Alverna

Een verhaal over ‘Bouwval’, de roman van Frans Kellendonk, voorgedragen tijdens de presentatie van ‘Kellendonk. Een biografie’ in Dekker van de Vegt, Nijmegen.  

Vaak is te merken dat de wereld ver van de literatuur afstaat, spijtig genoeg. Vorig jaar woonde ik tijdelijk in de nog in aanbouw zijnde Nijmeegse wijk Grote Boel, aan de Simone de Beauvoirstraat. De Google-navigatie maakte daar de Simone de Bovierstraat van. Mensen die voor hun beroep mijn straat moesten noteren, vonden het vaak een ‘mooie’ of ‘sjieke’ naam. Een werver van een goed doel vroeg of ik de straatnaam zelf even op zijn formulier wilde invullen. Een DHL-bezorger verwarde mijn straat steevast met de Simon Carmiggelstraat. En onze buurvrouw zei een keer: ‘Wie verzint nu ook zulke namen?’
Tussen de strakke prefab-woonblokken, modderige wegen en aannemersbusjes blijkt literatuur niet meer dan een randverschijnsel.
.
Maar andersom is het soms ook aan dat hand, dat de literatuur ver van de wereld afstaat. Dat merkte ik toen ik enkele secundaire teksten doorspitte over Bouwval, de kleine roman van Frans Kellendonk die zich grotendeels afspeelt in het dorp Alverna. De literatuurkenners die vele jaren na het verschijnen van het verhaal dieper in de materie doken, noteerden verbaasd: ‘Alverna bestaat echt.’
Ja, dat klopt. Alverna bestaat echt. Al een tijdje. Het is een woonplaats, vernoemd naar het Franciscanenklooster dat in 1887 aldaar werd gebouwd. Dat klooster werd weer vernoemd naar een berg in Italië, La Terna. Er ontstond een dorp rondom dat klooster, met een parochie, een voetbalclub, een school en een molen. Aardig feitje: de bewoners zeggen niet dat ze in Alverna wonen, maar op Alverna.
.
Het is typisch dat juist Alverna binnen de literaire wereld lang voor een fictief dorp werd aangezien. Alverna is sinds 1978, een jaar nadat Bouwval uitkwam, op papier namelijk een wijk van Wijchen en daar hebben de inwoners grote moeite mee. Toen de gemeente jaren terug langs de toegangswegen plaatsnaamborden plaatsten waarop stond ‘Wijchen’, werden die borden meteen beklad. De gemeente verving ze voor zogenaamde kom-bordjes met de naam ‘Alverna’.
En dit jaar nog haalde een Alvernese vrouw De Gelderlander omdat ze zich kapot ergerde aan het feit dat het dorp geen eigen postcode heeft.
‘Ik vind het vreselijk dat als je PostNL belt, of de Wehkamp, je te horen krijgt dat je in Wijchen woont,’ aldus die mevrouw. Ze voerde actie om Alverna administratief weer een dorp te laten worden, maar dat blijkt minstens 6.000 euro te kosten.
Het zit ze niet mee, daar in Alverna. Al een tijdje niet. In de biografie van Kellendonk lees ik dat Bouwval bijna een andere titel had gehad: Alverna. Bijna, helaas.
.

