Wanssumse wind – het boekje

.
Mijn columns over de fanfare van Wanssum zijn nu samengebracht in een fraai boekje. Het telt 47 pagina’s en bevat illustraties van alleskunner Sebastiaan Andeweg, die speciaal hiervoor een dag in Wanssum verbleef.
.
Het is te koop! Prijs: 3 euro 50 (incl. verzendkosten). Stuur een mailtje naar willem [at] modderenlijm.nl en het boekje wordt naar je toe gestuurd.
.
Lees hier alvast een column online »
..

Rowwen Hèze lijkt er welhaast een lied over te zingen»

Opgerolde krant

Hoe het begonnen was wisten we niet meer, maar op de achterbank van het bestelbusje streden wij om een opgerolde krant.
Nog 40 kilometer, zei Joeri die de krant stevig geklemd in zijn knuist hield, hopende dat Dennis en ik het op zouden geven.
Het was mistig en nacht. We waren moe, maar vooral opgefokt. De regels waren vastgesteld. Al was dit het laatste wat we deden, die harde, strak opgerolde bijlage, waar je iemand uitstekend mee slaan kon, moest en zou veroverd worden. Het draaide om techniek en tactiek. Je moest snel zijn en een goede timing hebben. Een hele opgave, want Joeri was scherp en verdedigde de krant met zijn leven.
In het begin werd er nog gelachen. We prikten Joeri in de zij in de hoop dat hij mee zou geven en hij sloeg ons grinnikend met de krant om de oren. We streden samen, Dennis en ik. Fluisterend bespraken we onze strategie.
Tot de stemming omsloeg. We hoefden niet meer naar huis. Die opgerolde krant was waar het enkel en alleen om draaide. Iedereen streed voor zich. Ik viel Dennis net zo goed aan. We vlogen op elkaar als wilde dieren. We beten, sloegen, worstelden, knepen elkaars kelen dicht. Er werden stukken van de krant afgescheurd, maar Joeri hield stand.
Achter het stuur zat Kim. Zwijgend. Even twijfelde ze of ze de bus niet aan de kant moest zetten. Maar ze koos ervoor te doen alsof er niets aan de hand was, het moest vanzelf overgaan. We reden verder.
Toen de bus eindelijk stopte en de deur openging, gooide Joeri de krant naar buiten. Hijgend en met bebloede koppen keken we naar de fijngeknepen papieren op de stoep. Niemand ging er achteraan. We waren verslagen, al wisten we niet door wie of wat. Kim stapte als eerste uit.

Er is altijd een begin (met water en thee!)

