Veestapel

Mijn vader heeft koeien. Als we vroeger met de auto ergens naartoe gingen – nooit ver weg, want een boer houdt niet van ver weg – kwamen we vaak met een kleine omweg terug. Mijn vader had destijds vier of vijf weilanden die niet bij onze boederij lagen, dankzij de ruilverkaveling. ‘Even kijken hoe het er bij ligt.’ Hij vroeg mij het jongvee te tellen. Dat is een paar keer leuk. Op een zondagmiddag, mijn vader had bijna ongemerkt een omweg gemaakt, bleef ik stoïcijns naar mijn stripboek kijken en noemde een willekeurig getal. Mijn vader draaide verschrikt om, ik lachte. Voortaan maakte hij speciale ritjes om alleen naar zijn vaarzen te kijken.
.
Op Terschelling zie ik paarden met rare vlekken die op koeien lijken. Laat op de avond fiets ik langs een weiland vol schapen. Ze staan stil, waardoor ze in de schemer iets weghebben van gipsen tuinbeelden. Ik denk aan mijn vader en al die ritjes die hij in z’n eentje heeft gemaakt. De volgende ochtend wil ik koeien gaan tellen, maar het zijn er te veel.
.

Schoenen

Ik kwam een schoenenzaak binnen en vroeg naar gympen van maat 13.
‘O, jij bent die gast,’ zei de verkoper, een jongen met een opgeschoren kop.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik hoorde het van hiernaast. Daar was je een paar dagen geleden, toch? Ze hadden het over iemand met maatje 13. Je was al vier winkels af geweest. En toen hebben ze je naar hier verwezen.’
Hij glimlachte.
‘Ja, dat klopt,’ zei ik. ‘Ze hebben nergens iets in mijn maat. Ik had zaterdag geen tijd meer om verder te zoeken. Maar jullie hebben dus iets in maat 13?’
Dankzij mijn rondgang langs al die schoenenzaken wist ik dat ik 13 moest hebben, oftewel 46 en een half. Gympen vallen kleiner uit. Bij maat 12 drukken de tenen van mijn rechtervoet tegen de voorkant van de schoen.
‘Het spijt me,’ zei hij. ‘We hebben ook niets meer in 13.’
Hij stond daar met zijn armen over elkaar en keek me met iets van medelijden aan.
‘Ik ben geen reus. Ik heb altijd schoenen kunnen kopen. Ook gympen.’
De jongen knikte, maar zei niets.
‘Ik ben toch geen reus?’ vroeg ik.
‘Nee, dat ben je niet. Het is de crisis.’
‘Crisis? Zijn er geen schoenen in mijn maat vanwege de crisis? En al die andere schoenen dan?’
Hij knikte weer, alsof hij het met me eens was. Maar ik stelde alleen vragen.
‘Kunnen jullie ze niet bestellen?’
Hij ging het navragen. Even later kwam hij terug. Hij had zo’n loopje alsof iemand zijn achillespees met een mes had bewerkt. Maar hij klonk aardig, en keurig.
‘De nieuwe schoenen komen voor de winter.’
‘En wanneer precies?’
‘Dat is onduidelijk. In juli, augustus of september.’
‘Maar dat is geen winter.’
‘Mensen kopen dan schoenen vóór de winter.’
Ik knikte maar. Ik keek naar de wand die vol met schoenen hing en toen weer naar de jongen.
‘Je kunt het beste later een keer terugkomen,’ zei hij.
‘Maar wanneer dan?’
‘Nou, in juli, augustus of september.’

