders, om te vertellen dat hun jongste kleindochter zojuist op het potje had gezeten en een plas had gedaan. Het ging per ongeluk, maar toch. Terwijl ik aan mijn moeder beschreef hoe het zover was gekomen, pakte de betrokkene mijn telefoon af en zei tegen het scherm: “Aaa.”
.
Eigenlijk hoeft voor mij de nadruk daar helemaal niet op te liggen, op het groter worden, op de prestaties die daarbij horen. Straks voelt ze onnodig de druk dat ze iets al moet kunnen. Maar in mijn enthousiasme greep ik mijn telefoon en verkondigde het nieuws alsof ik de loterij had gewonnen. Misschien komt het omdat ik als dorpsverlater Beuningen vooral associeer met opgroeien, met groter worden.
.
De betrokkene zelf, anderhalf jaar oud, heeft een onstuimige drang om te groeien. Ze duldt geen hulp bij het aantrekken van haar laarzen. Liever nog trekt ze de laarzen van haar zus aan, of van haar moeder. Bij het in slaap wiegen zing ik altijd liedjes voor haar, maar driekwart van het repertoire hoeft ze niet meer te horen. Ik zet een liedje in en na twee woorden schudt ze nadrukkelijk haar hoofd. “Neeee.”
.
‘Je had het maar met één ding druk / groter worden / maar wat je ook deed / echt veel ouder werd je niet’, zingt Rowwen Hèze. Zo is het ook met onze kleine. Bij het avondeten kan ze ons niets over haar dag vertellen. De oudste mag het woord nemen, ook namens haar. Maar soms stellen we haar gesloten vragen die ze met een duidelijke ja of nee beantwoordt.
.
Het liefst zou ik dat hele groeien even in de pauzestand zetten, want er komt een moment dat ze niet meer joelend op me afstormt als ik haar ophaal in Beuningen.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
De regels van Rowwen Hèze komen uit De Peel in Brand.

Verpesten

Een vader uit Weurt vertelde op een bloedhete zomerdag aan zijn zoon dat Sinterklaas niet bestaat. De zoon bracht het nieuws over aan zijn beste vriend en die beste vriend vertelde het weer aan zijn ouders. Toen waren de poppen aan het dansen. De ouders van de beste vriend gingen verhaal halen. Mijn moeder hoorde dit vers van de pers, toen ze in augustus in een Weurtse kappersstoel zat.
.
Vanwege de intocht moet ik hier weer aan denken. Ik begrijp die vader wel. De pijnlijke waarheid over 5 december kun je maar beter uitspreken in een neutrale periode, dan kan zo’n jongen er een beetje aan wennen. Maar het is voor hem wel lastig om het stil te houden.
.
Ik kan me het moment dat mijn beeld van Sinterklaas definitief instortte niet meer herinneren. Wel weet ik nog hoe de geruchten over het schoolplein van De Beundert uitwaaierden. Volgens mij was het Tommie Smit die er tijdens het voetballen over begon. Ik geloofde hem niet, toch werd het zaadje van de twijfel geplant. Voor mijn ouders was het slechts een kwestie van wachten. Waarschijnlijk heb ik zelf gevraagd hoe het nu zat.
.
In mijn tijd had Sinterklaas het moeilijk. De Kerstman stak de oceaan over. Ik ving daar iets van op en vond het verdrietig. Het Sinterklaasfeest leek een aflopende zaak. In tegenstelling tot de roetveegpiet leek de Kerstman daadwerkelijk het aloude kinderfeest te verpesten.
.
De Sint is allang weer terug, mede dankzij het Sinterklaasjournaal. Mijn dochter van 3 was tot in februari met de Goedheiligman bezig. En in augustus begon ze er weer over. Uit het niets, de pepernoten lagen nog niet in de winkel. Over een paar jaar zal ik haar iets moeten vertellen.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Beungening


Ik had zin om een boekje te maken. Gewoon, omdat het kan. Het is best wel een mooi boekje geworden, al zeg ik het zelf. Een beetje in de lijn van ‘De koe die de Waal over zwom’, met allemaal zeer korte verhalen. Het heet ‘Beungening’ en is tot stand gekomen met behulp van de koning van het boekjes maken, Marc van der Holst. Het is op deskundige wijze geredigeerd door Laurens van de Linde en Yvette Linders. Ik ben er heel blij mee. ‘Beungening’ moet nog naar de drukker, maar je kunt ‘m al bestellen door een mailtje naar me te sturen: willem [at] modderenlijm.nl. (Omslag is ook van Marc).

