Kiezen voor John Metgod

“Sommige filosofen beweren dat de kern van de menselijke conditie eruit bestaat dat men gedwongen is tragische keuzes te maken. Willem Claassen maakte op jonge leeftijd zo’n keuze: die voor Feyenoord, en in het bijzonder voor John Metgod, een lelijke centrale verdediger.”
.
Vanavond begint een nieuw seizoen. Vandaar een verhaal over voetbal op het online-tijdschrift hard//hoofd.
Lees het hier.

Zomer

Elke keer als er een brommer onder mijn raam voorbij rijdt, denk ik dat mijn telefoon trilt. Mijn onderbuurman zie ik iedere dag in een korte broek en witte sokken en met een racket op zijn rug wegfietsen. Op tv worden bijna alleen nog ondertitelde of nagesynchroniseerde kinderprogramma’s uitgezonden. Er zweven vliegjes boven mijn afvalbak. Mijn planten zijn verdord. Mijn cola is op. Een stuk kaas heb ik moeten weggooien. Ik heb een nieuwe zonnebril, maar die vergeet ik op te zetten als ik eindelijk eens naar buiten ga.

Die nacht

Die nacht liep ik door het centrum van de stad. Ik kwam langs cafés die andere namen hadden gekregen, maar waar dezelfde muziek uit kwam. Ik herinnerde me de nachten dat ik beschonken buiten had gestaan, nakletsend, mijn vrienden gedag zeggend, en dan niet naar huis willen gaan. Ik heb meer uren doorgebracht voor cafés dan er in. Mijn lach had door de straat geëchood, ik hoorde het weer. Ik liep langs plekken waar ik had gewoond. Ik dacht aan de huisbazen, stuk voor stuk klootzakken, zonder uitzondering. Eentje had me een keer midden in de nacht geslagen toen ik thuiskwam. Ik opende de deur, hij stond in het halletje en sloeg me met een vuist vol in het gezicht. ‘Ik heb je!’ schreeuwde hij. Hij was dronken van zijn eigen kroeg. Toen ik later bij hem verhaal haalde, zei hij dat hij dat niet had gedaan. Dat ik me maar wat verbeeldde. Dat ik waarschijnlijk te dronken was geweest om me er iets van te herinneren. Daar moest ik aan denken, toen ik door de stad, mijn stad, liep. Op een hoek waar ik duizenden keren voorbij was gekomen, ging ik op de stoep zitten. Ik keek naar de straatstenen. Met een hand ging ik langs de geultjes tussen de stenen. Een meisje liep tegen me aan. Ze had een dun jurkje en begon te giechelen. Ik had haar vast willen grijpen, ik had haar mijn verhalen willen vertellen. Maar ze liep door, een beetje zigzaggend, en ik mompelde tegen het donker dat het goed was, al wist ik wel beter.

Strak en hard//hoofd

Twee publicaties kort na elkaar, eentje op papier en eentje on-line.
.

In Strak, het fraaie blad van Elfie Tromp en Jeroen Aalbers, staat mijn korte verhaal De overkant over drie jongens die op iets wachten in een huis dat nog niet af is. Met een fraaie afbeelding van Menno Bouma. Je koopt Strak hier.
.
Op het online tijdschrift hard//hoofd vind je het verhaal Verdwijnen. Wat hebben de zangeres van Ace of Base en de zus van Rob met elkaar gemeen? Dat lees je hier.
.

De intocht (4)