Gelukzalig

Ik zat in de bus, lijn 85, langs allerlei gehuchten op weg naar mijn zus en ik voelde me een idioot. Ik had een veel te dikke trui aan en was de enige in die volle bus die een boek las. Een boek uit 1916 nog wel. Ik had alle reden om me een idioot te voelen.
.
Er is iets met het boek dat ik las, Pallieter van Felix Timmermans. Geen conflict, nauwelijks ontwikkeling. Sterker, ik heb nog nooit zo’n gelukzalig verhaal gelezen. En dan bedoel ik niet dat ik er gelukkig van werd, al werd ik dat wel. Ik bedoel dat de personages gelukkig zijn en dat daar helemaal niets achter schuilt, nog geen druppel ironie. Het draait juist om dat geluk. Op de achterflap wordt het boek ‘een lofzang op het teruggevonden leven’ genoemd. Een fragment, pagina 6:
.
“Als er in het oosten een klaarte bibberde en er een haan had gekraaid, wipte Pallieter uit zijn bed, trok zijn hemd uit en liep in zijn blote flikker naar de Nethe. Over de grond en tussen de bomen hing een grijze smoor. Het was heel stil, het gers woog zwaar van de koele dauw en van de bomen vielen grote lekken.
Hij liep en sprong zomaar rats het hoge water in, duikelde onder en kwam weer blinkend van water en geluk, naar asem scheppend, in het midden boven. De waterkoelte deed het bloed in zijn lijf opspringen, het deed hem deugd, en hij lachte.
Hij zwom tegen tij in, liet zich op zijn rug terugdrijven, duikelde, zwom op zijn hondekes, draaide en spertelde en stampte met armen en benen, dat het water sloeg en klotste en ’t lis en ’t jonge riet deed buigen en wiegen.
Allengskensaan met het vergroten van het licht waren de nevels dikker en witter gegroeid en hadden ze onvoorziens heel het land ingewikkeld. Fijn vogelengefluit regende nu uit de onzichtbare bomen, en de nieuwgemaakte bloemenreuken dreven met heelder kladden door de mist.
En ginder over de Nethe was de grote, tomatrode zon als een lustige verrassing uit al die witheid opengebloeid.
Pallieter was ervan aangedaan en riep:
”t Weurdt fiest vandaag! ’t weurdt fiest vandaag!’
En hij dreste duizend druppels in de lucht.
Lees verder Gelukzalig

Ferry

Anderhalve maand geleden maakte mijn gehandicapte zus het uit met Ferry. Ik hoorde het van mijn moeder aan telefoon. Een week later waren we bij mijn ouders. Mijn broer was er ook, met zijn vrouw en hun anderhalf jaar oude dochter. Ik kwam als laatste binnen.
‘Ik moet je iets vertellen, Willem,’ zei mijn zus.
Ze keek me ernstig aan en kwam met het nieuws.
‘Zo gaan die dingen,’ zei ik.
Ze knikte driftig, de lippen op elkaar geperst.
‘Dat kan gebeuren, hè?’ zei ze.
‘Maar waarom?’ vroeg ik. ‘Vind je hem niet leuk meer?’
‘Ik moet een keuze maken.’
‘Een keuze?’
‘Ik heb voor jullie gekozen, mijn familie. Daar heb ik het druk mee. Nu Anne er is, en straks komt er nog een baby.’
Ik begreep het niet en wilde eigenlijk nog iets vragen, maar ik liet het zo.
‘Ja, dat kan,’ zei ik.
.
Vorige week zag mijn zus een collega van Ferry bij de gymles. Ze kreeg drie enveloppen van hem die ze moest afgeven aan enkele huisgenoten van haar. Ze deed braaf wat haar gevraagd werd. De enveloppen werden voor haar neus geopend. Het bleek om een uitnodiging te gaan voor Ferry’s verjaardag. Mijn zus ging naar haar kamer en kwam daar de rest van de avond niet meer af. Ook niet toen de begeleider met haar had gesproken.
.
Afgelopen vrijdag ging ik op bezoek bij mijn zus. Het was mooi weer. Het plan was om met het hele huis te gaan midgetgolfen, maar er waren problemen met het elektronisch hekwerk, waardoor we er met de fiets en de auto niet uit konden. We besloten toen maar een wandeling te gaan maken door het dorp.
‘Dan kan ik mooi een cadeau voor Ferry kopen,’ zei een van de huisgenoten van mijn zus.
Hij ging naar zijn kamer om zijn portemonnee te halen. De andere huisgenoten volgden zijn voorbeeld. Mijn zus bleef met mij bij de deur staan wachten tot ze terug waren. Ze was even stil.
‘We gaan ook ergens iets drinken, toch?’ vroeg ze toen.
‘Ja, natuurlijk.’
We liepen eerst met de groep naar het winkelcentrum. De een wilde naar een muziekwinkel, de ander naar de HEMA en weer een ander naar een speelgoedzaak. Ik keek bij de huisgenoten of ze iets uitkozen wat binnen hun budget viel. Mijn zus ging ook steeds mee de winkels in. Ze zag hoe de cadeautjes werden ingepakt en zei niets.
Het duurde langer dan ik had verwacht, maar toen iedereen iets had gekocht, gingen we op zoek naar een café. Een van de huisgenoten wist de weg.
Op het terras van het café begon mijn zus te praten.
‘Ik ga een keer iets drinken met Ferry,’ zei mijn zus. ‘Dan heb ik ook iets voor zijn verjaardag.’
‘Dat lijkt me een goed idee,’ zei ik.
‘Dan kun je hem mooi trakteren,’ zei een huisgenoot.
‘Ja, precies,’ zei mijn zus. ‘Én ik stuur hem nog een kaart.’
Ze glimlachte.
Er werd geproost op een zonnige dag.