Alverna

Een verhaal over ‘Bouwval’, de roman van Frans Kellendonk, voorgedragen tijdens de presentatie van ‘Kellendonk. Een biografie’ in Dekker van de Vegt, Nijmegen.  

Vaak is te merken dat de wereld ver van de literatuur afstaat, spijtig genoeg. Vorig jaar woonde ik tijdelijk in de nog in aanbouw zijnde Nijmeegse wijk Grote Boel, aan de Simone de Beauvoirstraat. De Google-navigatie maakte daar de Simone de Bovierstraat van. Mensen die voor hun beroep mijn straat moesten noteren, vonden het vaak een ‘mooie’ of ‘sjieke’ naam. Een werver van een goed doel vroeg of ik de straatnaam zelf even op zijn formulier wilde invullen. Een DHL-bezorger verwarde mijn straat steevast met de Simon Carmiggelstraat. En onze buurvrouw zei een keer: ‘Wie verzint nu ook zulke namen?’
Tussen de strakke prefab-woonblokken, modderige wegen en aannemersbusjes blijkt literatuur niet meer dan een randverschijnsel.
.
Maar andersom is het soms ook aan dat hand, dat de literatuur ver van de wereld afstaat. Dat merkte ik toen ik enkele secundaire teksten doorspitte over Bouwval, de kleine roman van Frans Kellendonk die zich grotendeels afspeelt in het dorp Alverna. De literatuurkenners die vele jaren na het verschijnen van het verhaal dieper in de materie doken, noteerden verbaasd: ‘Alverna bestaat echt.’
Ja, dat klopt. Alverna bestaat echt. Al een tijdje. Het is een woonplaats, vernoemd naar het Franciscanenklooster dat in 1887 aldaar werd gebouwd. Dat klooster werd weer vernoemd naar een berg in Italië, La Terna. Er ontstond een dorp rondom dat klooster, met een parochie, een voetbalclub, een school en een molen. Aardig feitje: de bewoners zeggen niet dat ze in Alverna wonen, maar op Alverna.
.
Het is typisch dat juist Alverna binnen de literaire wereld lang voor een fictief dorp werd aangezien. Alverna is sinds 1978, een jaar nadat Bouwval uitkwam, op papier namelijk een wijk van Wijchen en daar hebben de inwoners grote moeite mee. Toen de gemeente jaren terug langs de toegangswegen plaatsnaamborden plaatsten waarop stond ‘Wijchen’, werden die borden meteen beklad. De gemeente verving ze voor zogenaamde kom-bordjes met de naam ‘Alverna’.
En dit jaar nog haalde een Alvernese vrouw De Gelderlander omdat ze zich kapot ergerde aan het feit dat het dorp geen eigen postcode heeft.
‘Ik vind het vreselijk dat als je PostNL belt, of de Wehkamp, je te horen krijgt dat je in Wijchen woont,’ aldus die mevrouw. Ze voerde actie om Alverna administratief weer een dorp te laten worden, maar dat blijkt minstens 6.000 euro te kosten.
Het zit ze niet mee, daar in Alverna. Al een tijdje niet. In de biografie van Kellendonk lees ik dat Bouwval bijna een andere titel had gehad: Alverna. Bijna, helaas.
.

