Stallen

In de novelle De jongen, het stof vertelt de Nijmeegse schrijfster Lotte Lentes op beklemmende wijze het verhaal van een Syriëganger. Lotte verbleef in 2014 in Brussel toen in het Joods Museum een aanslag werd gepleegd. Ze was vlakbij, maar kreeg er niets van mee. Later kwam ze erachter dat de aanslagpleger van haar leeftijd was en dezelfde schoenen droeg. Daardoor is ze over dit onderwerp gaan schrijven.
.
Ik moet aan het boek denken vanwege de 400 dode varkens die gevonden zijn in een stal in Ruurlo. Het is eenzelfde soort ‘ramp’ als bij die boer in Ewijk, waar ruim een maand geleden 50 dode koeien werden ontdekt. In beide gevallen zijn de dieren gestorven door verwaarlozing.
.
Het is ongelofelijk triest nieuws dat op mij als boerenzoon veel indruk maakt. Net als Lotte ben ik er dichtbij, maar sta ik er ook mijlenver van af. Ik heb natuurlijk weleens een dode koe of kalf gezien die door ziekte het leven liet, maar dit is iets totaal anders. De dieren zijn gestikt door mestgassen of verhongerd, en hebben toen nog een tijdlang dood in de stal gelegen. Ik ben blij dat er geen beelden van zijn.
.
Ik wil graag begrijpen waarom het zover is gekomen, want alleen dan kun je zoiets in de toekomst voorkomen. Iemand zei tegen mij over het nieuws in Ewijk: ‘Als er één koe dood in de stal ligt, ben je een grens over gegaan. Dan maakt het niet meer uit of het er één is of vijftig zijn.’
.
De ‘rampen’ in de stallen laten zien dat je het heel moeilijk kunt hebben in de agrarische sector. Maar het toont volgens mij vooral ook aan hoe groot de angst voor gezichtsverlies is. Niemand mag falen in deze maatschappij. Deze boeren verborgen hun problemen in de stal. Zulke extreme gevallen zeggen iets over ons allemaal.
.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

In Vrij Nederland stond enkele jaren geleden een boeiend en goed geschreven verhaal over een boer in de problemen. Hierin komt een andere boer in voor die ook zijn dieren verwaarloosde. Dit artikel, ‘Het einde van de kudde’, vind je hier.
En de prachtige novelle van Lotte Lentes is hier verkrijgbaar.

Luisterboek ‘Sommige bomen’

12938180_1114575425259845_8126027789425645487_n.
Met dank aan Ondercast en Wintertuin is er een digitaal luisterboek verschenen van de voorstelling Sommige bomen houden hun blad langer vast dan andere. Daarbij is een boekje gemaakt met songteksten, verhalen en een strip, vormgegeven door schrijver en tekenaar Jelko Arts.
.
Dit luisterboek met boekje is nu te bestellen bij Ondercast. Je krijgt het boekje dan thuis gestuurd met een code voor het luisterboek.
Ga naar:
https://ondercast.bandcamp.com/releases

12494789_694564544016918_7845819219214841262_n

Tongval

In de notulen van een vergadering op mijn werk las ik terug dat ik zou hebben gesproken over een ‘setcafé’. Een stagiaire had genotuleerd en ik begon te twijfelen aan haar capaciteiten. Tot het kwartje viel. Ik had het over het ‘zkv’ gehad, een afkorting voor het ‘zeer korte verhaal’. Door mijn accent verstond de stagiaire ‘setcafé’. Mijn collega’s hebben er veel lol om gehad.
.
Dialecten zijn een eigenaardig verschijnsel. Bij mij wisselen trots en schaamte elkaar af als het gaat om mijn tongval. Ik wil niet op mijn afkomst afgerekend worden, maar ik wil ’m ook niet verdoezelen. Voor mijn gevoel spreek ik behoorlijk ABN, maar regelmatig zet ik voor de grap mijn accent extra aan. Toch heb ik bij het kiezen van een naam voor mijn dochter de namen waar een z, s, f of v in voorkwam bij voorbaat afgeschoten. Een vader die de naam van zijn kind niet goed uitspreekt, da’s niks.
.
Een mooi tijdverdrijf is het doornemen van de Dialectenbank van het Meertens Instituut op internet. In de jaren 60 en de jaren 80 zijn onderzoekers het land doorgereisd om geluidsopnames te maken van dialecten. Op de site van het instituut vind je een landkaart waar je als je op een plaats klikt de opname kunt afspelen. In Groesbeek gaat het over dansmarietjes die daar batsmarietjes werden genoemd. In Ewijk drinken ze koffie tijdens de opname. Ze eten daar een koekje bij en je hoort hun gesmak. In Beuningen komt ene meneer Van As aan het woord. Ik heb het mijn vader laten horen. Hij herkende de stem meteen: het was zijn oom Thé.
.
Dialect is de oertaal. Als mijn moeder moe of emotioneel is, komt haar Neerbossche of Beuningse dialect bovendrijven. Ik weet niet waar haar tongval precies onder valt, maar het is in elk geval de taal van mijn moeder.
.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
De Nederlandse Dialectenbank van het Meertens Instituut is hier te vinden. De opnames uit Beuningen luister je hier terug.