Nacht

Voor het Eurocafé zat een meisje op de grond. Ze ademde zwaar en had rode ogen. Er stonden acht politieagenten om haar heen. Eentje had zich over haar heen gebogen. Een ander praatte in een portofoon. De rest keek schichtig rond.
Ik had dat meisje een handdoek willen geven. En een bidon en bokshandschoenen.
.
Geschreven tijdens Oranjepop voor Waai.

Wanssumse wind #9

 
.
Ik dacht aan hoe ik later terug zou kijken op deze rit met de lift, met de wetenschap van het cijfer. Een rit naar de slachtbank.
.
De Wanssumse wind waait voor de negende en een-na-laatste keer. Lees het hier.

Afstand

Gisteren had ik vrienden uit het dorp over de vloer. Ik noem ze vrienden uit het dorp in plaats van vrienden omdat ik ze niet zo vaak meer zie, hoewel ze dicht in de buurt wonen. Het heeft te maken met andere interesses. Dat begint, of eindigt misschien, bij muziekvoorkeur. Ooit luisterden we wekelijks samen naar dezelfde bandjes, maar nog voordat ze vrienden uit het dorp werden luisterde ik al naar iets anders.
Het is best heftig om een verschil te maken tussen deze vrienden en andere vrienden, die niet uit het dorp komen zeg maar. Zeker omdat ik het nu voor het eerst zo opschrijf. Opeens is het werkelijkheid. Toch heb ik het tegen mijn andere vrienden al een paar keer zo gezegd: ‘Nee, dan kan ik niet, want dan heb ik afgesproken met vrienden uit het dorp.’
.
Goed. De vrienden uit het dorp waren er dus. Ik had zachtjes neutrale muziek opgezet. Muziek die ik niet goed kende, maar waarvan ik wist dat niemand daar echt problemen mee zou hebben. ’s Middags had ik extra vruchtensap ingeslagen, omdat het enige meisje in het gezelschap zwanger is. Daar had ik ’s morgens ineens aan gedacht. Toen ik de deur voor ze had geopend, was het voor haar nog een heel gedoe om met haar buik langs de fietsen die in het halletje stonden te komen.
Ze gingen aan de keukentafel zitten en ik schonk ze in. We hadden het over de dingen die we gemeen hadden. Over het dorp dus. Al ging het soms ook even over een tv-programma. Ik had verwacht dat ik ergens op de avond een spelletje uit de kast moest pakken om de rest van de avond mee te vullen, maar dat hoefde niet.
.
Het zwangere meisje vertelde het verhaal van een jongen die zijn lidmaatschap van de muziekvereniging in het dorp had opgezegd. Ik kende hem, ik had hem vroeger wel eens gesproken. Hij woonde al jaren in Oostenrijk, maar was lid gebleven. Een of twee keer per jaar kwam hij naar het dorp en dan bezocht hij een repetitie of een concert van de muziekvereniging. Het meisje vertelde dat sinds hij in Oostenrijk woonde hij elk jaar een brief stuurde naar het bestuur met vragen over het gevoerde beleid. Deze brief werd behandeld in de jaarvergadering. Dat was altijd een beetje vreemd geweest, omdat de vragen in die brief het meest kritisch waren van alle vragen die in die vergadering gesteld werden. In zijn