.
– Voorgedragen tijdens de boekpresentatie van De verjaardagen, het debuut van Hanneke Hendrix, de speech van Dennis vind je hier
.
Dames en heren, Hanneke, Henk,
.
Er is altijd een begin.
En in dit geval is dat: ‘Voor mijn broers.’
Of het is: ‘Het was een frisse zonnige ochtend en de barman hobbelde met een brakke kop over de keien van het plein.’
Of het is: ‘Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt.’
Of het is: ‘Het dorp bestond uit een hoofdweg ingesloten door een klooster aan de ene kant en de kerk aan de andere, met in het midden een heuvel waar de nieuwbouwwoningen tegenop gebouwd waren.’
.
Op mijn boekpresentatie, een half jaar geleden, hield Hanneke een speech. Ergens halverwege zei ze:
‘De eerste keer dat ik Willem ontmoette was toen ik met Lea meeging die moest optreden in Huize Heyendaal.’
Niet alleen bij geliefden is het pijnlijk als zo’n uitspraak in het openbaar niet klopt, dat geldt ook als iemand dit zegt met wie je bevriend bent en die je als schrijver zeer bewondert.
Bij onze eerste ontmoeting was er, als vanzelfsprekend, nog geen sprake van vriendschap. Er was bewondering. Van mijn kant dan, Hanneke kende me nauwelijks. Op het Wintertuinfestival 2007 droeg ze voor. De hele avond wilde ik haar aanspreken, maar pas bij de bar – niet heel vreemd natuurlijk – had ik genoeg moed verzameld. Ik complimenteerde haar, zij maakte een grapje zoals zij dat alleen kan, en het ijs was gebroken. Ik fluisterde dat Michiel Romeijn vlak achter haar stond. Ze keek voorzichtig om en toen weer naar mij. We grinnikten als tienermeisjes. Een bekende Jiskefetter stond daar gewoon een paar meter van ons vandaan een biertje te bestellen, hoe gaaf was dat. Soms is het niet zo moeilijk om vrienden te maken.
.
Een ander begin was mijn eenzijdige kennismaking met Hanneke. Die had ik veel eerder. Ik zat met mijn tante in de zaal bij de prijsuitreiking van de schrijfwedstrijd Write Now! Schuin voor ons zat Hanneke, maar dat wist ik toen nog niet. Ik was zeer gespannen, omdat ik het in mijn hoofd had gehaald dat mijn verhaal weleens kans kon maken. Maar toen er over een theatertekst gesproken werd, wist ik voldoende. Schuin voor me werd een meisje gekust en geknuffeld. Ze liep naar voren. Een piepjonge Hanneke Hendrix, dames en heren.
.
Een vernieuwde eenzijdige kennismaking vond een hele poos later plaats, een paar maanden voor de Michiel Romeijn-ontmoeting op het Wintertuinfestival. Dennis stuurde mij een link: hetmeisjedatopdinsdaghetbierschenkt.nl. Alleen die titel al. Ik las een Hooimanverhaal en nog een en nog een. Toen schoof ik mijn stoel achteruit en dacht: goed, of ik ga dit totaal negeren, of ik stop met schrijven.
Ik heb geen van beiden gedaan. Ik ben HMDODHBS blijven lezen en heb daar veel van opgestoken. Vooral wat betreft stijl. Hoe krijg je snelheid in een verhaal, hoe schakel je soepel over naar een volgende scene, hoe zet je in weinig woorden een karakter neer. Ik ontdekte het effect van het gefragmenteerd schrijven en de kracht van de herhaling. Daar heb je geen Kafka of Tolstoj voor nodig, dat kan met Hanneke. Als ik aan een verhaal wilde beginnen, las ik eerst, om in de stemming te komen, een verhaal op HMDODHBS.
.
Weer een ander begin was een plan, Hanneke’s plan. Ze ontvouwde het in de Paraplufabriek, aan een tafeltje in de Plupub, met veel bier. Het idee van een verhalenbundel. Een boekje met verhalen van ons drieën: Dennis, Hanneke en ik. Een dag later grapten Dennis en ik dat het ‘De hooiman en andere verhalen’ moest gaan heten. Niet omdat Hanneke de aanstichter was, maar omdat wij zodanig onder de indruk waren van haar werk dat we vonden dat dat niveauverschil benadrukt moest worden. Het werd uiteindelijk ‘Het nieuwe zwart’, maar het begon die avond in de Plu, op 25 juni 2008. Dat weet ik omdat ik die nacht nog om twee uur een smsje kreeg van Hanneke, dus op 26 juni 2008. Het is een van de oudste smsjes die ik in mijn supersnelle telefoon heb staan. Sommige dingen moet je bewaren. Hanneke schreef:
.
‘Met water en thee! Ooit zijn we rijk en beroemd… Tot die tijd: de hoop! Slaap goed!’
.
