Niet durven

1.
Vanmorgen stond ik voor de Kruidvat samen met een jongen te wachten tot de winkel openging. De jongen gaf de medewerkster die de deur opende een hand, noemde zijn naam en zei dat hij stage kwam lopen.
‘O, we dachten al dat je niet meer kwam.’
Ze liep naar buiten en wees hem de bel waar hij ’s morgens op kon drukken, dan zouden ze voor hem opendoen.
‘Loop maar naar achteren, daar verwachten ze je.’
Achterin de winkel opende de jongen een deur en even later klonk door de dunne muur de harde stem van de filiaalmanager.
‘We wisten niet of het vandaag zou zijn, maar het is dus vandaag.’
Ik vroeg me af hoe lang de jongen al buiten had gestaan.
.
2.
Op elke boom in mijn straat was een papier bevestigd waarop gewaarschuwd voor een kattenvergiftiger die actief was in de buurt. De tekst was ondertekend door Binkie.
‘Poot en kopje, Binkie.’
Het was deze vergiftigde kat dus in elk geval niet fataal geworden.
Opmerkelijk vond ik dat Binkie niet opriep om uit te kijken naar de kattenvergiftiger en/of aangifte te doen bij vergiftiging of bij het vinden van het gif. Nee, Binkie schreef dat  katten voorlopig binnen gehouden moesten worden.

Slijptol

Mijn broer kwam met een slijptol naar de stad. Ik was mijn fietssleutel kwijt en had twee weken lang alles te voet gedaan. Mijn fiets had al die tijd in een rek aan een drukke weg gestaan. Toen ik er zeker van was dat mijn sleutel niet meer zomaar zou opduiken, belde ik mijn broer. Hij kwam meteen, in zijn groene bestelauto vanuit het dorp. Geen moeite, zei hij.
Met de slijptol en een verlengsnoer stapte hij uit. Het was midden op de dag en mijn broer deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was, alsof hij elke week een fiets bevrijdde met zijn slijptol en misschien deed hij dat ook wel. Bij de apotheek, waarvoor het fietsenrek eigenlijk was bedoeld, had ik van tevoren gevraagd of ik het stopcontact mocht gebruiken. Nu kwam ik de zaak binnen en duwde de stekker erin. Meteen was het geronk van de slijptol te horen. Ik keek toe op een paar meter afstand. De vuurvonken vlogen over de stoep, ik moest een stap opzij zetten. Terwijl mijn broer op zijn gemak zijn werk deed, keek ik wat onrustig rond. Er was niemand op straat en in de apotheek die ervan opkeek, een fietsenslot dat met een slijptol werd losgebroken.
Toen mijn broer klaar was, zei hij dat ik nu weer bij hem op bezoek kon komen. Ik vroeg of hij een kop koffie wilde. Dat wilde hij wel. Met de slijptol in zijn hand stapte hij zijn auto in en reed naar mijn huis, twee straten verderop. Ik ging hem op de fiets achterna.