Horizon

IMG-20160326-WA0001jpg

.

Op 8 november 2012 viel ik zowat uit bed door een gigantische herrie.
Ik woonde aan de Voorstadslaan in Nijmegen en dacht in eerste instantie dat er een trein aan kwam denderen. Toen het kabaal door bleef gaan en in volume toenam, meende ik echt even dat de wereld zou vergaan. Maar het was de elektriciteitscentrale die van zich liet horen.
De stilgelegde centrale is al mijn hele leven een vast punt aan de horizon. Als ik een lijn trek tussen de huizen waar ik heb gewoond, ontstaat er een driehoek en midden in die driehoek staat de centrale. Ik heb er vanuit alle windrichtingen naar gekeken.
Vroeger vreesde ik de voormalige Electrabel. Bij een vriend in Weurt vroor in de winter vaak de vijver dicht. Dan lag er over de hele vijver een laagje pikzwarte stof. Ik meende dat het uit die schoorsteen kwam. Als ik van Beuningen naar Nijmegen fietste, hield ik ter hoogte van de centrale altijd even mijn adem in.
Vorige week zette ik voor het eerst voet in dat kolossale bouwwerk, tijdens de muziekvoorstelling Het geluid van stroom. Toen ik het terrein opliep, viel het me op hoe de centrale, dat welbekende monster, weer heel anders oogt als je er zo dichtbij bent.
De show was prachtig. Stap voor stap werden we steeds dieper in de krochten van de 130 jaar oude centrale geleid. En nog eens werd duidelijk hoe ongelooflijk groot die fabriek is. Slechts vier van de dertig verdiepingen werden voor de voorstelling gebruikt.
Een tijdje terug plaatste een vriend op Facebook een foto met daarop de centrale. Precies boven de schoorsteen hing een wolk. Het bijschrift: ‘Wie heeft ’m weer aangezet?’
De centrale gaat plat en ik zal daar, net als vele anderen, aan moeten wennen. Alsof iemand met een gummetje aan mijn horizon zit.
.
Deze column verscheen eerder in De Gelderlander. De prachtige foto is gemaakt door de geweldige zangeres en ‘vriend’ Lea Kliphuis. De voorstelling Het geluid van stroom loopt nog, maar is wel uitverkocht.

Oude boer

Een tijdje terug las ik in de krant een stuk over boeren en tuinders. Uit cijfers van het CBS blijkt dat bijna een kwart van alle actieve boeren in Nederland ouder is dan vijfenzestig.

In diezelfde week ging ik naar Beuningen, naar de Hosterdstraat, en vond daar een oude boer aan de keukentafel. Met een leesbril op zijn neus loste hij een puzzel op uit dezelfde krant waar het artikel in had gestaan. Het zag er allemaal heel pensioenachtig uit, maar even later riep hij de hond, trok bij de achterdeur zijn laarzen aan en liep het erf op.

Met mijn moeder maakte ik daarna een rondje door de buurt. Tijdens de wandeling vertelde ze wie er allemaal in korte tijd zijn huis en grond had verkocht om op een andere, kleinere plek te gaan wonen. Een huis van een tuinder hadden ze met de grond gelijk gemaakt en daar was een strakke, zielloze woning voor in de plaats gekomen. Mijn moeder vertelde dat de tuinder voor de verkoop nog alles had geschilderd, niet wetende dat het toch plat ging.
Ik vroeg of zij al plannen hadden om te verhuizen.
‘We hebben het er nog niet over gehad.’

Toen we het erf op liepen, keken we naar binnen en zagen we mijn vader weer aan tafel zitten.
‘De kromme zit al aan de koffie,’ zei mijn moeder.
‘De kromme?’ zei ik.
‘Ja, hij zit er een beetje krom bij.’

Volgende week is mijn vader jarig. Zesenzestig staat er dan op de teller. Eergisteren ben ik weer eens langs geweest. Hij zat er niet krom bij. Op de iPad keek hij naar live-beelden vanuit de stal. Een koe liep onrustig heen en weer.
‘Die moet zeker kalven,’ zei ik.
Hij knikte.
Even later stond hij op om het dier te gaan helpen.