Langzaamaan werden we een soort van clubje. Losvast, eentje zonder teveel verplichtingen. Het nieuwe zwart, Literaturjugend, Waai, whatever. Geef het een naam en wij verzinnen snel iets nieuws. Als je de personen in een groep zou indelen in de categorieën modder en lijm dan hoort Hanneke absoluut bij lijm. Ze smst laat in de nacht: ‘Ik drink nooit meer’, en dan bedoelt ze: ‘Ik voel me nu een dooie hond, maar man, ik kan niet wachten tot het glas weer wordt geheven.’ Als je met haar in de auto Nijmegen binnenrijdt, zegt ze steevast: ‘De Waalbrug is thuuskomme.’ En daarmee bedoelt ze: ‘Ik ken een aardig woordje Nimweegs en dat laat ik graag horen als de stad in zicht is en ik de pijnlijke stilte in deze auto kan doorbreken, we moeten immers nog gaan drinken.’
En als we ergens nadrinken van het drinken na het optreden, verzucht ze: ‘Wat hebben we het toch goed.’ Dan bedoelt ze: ‘Wat hebben we het toch goed.’
Met Hanneke erbij krijgt ons clubje meer kleur op de wangen. Er komt een kleedje op tafel, bloemen, een schemerlamp. En Hanneke zit ergens op de hoek, beentjes over elkaar, sigaretje tussen de vingers, kinnetje iets omhoog, de boel in de gaten te houden. En dan denken wij allemaal: ‘Wat hebben we het toch goed.’
.
En weer was er een begin van iets. Haar naam.
Ooit hebben we haar uit het hoofd kunnen praten dat er A.M.H. Hendrix op de cover zou komen te staan. Wij vonden dat iets te. Je woont in Nijmegen, weet je wel. Maar ergens zijn die initialen niet zo vreemd, want Hanneke heeft iets elegants. Tegelijkertijd is ze ook one of the guys. Hanneke kon in elk geval niet alleen Hanneke blijven als je als schrijvers zoveel met elkaar optrekt. Haar twee bijnamen zijn in dezelfde tijd ontstaan:
– Henk, en de
– Diva van de Nijmeegse en weldra Vaderlandse Letteren.
U mag zelf raden met welke bijnaam ze het meeste moeite had.
Een maand geleden vroeg ze vlak voor een optreden – ik was daar weer eens presentatortje – of ik haar zo niet meer wilde aankondigen. Ik vroeg: ‘Hoe?’ Met de tanden op elkaar zei ze: ‘De Diva van de Nijmeegse en weldra Vaderlandse Letteren’. Ik heb gehoorzaamd. Waarom? Eens heb ik haar Facebook gehacked en een liedje van Marco Borsato op haar tijdlijn gezet. Ik kreeg een high-five-boycot van maar liefst twee en een halve dag. Dat is heftig. Dan kijk je wel uit bij Henk.
.
Nu is daar Henks eerste boek. Eindelijk. Met een flinke stoot adrenaline heb ik De verjaardagen gelezen. Het vertelplezier springt van de pagina’s. Alleen al de woorden botervlaai, zaterdagmiddagwinkel, bakkersvrouw, kersenbier, erlenmeyer, traptractor en oudroze. Ik zie voor me hoe Henk dat met een enorme glimlach en een peuk in de hoek van die lach op haar laptop heeft getikt.
En dorpshavo. Geen dorpsmavo, zoals je misschien zou verwachten, maar dorpshavo, een fraaie, subtiele keuze. O, en Bakkertje Deeg. Leve Bakkertje Deeg! We moeten een fanclub oprichten. Ik had trouwens vroeger ook een traptractor.
.
Henk, ik zat in dat dorp, ik stond in die bakkerij te wachten op mijn brood. Jij kan alles. Je zoomt in, zoomt uit, trekt alle registers open en het klinkt allemaal even goed. En het beklijft. Als je het gelezen hebt, móét je er met iemand over praten. Ik kan daar nog veel meer over zeggen, maar kom op Willem, show don’t tell, lees liever je favoriete passage voor.
.
Mijn favoriete passage:
.
Ze [Lies] dacht aan haar moeders handen, aan de lichte zachte zoenen op haar haar, aan de ademhaling van haar moeder wanneer ze bij haar kwam kijken en Lies deed alsof ze sliep. Lies deed altijd alsof ze sliep. Dat was het fijnst. Dat mogen afluisteren van iemand die denkt dat je er niet bent. Dat je zeker weet dat ze het doen om zichzelf en niet omdat ze denken dat jij dat graag wilt. Die kus plantte haar moeder daar, omdat ze van Lies hield.
.
Pagina 222, dames en heren.
.
We zijn concurrenten nu, Henk, en serieus, ik ben bang dat er daardoor dingen tussen ons veranderen. Misschien helpt het als we terugdenken aan het begin. Met Michiel Romeijn aan de bar. Of in Huize Heyendaal, met die grijze dichter. Voor degene die er niet bij waren: Hij droeg een gedicht voor dat ging over hoe zijn gerimpelde geslacht zich traag ontvouwde terwijl hij naar jonge scholieres keek.
Ik denk dat het helpt als we terugdenken aan het begin. Welk begin dan ook. Dit is een begin. Er is altijd een begin. We zijn vrienden en collega’s en ik hoop dat dat zo mag blijven. Ik gun je alle succes van de wereld. Tenminste, als je me nog eens noemt in literair tijdschrift P.
.
Henk, ik wens je veel verkochte Verjaardagen en een heule lange schrijverscarriere! Met water en thee!
.
En dan wil ik graag eindigen met de ‘Nul woorden tellende omschrijving van het gevoel van de dag’…
.
[zoiets!]
.
.
Het boek van Hanneke is o.a. hier te koop. En dit is de geweldige booktrailer die erbij hoort, gemaakt door Torre Florim (De Staat):