Toen ik in het centrum van Nijmegen woonde, heb ik de intocht min of meer nog een keer gelopen. Nu achter het publiek langs. Eigenlijk twee keer, heen en terug. Met mijn familie had ik afgesproken ter hoogte van Brakkestein. Daar zouden we mijn moeder begroeten. De heenweg naar Brakkestein, tegen de keer in, ging betrekkelijk snel. Het was nog vroeg in de ochtend. Met een bosje gladiolen liep ik achter tribunes, tuinstoelen en geluidinstallaties. Het hele circus was al in werking, maar nog niet op volle kracht. Dat was op de terugweg wel anders. Laat op de middag – mijn moeder had de gladiolen in ontvangst genomen en ik had nog wat biertjes achterover geslagen – wilde ik weer terug naar mijn studentenkamer. Hoewel ik flink door probeerde te lopen, duurde deze tocht meer dan een uur. Steeds werd ik opgehouden. Een paar keer moest ik een zijstraat in en dan een stuk via een parallel gelegen weg, anders zou ik nooit thuis komen. Wat me opviel was dat er ook Vierdaagsewandelaars waren – gemakkelijk te herkennen aan outfit en lastig loopje – die voor deze schaduwweg kozen. Ik kon me voorstellen dat ze met al hun vermoeidheid genoeg hadden van het feestgedruis en nu gewoon zonder veel gedoe de finish over wilden. Van de andere kant: dit was toch waar vier dagen lang geleidelijk aan naartoe was gewerkt? Het hoogtepunt, de extase, een groter podium voor een wandelaar ondenkbaar? Maar daar liepen ze, stilletjes achter duizenden ruggen langs, luisterend naar het gedempte gejoel. Ik moest oppassen dat ik ze niet op de hakken trapte.
.
Ik bel Wilma Nieuw.
‘Dit nummer is niet bereikbaar. U wordt doorgeschakeld.’
Voicemail.
Het telefoonverkeer ligt traditiegetrouw plat tijdens de intocht. Sms-en en voicemails komen pas halve dagen later aan.Wandelaars wordt succes gewenst met de laatste loodjes, terwijl ze al lang en breed over de eindstreep zijn, een medaille op de borst.
Toch probeer ik het nog een keer. Weer voicemail. Ik spreek in. Voor de zekerheid op haar volume.
‘HA MAM, IK DENK DAT DE KANS ZEER GROOT IS DAT IK JE MAG FELICITEREN. KRIJG JE EEN MEDAILLE OF EEN SPELDJE BIJ DE DERTIENDE KEER? EN HOE WAS DE INTOCHT? HEB JE ER NOG IETS SPECIAALS VOOR AANGETROKKEN? WAREN DE BLOEMEN EEN BEETJE TE DRAGEN DAT HELE STUK OF WAREN HET ER NIET ZO VEEL? GOED, IK ZIE JE SNEL. ALS JE UITGERUST BENT. DAN JOEL IK LIVE VOOR JE.’
Later zie ik dat een gemiste oproep heb van mijn moeder. Ze heeft iets ingesproken.
‘IK ZIT NOG OP DE WEDREN EN PAK EEN PILSJE WANT WE HEBBEN HET GEHAALD. HET IS HARTSTIKKE MOOI WEER EN ER WAS GOEIE MUZIEK. DUS ALS JE NOG IETS MOET WETEN, MOET JE MAAR BELLEN MAAR DOE DAT MAAR WAT LATER. OKE, GROETJES.’
.
Geschreven voor Waai Live Zine. We stonden vier dagen op festival Habana in Lent. Elke dag presenteerden we om 19.30 uur een nieuw zine. Kostte slechts een eurootje. Maar dit was de laatste…

De intocht (3)