Land

We zaten in onze glijbaan, maar hij gleed niet meer.
‘We hebben water nodig,’ zei ik.
Rein reageerde niet. Het leek hem weinig uit te maken.
Met pvc-buizen hadden we een soort van glijbaan gemaakt. We waren er al drie keer van af gegaan. Nu zaten we stil, midden op de glijbaan.
‘Dit is de grens van ons land,’ zei Rein.
‘Ons land?’
Hij gebaarde naar rechts, naar het weiland waar geen koeien stonden.
‘Tot de sloot daar,’ zei hij. ‘Ons land, we moeten nog een naam bedenken.’
Ik stak een vinger op.
‘Weiland.’
‘Niet leuk.’
Ik was nu vier jaar vrienden met Rein. Deze zomer trok ik bijna elke dag met hem op.
‘Waarom is dit niet het midden van het land?’ vroeg ik. ‘De hoofdstad. Dan is dit ons paleis.’
‘Nee,’ zei Rein. ‘We zitten op de grens. We moeten ons verdedigen en dit is het hoogste punt.’
Ik gooide grassprietjes op het stuk glijbaan voor ons.
‘Niet doen,’ zei Rein.
Nog een paar dagen voor de school weer begon. Het was gek, maar soms verlangde ik er hevig naar.
‘Als dit de grens is,’ zei ik, ‘waarom zitten we dan hier en niet op een ander stuk grens, aan de andere kant van het land?’
‘Dit is het gevaarlijkste stuk. Deze uitkijktoren is heel strategisch.’
‘Uitkijktoren? Je bedoelt de glijbaan.’
‘Uitkijktoren ja.’
Ik stapte uit de glijbaan, ging er naast staan.
‘Voorzichtig,’ siste hij.
‘Volgens mij komt er iemand aan,’ zei ik.
‘Ga dan snel weer voor me zitten.’
‘Nee.’
Ik deed mijn armen over elkaar.
‘Er komt niemand aan,’ zei Rein.
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Nee, natuurlijk niet. Hier komt nooit iemand.’
Ik keek tegen de zon in. Ik had geen horloge, maar het moest ergens laat in de middag zijn.
‘Nou, ik ga water zoeken. Doei,’ zei ik.
‘Dan hoor je niet meer bij mijn land.’
Het was weer bijna zover. De laatste dagen gingen we steeds met ruzie uit elkaar.
‘Het land heeft niet eens een naam en het is niet jouw land.’
‘Het heeft wel een naam. Glinsterland.’
Ik proestte.
‘Glinsterland? Niet echt toch?’
‘Jawel.’
‘Oké, ik ben weg. Naar huis.’
‘Dan kun je niet meer terug. Dan kom je de grens niet meer over.’
Zijn stem sloeg heel even over.
‘Dat zullen we nog wel zien.’
‘Je hebt geen paspoort van Glinsterland.’
‘Jij ook niet.’
‘Wel waar. Je weet niet hoe het eruit ziet.’
‘Glinsterland is een slechte naam.’
‘Ik zet je het land uit.’
‘Dat hoeft niet.’
Ik schopte tegen de glijbaan. Rein stond dreigend op. Gisteren werd het vechten, maar nu was ik dat voor. Ik liep gewoon weg.
Iets van honderd meter verderop keek ik om. De glijbaan was maar klein, ik zag het nu pas. Rein was er weer in gaan zitten, in dezelfde houding. Hij keek me niet aan. Morgen bestond dat Glinsterland vast niet meer voor hem, zo ging dat altijd. Maar voor mij zou het nog wel bestaan, Rein en zijn Glinsterland, en ik kwam er niet meer.
.
Geschreven tijdens De Hollanders komen! op DOK in Gent. We maakten met vijf Nederlanders en drie Belgen het zine ‘Dit is over‘. Bovenstaand verhaal haalde het zine niet omdat er geen ruimte meer was en ergens keuzes gemaakt moesten worden.

Boom


.
In mijn straat lag een boom dwars over de weg, geveld door onweer. Het was diep in de nacht. Ik kwam met mijn fiets aanrijden en moest afstappen. Ik kon er maar op een manier langs. Er stonden mensen te kijken en te wijzen. Een boom op de weg, ze hadden hem horen vallen, er was niemand gewond geraakt.
De volgende dag fietste ik van huis weg. De boom lag er niet meer. Hij was in stukken gezaagd, de delen waren op de stoep gelegd, op straat enkel houtsnippers. Ik maakte een foto.
Later vertelde ik anderen over de boom en liet hun de foto zien. Iemand wees me erop dat de boom precies op het zebrapad moest zijn gevallen. Ik had dat helemaal niet opgemerkt. De boom over de weg was al indrukwekkend genoeg.

Overburen

S. laat me in Breda het huis zien waar ze tijdens haar tienerjaren woonde. Ze vertrok op haar achttiende, nu precies achttien jaar geleden. We staan op de stoep met de fiets in de hand. Ze vertelt over de overburen. We draaien ons om en kijken naar het huis van de overburen. Het overbuurmeisje was een van haar beste vriendinnen. Ze zagen elkaar dagelijks en belden met elkaar. De vader van S. vond dat bellen onzin. Als het overbuurmeisje belde en de vader van S. nam op, dan zei hij nog voor hij zijn naam noemde ‘kom maar hierheen’ en legde de hoorn er weer op.
De overbuurvrouw was gescheiden. Een echte mannenhater, herinnert S. zich. S. verwacht, nee, is ervan overtuigd dat de buurvrouw er nog steeds woont, achttien jaar later.
‘Ik zag er net een man lopen,’ zeg ik.
‘Echt?’
‘Volgens mij wel.’
‘Dat kan niet.’
‘Ik weet het eigenlijk wel zeker. Hij liep achter de tuin in.’
Geconcentreerd kijken we naar binnen. S. merkt op dat het huis er veel lichter uitziet dan vroeger. De muren zijn gewit. Door het raam is een stuk van de tuin te zien. Ik zie een parasol. Daar heb ik de man voorbij zien lopen. S. wil niet langer naar binnen kijken, ze vindt het ongepast, en ze wil al helemaal niet aanbellen. Ze zet een voet op de trapper.
‘Maar dan weten we nooit of je overbuurvrouw er nog woont en een drastische verandering heeft ondergaan, of dat we in het huis van een wildvreemde hebben staan kijken.’
‘Tja, dat is dan maar zo.’
‘Wat hoop je?’
‘Dat de overbuurvrouw er nog woont.’
‘Ik ook.’
Ze glimlacht.
‘En jij kent haar niet eens,’ zegt ze.