Hoe het koper zich uitrolt

Ik ben bij een concert van Kapok, een jazztrio met hoornist Morris Kliphuis, en ik kan eindelijk zeggen: ‘Dat ding dus.’
.
Vijftien jaar heb ik hoorn gespeeld. Altijd moet ik uitleggen wat voor een instrument het precies is. Ze zeggen dat ze een vermoeden hebben, maar of ik het toch nog even kan omschrijven. Ik beeld het uit. In mijn lege handen hou ik de hoorn vast. Dit is voor mij duidelijk genoeg, ik zie het helemaal voor me. Vijftien jaar heb ik ‘m zo vastgehouden, wekelijks, soms dagelijks. De vingers van mijn linkerhand op de ventielen, de rechterhand in een kommetje tegen de rand van de kelk. Ik ken het formaat en het gewicht, ook al is het vijf jaar geleden dat ik ‘m voor het laatst heb vastgehouden.
Ik zie ze kijken.
Ze zeggen te snappen welk instrument ik bedoel, maar ik weet dat het niet zo is. De hoorn blijft een onbekende. Ze denken aan een tuba of een trombone. Ik gebaar met mijn handen hoe het koper zich uitrolt. Ik vertel dat je de hoorn er bovenuit hoort schallen bij het logofilmpje van Columbia Pictures, aan het begin van de film. Of richting het eind bij The Lord of The Rings, Indiana Jones, als de spanning flink wordt opgevoerd.
Dat ding dus.
En weer wordt er geknikt en ik weet dat ze echt geen flauw benul hebben. Waarschijnlijk denken ze nu aan een trompet.
.
Ik kijk naar Kliphuis, de enige jazzhoornist van Europa, en geniet van het schijnbare gemak waarmee hij de zaal vult met het geluid van de hoorn. Hij is iel en tamelijk klein, ik weet niet hoe hij dat doet met zijn longen. Ik herinner me nog hoe vermoeiend het was, dat diep inademen vanuit de buik om die lucht vervolgens geleidelijk in het instrument te blazen. Daar kreeg het een mooie, ronde klank van.
.
Kliphuis haalt de hoorn van zijn mond. Hij schudt en draait het instrument in zijn handen. Water. Dat is funest. Het instrument wordt een pruttelend koffieapparaat als je het erin laat zitten. Er zit een soort kraantje op, maar dat is niet voldoende, daarmee worden niet alle buizen geleegd. Schudden en draaien, want dat water is een gevaar. Net als te weinig lucht. Dat ga je horen.
.
Maar dat ding dus.
Ik wijs naar Kliphuis. Nu weten ze wat ik bedoel. Ze luisteren en zijn onder de indruk.
‘Mis je het spelen niet?’ vragen ze.
‘Nee.’
Dat begrijpen ze niet en dat vind ik dan weer mooi.