Ik liep vier keer de Vierdaagse en dertien keer de intocht. Van mijn negen ongeldige intochten was er eentje samen met mijn moeder en waren er acht in een donkerblauw uniform. De Beuningse fanfare marcheerde ter hoogte van de Intratuin in Malden de St. Anna op. Je bent lid van een vereniging en daar horen plichten bij. Onze voorzitter hamerde daar elk jaar op. Een plicht was precies de juiste formulering voor deze activiteit. Meestal was het snikheet op de dag van de intocht. De jassen met goudkleurige stiksels konden we niet uitdoen, want iedereen droeg een ander soort overhemd. Korte mouw, lange mouw, met of zonder schouderpand. Het zou geen gezicht zijn. En dus brandde de zon op je pet, jasje en pantalon. Alles jeukte. Niet vreemd dat verschillende muzikanten het af lieten weten. Het was uiteindelijk maar een mager orkestje dat tussen de wandelaars marcheerde. Een man met microfoon langs de kant noemde alles wat voorbij kwam. Wij waren ‘het fanfaretje uit Beuningen’. Bij mijn zevende intocht in uniform keek ik bij de finish naar het bezwete hoofd van de muzikant die naast me had gelopen en met wie ik bevriend was. ‘Nooit meer,’ sprak hij vermoeid maar beslist, terwijl hij zijn trompet opborg. ‘Nooit meer,’ zei ik. Het volgende jaar hoempapadeten we weer mee.
.
Ik bel Wilma Nieuw. Voicemail. De tweede keer neemt ze op.
‘WE LOPEN NU NAAR DE AUTO OM NAAR HUIS TE GAAN.’
Ik vraag hoe het is gegaan vandaag.
‘JA, NAT HE. HAGEL EN WINDSTOTEN EN SOMS ZONNESCHIJN. HET WAS JASJE AAN JASJE UIT. IN BERG EN DAL LIEPEN DE PUTJES OVER. TOEN KREEG IK NATTE SCHOENEN.’
Kon ze daar wel mee verder lopen?
‘JA HOOR. NIKS AAN DE HAND. IK HEB NERGENS LAST VAN.’
Ik vraag of er met dit slechte weer wel muziek langs de kant was.
‘GENOEG MUZIEK. ORKESTEN EN OP BAND. JAN SMIT. ALS DE ZON VERDWIJNT OF ZOIETS. OP DE MEESTE DINGEN KUNNEN GOED LOPEN. ALLEEN DIE MUZIEK WAARBIJ HET STEEDS LIJKT ALSOF DE PLAAT BLIJFT HANGEN, DAAR IS NIET OP TE LOPEN.’
Welke muziek bedoel je? vraag ik. Ik hoor haar overleggen met Mieke.
‘OJA, HOUSEMUZIEK. DA’S NIET TE DOEN.’
.
Geschreven voor Waai Live Zine. We staan vier dagen op festival Habana in Lent. Elke dag presenteren we om 19.30 uur een nieuw zine. Kost slechts een eurootje.

De intocht (2)

Tijdens mijn eerste echte intocht – 12 jaar, 30 kilometer – droeg ik een shirt van Feyenoord. Mijn twee vrienden liepen in een shirt van Ajax en PSV. Bij de laatste rustpauze in Malden hadden we ons omgekleed: onopvallend shirt uit, voetbalshirt aan. Zo’n stunt is altijd het idee van ouders, in dit geval de vader van de Ajacied. Ik had er zelf niet aan gedacht dat je op moest vallen tijdens de intocht. Het had natuurlijk wel iets, zo naast elkaar lopen in de tenues van de top drie. Er werden foto’s van ons gemaakt. Toeschouwers riepen hun voorkeur. We turfden. Ajax won met grote voorsprong, Feyenoord en PSV ontliepen elkaar niet veel en NEC werd ook vaak geroepen, als outsider. We deden ons best er iets van te maken. Soms liepen we gearmd, soms deden we alsof we ruzie met elkaar hadden. Maar het was vooral een heel ongemakkelijke situatie. We lachten wat, maakten stomme opmerkingen. De intocht was een podium waar je niet van af kon stappen. Je moest doorlopen om het te laten eindigen. Toen we eindelijk bij de finish waren, wisselden we de voetbalshirts meteen voor de onopvallende shirts. Nog voor we onze eerste medaille hadden. Bij de drie intochten die volgden – twee keer 30, één keer 40, de PSV’er was er niet meer bij – bleef het Feyenoord-shirt, en al mijn andere in het oog springende shirts, in de kast.
.
Ik bel Wilma Nieuw. Twee keer voicemail. Ik wacht een half uur. Weer voicemail. Ik wacht een uur. Mijn moeder neemt op.
‘HET GAAT PRIMA. WE ZIJN NU OP DE VOERWEG, DUS NOG MAAR EEN KLEIN STUKJE. OP DE WAALKADE RIEP IEMAND: DOE RUSTIG AAN, JE HEBT TOT VIJF UUR BETAALD. LEUK HE.’
Ik vraag hoe het in Beuningen was. Ik kan me voorstellen dat het lopen door ons dorp al een soort intocht voor haar is.
‘JA, HEEL GEZELLIG. DE HELE FAMILIE ZAT ER NATUURLIJK. OOK IN WIJCHEN VEEL BEKENDEN.’
Er wordt in haar buurt gezongen. Mijn moeder doet mee.
‘WIJ ZIJN ER BIJNA!’
En hoe is het met de voeten?
‘EEN BEETJE SPIERPIJN, MAAR BETER DAN GISTEREN. TOEN HAD IK LAST VAN MIJN TENEN, MOEST IK EVEN ZITTEN, SCHOENEN UIT EN DAN NA VIJF MINUTEN WEER VERDER.’
En de hoeveelste keer is dit nu?
‘DE DERTIENDE.’
Dan valt ze weg. Ik bel opnieuw, maar de T-Mobile-stem zegt dat het nummer dat ik probeer te bellen geen bereik heeft.
.
Geschreven voor Waai Live Zine. We staan vier dagen op festival Habana in Lent. Elke dag presenteren we om 19.30 uur een nieuw zine. Kost slechts een eurootje.