Deze column verscheen eerder in De Gelderlander.

Paula, 2010

Op twee tandems reden we door het dorp. Paula zat achterop bij Marloes, Ferry – de vriend van mijn zus – bij mij. Aan een van de bagagedragers hing een fietstas met daarin een vers plantje. We waren op weg naar het graf van mijn opa en oma. Mijn zus wilde dat graag. Het was haar verjaardag, over anderhalf uur arriveerde het bezoek. Nu, net na het avondeten, was er nog even tijd voor iets anders.
‘Wat wil je gaan doen?’ had Marloes gevraagd.
‘Ik wil naar opa en oma. Daar ben ik al lang niet meer geweest.’
Het kerkhof van Beuningen was niet ver fietsen. We deden een wedstrijdje, een tussensprint, waarbij de normaal gesproken altijd trage Ferry opeens fanatiek meetrapte. Na het passeren van vijf bomen deden we het weer rustig aan. Achterop praatten Ferry en Paula met elkaar. Voorop kletste ik met mijn andere zus.
Het kerkhof was dicht bezaaid, er was nauwelijks ruimte tussen de graven. Het duurde even voordat we voor de juiste steen stonden. Een beetje plechtig gingen we er voor staan, de handen op de rug.
Toen begon Ferry hardop de jaartallen te lezen.
‘1913 – 1999, 1915 – 1995.’
‘Jij kunt goed lezen,’ fluisterde Paula.
Ferry keek naar een andere grafsteen.
‘2004,’ zei Ferry, ‘toen had ik een ander.’
‘Een ander?’ vroeg ik, fluisterend.
‘Ja, Petra.’
We waren hier even stil van.
Ferry leunde met zijn elleboog op een grafsteen in de volgende rij.
‘Wij hebben nu drie jaar iets,’ zei Ferry tegen Paula.
‘Nee, veel langer,’ zei Paula. Ze fluisterde niet meer.
‘Nee hoor. In 2007 kregen wij iets.’
‘Ik denk eigenlijk dat Ferry gelijk heeft,’ zei Marloes zacht.
‘Ja, misschien wel,’ gaf Paula toe.
Marloes haalde onkruid en een dorre plant van het graf. Ik zette het nieuwe plantje erop.
Paula zag een flesje liggen. Ze schopte er met haar voet tegen aan. Toen raapte ze het op.
‘Dat is een parfumflesje van oma,’ zei Marloes.
‘O,’ zei Paula en gooide het weer weg.
Ferry vertelde wie hij voor Petra had gehad. Het waren er drie.
‘En wie had jij voor mij?’ vroeg hij aan Paula. ‘Maurice toch?’
‘Maurice ja.’
‘En hoe lang?’
Ze dacht na. Ze wist het niet.
‘Twee jaar,’ zei ze maar.
Ferry knikte.
‘Wanneer was dat?’
Paula haalde haar schouders op.
‘Zullen we maar weer gaan?’ vroeg Marloes.
‘Dat is goed,’ zei Paula.
Toen we weer bij de tandems waren, kreeg Paula een knuffel van Ferry. Het was een mooi gezicht. Ze waren precies even groot. Haar hoofd lag op zijn schouder, zijn hoofd op die haar.
‘Schatje,’ fluisterde hij, hard genoeg voor ons om het te horen.
‘Straks mag je mijn nieuwe kamer zien,’ fluisterde Paula.
We klommen op de tandem. Nu was het anders: Ferry ging bij Marloes achterop. Paula bij mij.
‘Voel je de wind?’ vroeg Paula aan Ferry toen we halverwege waren.
‘Ja!’
Hij ging weer op de pedalen staan, begon te joelen. Marloes deed met hem mee. Ze waren als eerste voorbij de vijf bomen.