Omhoog/omlaag

We zitten in het schemerdonker op het dakterras van Pascal. Als we omlaag kijken hebben we zicht op de benedenstad, kijken we omhoog dan zien we de sterrenhemel.
Aram vraagt of ik geloof, of dat ik agnostisch of atheïstisch ben. Hij stelt die vraag aan iedereen, één voor één, hij is rechts begonnen.
Ik zeg dat ik het niet weet.
‘Dan ben je agnostisch,’ zegt hij.
Iedereen rookt, behalve Aram en ik.
Het gesprek komt op het heelal. Er schijnt in de jaren 70 een heel goeie documentaire over te zijn gemaakt. Aram heeft ‘m gezien. Erik ook. Pascal schrijft ‘m op in zijn telefoon.
Joeri zou het liefst een keer op de achterkant van de maan lopen, bekent hij. Daar moet één bundeling van licht te zien zijn, want daar heb je zicht op het volledige sterrenstelsel. Of zoiets.
Erik gaat met ‘m mee.
Aram twijfelt of het wel klopt.
Ik kijk naar een hoog gebouw dat in de benedenstad tussen de huizen staat. Het is een oud bakstenen geval zonder ramen en deuren. Op het dak staat een antenne. Elke keer als we hier zitten, begint iemand erover. Nu is dat Pascal zelf. Hij zegt dat het er alleen nog staat omdat het niet gesloopt kan worden. Dat is al eens eerder gezegd, maar dan door iemand anders. Joeri zegt dat het wel gesloopt kan worden. Aram zwijgt. Door het donker kan ik niet zien waar hij naar kijkt.
Erik staat op en knijpt een leeg blikje bier in elkaar. Dan gooit hij het richting het gebouw. Het belandt op het dak van het huis dat ervoor staat.
‘Bier?’ vraagt hij terwijl hij naar Pascals kamer loopt.
Iedereen zegt ja, behalve Aram.
Als we de stad ingaan – drie trappen omlaag en dan vierhonderd meter tot het eerste café – is Aram verdwenen. Een oude man komt wankelend het café uit.

Niet gezien

Ze was in Italië geweest en stond bij de toren van Pisa toen een man daarvan af sprong. Hij rende rondjes op de hoogste verdieping. Beneden keek iedereen naar deze gek. Tot hij ineens ‘ti amo’ schreeuwde en in de lucht stapte. ‘Ik keek weg, ik dacht er niet bij na, het ging automatisch. De anderen om me heen keken ook weg,’ vertelde ze. Ze hoorde hoe tientallen meters verderop zijn lichaam tegen de grond smakte. De aarde bewoog even. ‘Ik ben heel blij dat ik het niet heb gezien.’
Ik zette daar een verhaal tegenover, omdat er nu eenmaal de menselijke neiging bestaat om op een verhaal te reageren met een eigen verhaal. Liefst groter, sterker, erger of op z’n minst even erg. Het is niet mijn favoriete menselijke neiging.
Ik had een verhaal dat niet in de buurt kwam, toch wilde ik het vertellen. Ik was aan het zappen toen er Spaanse film voorbij kwam. Ik bleef hangen. Ik was gefascineerd door het vreemde gedrag van de hoofdpersonage, een vrouw van in de dertig. Op een gegeven moment lag ze zomaar op de grond te kermen. Een jammerklacht dat door merg en been ging, van bovenaf gefilmd. Voor mijn gevoel ging het minutenlang door. Het kon niet anders dan met de dood te maken hebben. Ik deed mijn best, maar hield het niet vol. Ik zette de tv uit, keek uit het raam, naar het licht bij de overburen.
Naar een gek kun je kijken, naar wanhoop niet – dan kijk je weg.

Typemachine

Veertien jaar geleden kocht mijn zus een typemachine op de rommelmarkt omdat ze blind wilde leren typen. Toen we laatst bij mijn ouders aan het opruimen waren kwam de machine ineens tevoorschijn. Hij zat in een koffer. Mijn zus zei dat het misschien iets voor mij was.
‘Omdat je schrijft. Een keer wat anders.’
Ik opende de koffer. Op de schrijfrol zat een A4’tje. Mijn zus las mee.
.

jjj fff jjj fff fjf fjf fjf ddd kkk jaffa jas kaas kas klas jak

Na vijf regels hield dit op.
‘Ik heb geen geduld. Toen niet, nu niet,’ zei mijn zus.
Een stuk lager stond weer iets.
.