De intocht (1)

Op mijn negende liep ik mijn eerste intocht. Het was de tweede of derde keer dat mijn moeder de eindstreep van de Vierdaagse zou halen. Ik stond haar ergens achter het Radboudziekenhuis op te wachten met een bos gladiolen. Ze stelde voor dat ik met haar meeliep naar de Vereeniging, dat was destijds de finish. Ik kreeg de helft van de gladiolen in mijn handen gedrukt en daar gingen we. In het begin vond ik het wel wat. De massa langs de kant, het applaus, de muziek. Het was alsof je op een podium stond. Maar na een kilometer of wat besefte ik dat dit alles niet voor mij was. Ik had de neiging om steeds opzij te kijken en met het publiek mee te klappen. Ik voelde me een huichelaar. Maar bij de Vereeniging had ik wel last van mijn benen.
.
Ik bel Wilma Nieuw. Twee keer voicemail. Dan neemt ze op. Mijn moeder heeft het ‘HELEMAAL ONDER CONTROLE.’ Op de achtergrond hoor ik Mieke, de vriendin met wie ze loopt, roepen. Ze zijn ter hoogte van het park waar ik een boek over heb geschreven. ‘WE HADDEN HET NET OVER JE.’ Dan valt mijn moeder weg. Ik bel haar opnieuw. ‘JE VADER LOOPT OOK EEN DAGJE MEE. HIJ DOET HET HEEL GOED.’ Ik vraag of ze ook mindere momenten heeft gehad vandaag. ‘AF EN TOE HEB JE EEN INZINKING. DAN ZEG JE EVEN NIETS EN GA JE LANGZAMER LOPEN. TOT HET OVER IS EN DAN ZIE JE ELKAAR OP EEN GEGEVEN MOMENT WEER.’ En blaren? ‘GEEN BLAREN, VOLGENS MIJ. IK HEB NOG NIET GEKEKEN. ZAL IK JE VADER EVEN GEVEN?’ Mijn vader kan me niet verstaan. Ik krijg mijn moeder weer. Ze vertelt wat ze heeft gegeten. ‘EN NU WEER ZINGEN!’ Ze begint te zingen en hangt dan op. Ik ben vergeten te vragen voor de hoeveelste keer ze loopt. Voor mijn gevoel is het haar duizendste keer.
.
Geschreven voor Waai Live Zine. We staan vier dagen op festival Habana in Lent. Elke dag presenteren we om 19.30 uur een nieuw zine. Kost slechts een eurootje.