Het moge duidelijk zijn, ik heb iets met deze roman. Niet alleen omdat het zo goed in elkaar zit en vanwege de verfijnde stijl, met personages die in enkele scherpe beschrijvingen tot leven worden gewekt (Kroonprins, Aapje, Vader). Ook omdat het, u raadt het al, zich grotendeels afspeelt in Alverna, een dorp dichtbij. Het is een literair incorrect argument, maar ik kan het niet ontkennen, het speelt mee. Sterker nog, in Bouwval vertelt het fascinerende personage Theet Hundertmark – de kromme, oude, plat pratende knecht van Opa – dat hij bij zijn zus in Ewijk gaat wonen.
Ewijk.
‘Ewiek,’ zoals Theet het noemt.
Dat ligt dus naast Beuningen, het dorp waar ik ben opgegroeid. Deze literatuur staat in de wereld, en voor het eerst – en ik heb toch al best wat boeken gelezen – letterlijk in mijn wereld.
Ik zie het als een tornado. Je kent ze uit films, van de journaals, je weet dat het een indrukwekkend en boeiend fenomeen is, maar daar blijft het dan bij. Totdat hij ineens voorbijraast, op een paar honderd meter afstand. Je kunt ’m met eigen ogen aanschouwen. Het is jouw tornado. Een tornado waarin een rammelende studebaker rondtolt, een loods, een betorend negentiende eeuws bouwwerkje, een schilderij, een betonmolen, een waterpomp, een kruiwagen, steigertouw en een betonvloer.
.
Nog dichterbij komt Bouwval als ik kijk naar mijn eigen achtergrond. Opnieuw zo’n literair incorrect argument. Herkenning, wat een vies woord. Ik ben afkomstig uit een boerengezin en daardoor kan ik me goed inleven in het aannemersgezin uit het verhaal. Bedrijf en familie zijn vervlochten met elkaar en elk personage moet zich daar met zijn eigen verwachtingen toe verhouden. Nooit eerder las ik een roman waarin de gevoeligheden van een familie en het familiebedrijf zo treffend voor het voetlicht worden gebracht.
.
Bouwval speelt zich af tijdens Allerzielen. Ik heb daar nooit echt iets mee gehad. Wij gingen vroeger als goede katholieken vast en zeker op die dag naar het kerkhof om een bloemetje neer te leggen, maar dat gebeurde ook op andere, willekeurigere dagen. Aan Allerzielen heb ik geen speciale herinneringen. Dankzij het verhaal van Kellendonk krijgt deze gedenkdag ineens extra betekenis. Met Allerzielen worden niet alleen de overleden familieleden herdacht, het is ook een moment om stil te staan bij je familie an sich, bij je familiegeschiedenis, het bewust zijn van de plek die je inneemt binnen die familie, de schakel die je bent tussen de mensen die voor je zijn geweest en die na je komen, waarbij steeds hetgeen de een bereikt heeft wordt doorgegeven aan de ander, de volgende.
.
Volgende week vrijdag is het Allerzielen. Op die dag pas ik, zoals elke week, op mijn dochters van 1 en 3. Ik moet altijd van tevoren bedenken wat ik met ze ga doen, om de dag een beetje goed door te komen. Dit keer heb ik al plan. Ik rijd met de auto van mijn nieuwe woning in Nijmegen, waar we vanuit de Simone de Beauvoirstraat naartoe zijn verhuisd, naar het kerkhof in Beuningen, het graf van mijn opa en oma. Daar lees ik mijn kinderen voor uit Bouwval. Een fragment over Opa:
‘… daar waar hij praatte over het hoofd van de Kroonprins heen, tegen de muur, of door de muur tegen de weilanden, de spoorbaan, het industrieterrein.’
En dan zegt Opa:
‘De wereld wordt steeds ouder. Je vader is ouder dan ik en jij bent weer ouder dan je vader. En alles vergaat tot stof en alle stof vormt weer lichaam. Zo gaat dat, tot de jongste dag. Evenveel stof vormt steeds meer lichaam, tot stof lichaam is en lichaam stof.’
.
Op het kerkhof leggen mijn dochters en ik een bloemetje en kijken we uit naar een tornado.
.

Jaap Goedegebuure schreef ‘Kellendonk. Een biografie’. Meer info over dit boek >>

‘Bouwval’ is zowel een boek als een verhaal. Het boek bestaat naast het titelverhaal ook uit de verhalen ‘Achter het licht’ en ‘De waarheid en mevrouw Kazinczy’. In mijn voordracht gaat het uiteraard alleen over de kleine roman, oftewel het titelverhaal. Het boek heeft een eigen Wikipedia-pagina, zie hier >>

Een verkorte versie van mijn voordracht verscheen als column in De Gelderlander.