Leraar

Een leraar heb je niet voor het uitkiezen. Op de havo van Nijmegen-West kreeg ik Nederlands van een man waar ik niet zoveel mee had. Toch stuurde ik hem, bij gebrek aan een leukere docent met affiniteit voor literatuur, na mijn examen een in elkaar geknutseld boekje, getiteld Het hek van de dam. Er zat een brief bij waar mijn adres in stond en waarin ik schreef dat ik benieuwd was naar zijn reactie. Nooit meer iets van gehoord.
Het kan verkeren. Onlangs ontving ik, vijftien jaar nadat ik van school ging, uit het niets een mailtje van ene Peter Altena. Was ik iets slimmer geweest, dan had ik les van hem gehad. Hij is leraar Nederlands aan het Dominicus College en hoewel Nijmegen-West in mijn tijd stapsgewijs fuseerde met het Dominicus heeft hij nooit bij mij voor de klas gestaan.
Altena had mijn twee boeken gelezen. In zijn mail complimenteerde hij me met mijn werk en tipte me de Vlaamse schrijver Leo Pleysier. Ik was uiteraard heel blij met die mail en ging meteen op zoek naar Pleysier. De tip bleek een schot in de roos. De twee boeken die ik las van deze Belg, Wit is altijd schoon en De razernij der winderige dagen, maakten veel indruk.
In Wit is altijd schoon uit 1989 zit de schrijver aan het doodsbed van zijn moeder, een boerin die hem zijn hele leven heeft bedolven onder haar gepraat. Nu ze dood is, hoort hij nog steeds haar stem. Het boek bestaat grotendeels uit haar monoloog in Vlaams dialect.
In De razernij der winderige dagen uit 1977 onderzoekt Pleysier zijn relatie tot zijn geboortedorp. Rijkevorsel is voor hem wat Beuningen voor mij is. Als ik dat lees, wil ik meteen gaan schrijven.
En dit allemaal dankzij een leraar van wie ik nooit les heb gehad.
.
Deze column verscheen eerder in De Gelderlander.

De razernij der winderige dagen verscheen ook onder de titel Het jaar van het dorp of De razernij der winderige dagen. Daarnaast is het gepubliceerd als eerste deel in het drieluik Waar was ik weer.
Meer van en over Leo Pleysier vind je hier en hier. En hier een fragment uit een ander werk van hem.

Slaap

Ik sta in een donkere slaapkamer met mijn slechtziende, gehandicapte zus en in mijn armen mijn koortsige, zacht jammerende dochter van 1.
‘Zal ik een versje of een liedje doen?’ vraagt mijn zus.
‘Doe maar een liedje.’
Ze gaat recht voor me staan, haar hoofd vlakbij mijn dochter en zingt Slaap kindje slaap. Ze zingt het net iets te snel. Ik wieg mijn dochter, maar ik kan het tempo van mijn zus niet bijhouden. Mijn dochter is stil geworden.
‘Ze slaapt,’ zegt mijn zus.
In het donker zie ik twee grote ogen naar mijn zus kijken.
‘Nee, ze heeft haar ogen nog open. Misschien kun je dat versje doen.’
Dat doet ze. Ze zet een lief stemmetje op.
‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen. Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen.’
Meer wordt het niet. Ze blijft het zinnetje steeds maar herhalen alsof het zo hoort. Ook nu heeft ze het tempo er goed in zitten.
Mijn dochter begint weer te kermen, ze strekt zich.
Mijn zus zucht.
‘Leg haar nou maar gewoon in bed,’ zegt ze. ‘Dan gaat ze echt wel slapen.’

Optocht

Volgend weekend gaan de deuren van talloze schuren en garages weer open en komen de wagens en loopgroepen naar buiten. Wekenlang is er in het diepste geheim aan gewerkt. De spanning van de zaterdagochtend: hoe zullen de toeschouwers reageren?
Ik ben heel benieuwd naar de bouwsels en hoop op een mooie afwisseling tussen woordspelingen en actuele thema’s, de twee voornaamste genres in een optocht.
Met de woordspelingen komt het wel goed. Veel groepen kiezen voor dezelfde formule als de groep van mijn broer. Het ziet er feestelijk uit, de woordgrap is ondergeschikt. Vorig jaar hadden ze een kleurrijke helikopter op de wagen: ‘Carnaval vliegt voorbij’. Het kan scherper, maar dan oogt het vaak minder carnavalesk. Zoals de man en de fiets met het hoge zadel: ‘Je moet er maar op komen’.
Met de actuele thema’s gaat het minder goed. Ze verdwijnen steeds meer. 13 jaar geleden liep ik mee met een groepje. We droegen maskers van George W. Bush en Saddam Hoessein en we speelden golf. De golfbal had de vorm van een granaat. In Beuningen scoorden we hoge punten, in Weurt werd het minder gewaardeerd. Wat lastig was: hoe snijd je een heikel onderwerp aan zonder dat de feestelijke stemming verdwijnt? Maar da’s de uitdaging. We lieten Bush en Hoessein elkaar de hand schudden, de mensen langs de kant maakten foto’s.
Er is momenteel veel aan de hand in de wereld, genoeg materiaal dus, maar wie durft het aan? Vroeger kon je een burgemeester in de optocht nog belachelijk maken. Nu steken ze zijn auto in brand, gooien ze een steen door de ruit. Of ze hangen een varken in een boom. En juist daarom verdient de actualiteit een plek in de optocht. Carnaval is bedoeld om het leven van een andere kant te bekijken, om te lachen om moeilijke kwesties, zodat alles weer wat lucht krijgt.
.
Deze column verscheen eerder in De Gelderlander.