Ik ben Marieke, ik ben achttien jaar en ben net begonnen met mijn eerste typeles.
valt dat even tegen. stom er zit niet eens een uitroepteken op deze typemachine. nog
zo’n tegenvaller.
ik ben net een cd van sinead o’conner gekocht.

‘Sinéad O’Connor,’ zei mijn zus. ‘Daar heb ik helemaal geen cd van. Nooit gehad ook, geloof ik tenminste.’
Een velletje van veertien jaar geleden op een nog oudere typemachine vertelde dat mijn zus een cd had of heeft gehad van Sinéad O’Connor.
‘Ik moet even aan het idee wennen,’ zei mijn zus.
We lazen verder. Mijn zus van veertien jaar geleden had de capslock op de typemachine ontdekt.
.

VANDAAG HEB IK NOG EEN COMPLIMENTJE GEKREGEN OVER M’N BROEK VAN KUSJE.

‘Kusje?’ vroeg ik.
‘Ja, zo noemde ik haar.’
‘Vera?’
‘Vera ja.’
‘Was zij het eerste meisje waar je verliefd op was?’
‘De eerste bij wie het bewust was. Ik vond meisjes al langer leuk, maar dat besefte ik toen nog niet.’
Drie jaar nadat ze op deze typemachine over ‘kusje’ had geschreven vertelde ze mij dat ze op meisjes viel. Ik hoorde het net iets eerder dan mijn ouders, waar ik op een bepaalde manier gevleid door was.
‘Nu mag jij op dat ding gaan schrijven,’ zei ze.
Mijn zus wilde het papier uit de machine halen. Ik hield haar tegen.
‘Wil je ’m niet?’
‘Jawel. Maar ik haal dat er wel uit als ik thuis ben.’
Ik stopte de typemachine terug in de koffer en zette ’m weg. We gingen weer verder met opruimen.
Thuis heb ik de koffer in een hoek van de kamer gezet. Ik heb hem nog niet geopend. Ik twijfel of ik dat wel wil. Mijn zus van veertien jaar geleden zit er in.

Kippenkontje

Ik liep met Elske, een vriendin die drie straten verder woont, een willekeurig rondje door de stad. We hadden het over het vel van oude mensen. Ik vertelde haar over het kippenkontje dat ik geleerd heb van mijn oma. We stopten even. Ik deed het voor bij haar. Op haar arm pakte ik met duim en wijsvinger een stukje vel en tilde dat omhoog. Met mijn andere duim en wijsvinger deed ik iets verderop hetzelfde. De twee velletjes duwde ik naar elkaar toe.
Elske vond het grappig, maar ook vies omdat het een kippenkontje voor moest stellen. Ik dacht aan mijn oma, ze is acht jaar dood. Je kon goede kippenkontjes op haar armen maken. Ik heb nooit letterlijk aan een kippenkont gedacht terwijl ik aan haar vel zat.
De oma van Elske leeft nog. Laatst was Elske op bezoek bij haar. Ze was achter de stoel van haar oma gaan staan en had lange tijd zachtjes over haar rug gewreven, in cirkeltjes. Dit ging in stilte, terwijl aan tafel een gesprek gaande was. Elske stelde zich voor dat fysiek contact haar oma goed zou doen. Haar oma was al behoorlijk wat jaren weduwe, misschien was ze na de dood van haar man nooit meer zo lang aangeraakt. Maar na een tijdje wrijven zei haar oma ineens: ‘Schei d’r nou es mee uit!’
‘Zoiets kan ook als gepluk aan je lijf voelen,’ zei ik terwijl we de weg overstaken.
Elske knikte.
‘Misschien is het een generatiekloof.’
Er reed een motor voorbij. We waren bijna bij het beginpunt.
‘Later krijgen we ook van dat losse vel,’ zei ze.
Die gedachte maakte me voor even heel gelukkig. Kippenkontjes. Ik kon nauwelijks wachten.