Picasso en zo

.
Met enige regelmaat schrijf ik columns voor Festival Mooie Woorden. Eerst ging het om whatsapp-gesprekken die mooie titels opleverden, zoals ‘Ik ben opgegroeid met kliko’s’ en ‘Ik mocht de autocoureur niet gebruiken’. Nu stort ik me op de wereld van woorden in de openbare ruimte.
.
Het eerste woord was ‘Saddamtijger’, gevonden op een wc-deur in een Utrechts café. Lees hier>>
Het tweede woord was geen woord, maar een zin. Een quote van Picasso, gevonden op de muur van een studentenkamer, ook een soort van openbare ruimte, eveneens in Utrecht. Lees hier>>

.

Kuil en Blaarkop

.
‘Kuil’ en ‘Blaarkop’ zijn de laatste twee stukken uit de serie Encyclopedie van het boerenleven. Illustraties zijn wederom van tekenheld Joost Dekkers. Ondertussen werk ik aan een kleine verhalenbundel die in november zal verschijnen en waarin mijn boerenachtergrond centraal zal staan. Daar zullen onder andere de stukken uit de encyclopedie in komen te staan. Meer info volgt later. Voor nu: Kuil en Blaarkop.
.
Kuil
Een kuil is geen kuil, eerder een berg. Ik heb eens aan mijn vader gevraagd hoe dat zat, maar het was niet aan hem besteed: “Een kuil is een kuil.”
Lees hier het stuk.
.
Blaarkop
Ik leunde tegen haar aan, aaide over haar kop en zong voor haar de nieuwste hits uit de Mega Top 50. Ze vond het allemaal prima. Als in de zomer haar rug door vliegen werd bevolkt, zwaaide ik er met mijn hand overheen, nog voordat zij met haar staart zwiepte. Heel soms besprak ik zaken met haar die zich op school afspeelden.
Lees hier het stuk.

Pindakaas

.
Vanmorgen kwam ik Thijs tegen op straat. Hij had een tas bij zich vol met lege pindakaaspotten. Ik vroeg of hij nieuwe ging kopen. Nee, zei hij, ik heb nog twee potten in de kast staan.
.

Kut Guitar Hero III


.
Oscar Wyers presenteerde zaterdag in Etalage Derde Wal het supergave project Music for imaginary videogames. Hij vroeg verschillende mensen die electronische muziek maken een korte soundtrack te componeren bij een verzonnen computerspel, bedacht door de muzikant zelf. De verzamel-cd is verschenen bij Oscars label Oggy Records en werd zaterdag gepresenteerd.
.
Daarnaast was er een expositie met o.a. Karaoke Pong en een reeks gebeamde zonsondergangen, waarvoor een jury cijfers gaf en dat ook nog eens becommentarieerd werd door een soort Cornald Maas, alsof het om het Eurovisie Songfestival ging.
.
Bij deze gave combinatie van cd en expo verscheen ook nog eens een Kutgitaar Special met de toepasselijke titel Kut Guitar Hero III, Legends of Rock. Voor deze special schreef ik het verhaal Italy 90 en het gedicht De jaren (tevens mijn eerste gedicht sinds jaren). In de special staan verder mooie teksten van Bert van Beek, over het uitvinden van bergbeklimmen te paard – in een computerspel uiteraard, en van Johan Roos, over Monica Seles met wie hij in een praatgroep zat.
.  
De mini-editie van de Kutgitaar wordt geleverd bij het album Music for imaginary videogames (zolang de voorraad strekt).
Een verslag zoals alleen Dennis Gaens dat kan schrijven is te vinden op de site van Dennis >> klik hier.
Meer info over de Kutgitaar Special >> klik hier.
Meer info over Oggy Records en het videogames-project >> klik hier.

Veewagen en Gras


.
Het vijfde en zesde van Encyclopedie van het boerenleven staan online. Nog twee te gaan.
De illustraties zijn van Joost Dekkers. Like zijn Facebookpagina!
.
Veewagen
Mijn gedachten gingen naar een meisje van school. Ze zou me hier moeten zien staan, in mijn overall en met die gestrekte armen.
Lees hier het hele stuk.
.
Gras
De omschrijving van Hard/Hoofd: ‘In dit deel rookt Willem zijn eerste sigaret.’
Lees hier het stuk.
.