laatste brief had hij gevraagd waarom er een vacature in een bepaalde commissie na een jaar nog steeds niet was ingevuld. Had het bestuur geen actie ondernomen? Wat bleek het geval: het bestuur had in de loop van het jaar iemand gevonden voor die vacature, maar deze persoon was inmiddels overleden. Een van de bestuursleden reageerde in de jaarvergadering op persoonlijke titel op deze brief. Hij was emotioneel geraakt door de vraag, natuurlijk vanwege de overleden persoon. Hij zei dat de vragen van de jongen soms wel erg kritisch waren en dat dat wel iets minder mocht. Toen de jongen de notulen van de vergadering had gelezen, zegde hij zijn lidmaatschap op.
‘Hebben jullie hem nog gezien na dit hele voorval?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei een van de vrienden uit het dorp. ‘Hij is niet meer in Nederland geweest. Ik vraag me af of hij de komende jaren nog naar het dorp komt. Ik denk het eigenlijk niet. Dat zal wel even duren.’
De anderen knikten.
Ik schonk vruchtensap bij voor het meisje en pakte nieuw bier uit de koelkast. De neutrale muziek was inmiddels afgelopen, maar ik liet het zo.

Hond en fiets

De hond na Polly kwam uit een verkeerd, of laat ik zeggen: moeilijk nest. Het beestje heeft het maar vier maanden volgehouden. Ze had een zwak gestel en overleed uiteindelijk aan een griepje of een longontsteking, dat kan ik me niet precies herinneren. Ze piste als je naar haar toeliep, beet in je hand als je haar wilde aaien en als je je aandacht op iets anders vestigde begon ze te janken en daar kon ze uren mee doorgaan. Het zijn misschien de gewoontes van een pup die broodnodig op cursus moet, maar het was wel erg extreem bij haar. Van begin af aan vond ik het een vervelend beest, in geen enkel opzicht te vergelijken met Polly, de heilige hond die op haar veertiende overleed.
.
Ik dacht aan de hond na Polly toen ik met mijn nieuwe herenfiets door de stad reed. Een van de pedalen draaide niet soepel rond, waardoor de fiets kraakte als een hotelbed. Het moest in de hele straat te horen zijn geweest. Twee weken geleden werd de fiets bij me thuis afgeleverd in een doos. Hij was gebrekkig. De trappers, het stuur en de standaard zaten los in de doos, die moest ik er zelf aan en op monteren. Dan kun je spreken van een slechte start, zeker bij iemand die niet van de handige soort is.
.
Mijn oude omafiets, dat lieve barrel, was een tweedehandse toen ik haar kocht. Ze heeft me zeven jaar lang overal gebracht en was gewillig slachtoffer van kantoorhumor. Maar ook een fiets kan sterven. Een maand geleden kwam er een onmogelijk slag in het achterwiel, waardoor ze, als een hoogbejaarde, bijna niet meer vooruit te branden was. En toen vloog de ketting er af. Ik had het gehad met haar, zoals je over een liefde heen kunt zijn, en verklaarde haar dood. Maar nu kraakt mijn nieuwe fiets en rijd ik met spijt door de straten.