Michael Jackson


.
Ik stond aan de rand van de dansvloer en bewoog een beetje. Naast me zat een meisje op een verhoging. Ik zei tegen haar dat dat eigenlijk niet kon, zitten terwijl Michael Jackson wordt gedraaid. Ze zei dat ik daar gelijk in had, maar ze kwam niet in beweging. Ik zei dat het van de andere kant ook wel weer schandelijk was, al die mensen die hier dansen op Beat it terwijl hun halfbakken pasjes ronduit beledigend zijn voor de zanger, zijn muziek en zijn moves. Dan kun je beter zitten. Ik nam een slok van mijn bier en volgde de ogen van het meisje de zaal in. Als je daaraan denkt, zei ik, wordt dit danscafé een treurig amateuristisch geheel. Het meisje knikte. Ze was mooi. Ze kon een fotomodel zijn. En ze was jong, iedereen was hier jong. Toen ik haar leeftijd had, durfde ik geen meisjes aan te spreken. Nu durf ik dat wel, vooral als ik gedronken heb. Ook dat was iets treurigs binnen dit treurige geheel.
Beat it kwam ten einde. Het was al laat, buiten begon het ongetwijfeld licht te worden, maar dat betekende niet dat het hier zou stoppen. Het meisje stond op en ging verderop bij haar vriendinnen staan. Niet veel later zag ik dat een wat gladde jongen haar had opgezocht. Hij fluisterde iets in haar oor en zij lachte. Dansen deed ze niet.

Het been

Mijn tante heeft sinds enige tijd last van haar linkerbeen. Overdag gaat het wel, maar ’s nachts, als het been stil ligt, doet het veel pijn. Het komt van binnenuit. Ze wordt er een paar keer wakker van en als ze ’s morgens opstaat lijkt het alsof het been verlamd is. Ze is ervoor naar het ziekenhuis geweest, maar daar kunnen ze nog niet zeggen wat het is. ‘Heel gek,’ heeft de specialist gezegd. Het enige wat hij er op dit moment over kan melden, is dat het een zeldzaam geval betreft. Dat het maar om één been gaat en niet allebei vindt hij ook ‘heel gek’. Hij heeft er geen middeltje voor, ook niet om de pijn te verlichten. Mijn tante heeft vaker lichamelijke klachten waarbij de specialisten haar niet kunnen vertellen wat er aan de hand is. Dat frustreert. Het niet-weten verdubbelt het leed. ‘Als ik de rest van mijn leven met deze pijn moet doen, vind ik dat prima. Maar dan wil ik er wel zeker van zijn dat het niet erger wordt, of dat er iets anders aan de hand is.’
.
Gisteren dacht mijn tante dat ze moest werken. Ze geeft bezigheidstherapie aan verstandelijk gehandicapten die net zelfstandig kunnen wonen. Toen ze op haar werkplek kwam, werd ze raar aangekeken. Er was iets niet goed gegaan met het rooster en ze bleek nog een extra week vakantie te hebben. Van een van haar cliënten, een stevige vrouw van vijfenveertig, bleek een been te zijn geamputeerd. Mijn tante schrok toen ze haar zag. Ze had het niet meegekregen. De vrouw was de laatste tijd al verschillende keren geopereerd aan het been. Het hielp niets, de pijn kwam steeds terug, tot de vrouw het genoeg vond en om amputatie vroeg. Nu moest ze naar het ziekenhuis om de wond te verschonen. Ze lachte naar mijn tante en vroeg of ze met haar mee wilde gaan. Mijn tante kon geen nee zeggen. Een uur later zaten ze in de wachtruimte. De vrouw had moeite met de specialist die de wond verschoonde. De specialist was heel serieus, er kon geen grapje van af, terwijl de vrouw juist behoefte had aan grapjes. De wond werd verschoond, de vrouw zei niets. Mijn tante had een andere kant op kunnen kijken, maar kon het niet laten. Het stompje zag er best goed uit. Toen de specialist weg was, zei de vrouw tegen mijn tante dat ze een andere specialist wilde. Mijn tante gaf het door aan een co-assistent die ze op de gang tegen kwamen. ‘Komt u even mee,’ zei de co-assistent en mijn tante ging met haar mee, terwijl de vrouw in de gang wachtte. Er werd overlegd met de betreffende specialist. De vrouw zou de volgende keer als de wond schoongemaakt moest worden een andere specialist krijgen, zo werd besloten. Mijn tante bracht de vrouw naar huis en toen kon haar extra week vakantie eindelijk beginnen. ’s Nachts werd ze weer wakker van haar linkerbeen.