Het moge duidelijk zijn, ik heb iets met deze roman. Niet alleen omdat het zo goed in elkaar zit en vanwege de verfijnde stijl, met personages die in enkele scherpe beschrijvingen tot leven worden gewekt (Kroonprins, Aapje, Vader). Ook omdat het, u raadt het al, zich grotendeels afspeelt in Alverna, een dorp dichtbij. Het is een literair incorrect argument, maar ik kan het niet ontkennen, het speelt mee. Sterker nog, in Bouwval vertelt het fascinerende personage Theet Hundertmark – de kromme, oude, plat pratende knecht van Opa – dat hij bij zijn zus in Ewijk gaat wonen.
Ewijk.
‘Ewiek,’ zoals Theet het noemt.
Dat ligt dus naast Beuningen, het dorp waar ik ben opgegroeid. Deze literatuur staat in de wereld, en voor het eerst – en ik heb toch al best wat boeken gelezen – letterlijk in mijn wereld.
Ik zie het als een tornado. Je kent ze uit films, van de journaals, je weet dat het een indrukwekkend en boeiend fenomeen is, maar daar blijft het dan bij. Totdat hij ineens voorbijraast, op een paar honderd meter afstand. Je kunt ’m met eigen ogen aanschouwen. Het is jouw tornado. Een tornado waarin een rammelende studebaker rondtolt, een loods, een betorend negentiende eeuws bouwwerkje, een schilderij, een betonmolen, een waterpomp, een kruiwagen, steigertouw en een betonvloer.
.
Nog dichterbij komt Bouwval als ik kijk naar mijn eigen achtergrond. Opnieuw zo’n literair incorrect argument. Herkenning, wat een vies woord. Ik ben afkomstig uit een boerengezin en daardoor kan ik me goed inleven in het aannemersgezin uit het verhaal. Bedrijf en familie zijn vervlochten met elkaar en elk personage moet zich daar met zijn eigen verwachtingen toe verhouden. Nooit eerder las ik een roman waarin de gevoeligheden van een familie en het familiebedrijf zo treffend voor het voetlicht worden gebracht.
.
Bouwval speelt zich af tijdens Allerzielen. Ik heb daar nooit echt iets mee gehad. Wij gingen vroeger als goede katholieken vast en zeker op die dag naar het kerkhof om een bloemetje neer te leggen, maar dat gebeurde ook op andere, willekeurigere dagen. Aan Allerzielen heb ik geen speciale herinneringen. Dankzij het verhaal van Kellendonk krijgt deze gedenkdag ineens extra betekenis. Met Allerzielen worden niet alleen de overleden familieleden herdacht, het is ook een moment om stil te staan bij je familie an sich, bij je familiegeschiedenis, het bewust zijn van de plek die je inneemt binnen die familie, de schakel die je bent tussen de mensen die voor je zijn geweest en die na je komen, waarbij steeds hetgeen de een bereikt heeft wordt doorgegeven aan de ander, de volgende.
.
Volgende week vrijdag is het Allerzielen. Op die dag pas ik, zoals elke week, op mijn dochters van 1 en 3. Ik moet altijd van tevoren bedenken wat ik met ze ga doen, om de dag een beetje goed door te komen. Dit keer heb ik al plan. Ik rijd met de auto van mijn nieuwe woning in Nijmegen, waar we vanuit de Simone de Beauvoirstraat naartoe zijn verhuisd, naar het kerkhof in Beuningen, het graf van mijn opa en oma. Daar lees ik mijn kinderen voor uit Bouwval. Een fragment over Opa:
‘… daar waar hij praatte over het hoofd van de Kroonprins heen, tegen de muur, of door de muur tegen de weilanden, de spoorbaan, het industrieterrein.’
En dan zegt Opa:
‘De wereld wordt steeds ouder. Je vader is ouder dan ik en jij bent weer ouder dan je vader. En alles vergaat tot stof en alle stof vormt weer lichaam. Zo gaat dat, tot de jongste dag. Evenveel stof vormt steeds meer lichaam, tot stof lichaam is en lichaam stof.’
.
Op het kerkhof leggen mijn dochters en ik een bloemetje en kijken we uit naar een tornado.
.

Jaap Goedegebuure schreef ‘Kellendonk. Een biografie’. Meer info over dit boek >>

‘Bouwval’ is zowel een boek als een verhaal. Het boek bestaat naast het titelverhaal ook uit de verhalen ‘Achter het licht’ en ‘De waarheid en mevrouw Kazinczy’. In mijn voordracht gaat het uiteraard alleen over de kleine roman, oftewel het titelverhaal. Het boek heeft een eigen Wikipedia-pagina, zie hier >>

Een verkorte versie van mijn voordracht verscheen als column in De Gelderlander.

Aardbeien

In de zomer van ’97 was alles anders. Elke ochtend stond ik om 5 uur op en fietste van Beuningen naar de Grootstalselaan in Nijmegen, terwijl de zon langzaam opkwam. Eenmaal bij het aardbeienveld aangekomen, zaten de Vietnamezen al een uur op de grond tussen de planten. De plukkers waren allemaal Vietnamezen, want zij hadden kleine vingers en konden daardoor sneller plukken, zo leerde ik.
.
Op mijn eerste dag rende ik tussen de planten door en werd meteen teruggeroepen. Ik dacht dat ik snel moest zijn, maar rennen hou je niet een hele dag vol. Het was mijn taak om de kistjes te verzamelen die op de paden werden achtergelaten. Bij elk kistje dat ik optilde, noemde ik de naam van de plukker die verderop in de rij zat. Ze hadden namen als ‘Lindenholt’, ‘Aardbei’ en ‘Cruijff’, om het voor mij gemakkelijk te houden. Aan het einde van het veld werden de kistjes opgestapeld en kregen de Vietnamezen per kistje een streep achter hun naam. Ik werd per uur betaald, zij per kistje. De verschillen tussen de plukkers onderling waren groot en zichtbaar. Een oudere vrouw was telkens het verst in het veld. Een klasgenoot van me keek veel om zich heen, hij zat altijd vooraan in de rij.
.
Het aardbeienveld is al lang weg. Meneer Jos, zoals hij door de plukkers werd genoemd, heeft een paar jaar na die zomer een perenbedrijf in het Westen gekocht. Inmiddels is hij met pensioen. Mijn klasgenoot – de trage plukker – is getrouwd, heeft een kind en werkt voor een restaurant dat met Oosterse gerechten op muziekfestivals staat. De andere plukkers heb ik nooit meer gezien. En ik? Ik eet aardbeien uit de supermarkt, die eigenlijk veel te groot en te rood zijn.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kip

Bericht uit Beuningen. Een kip was de Hosterdstraat overgestoken. Mijn moeder vond veren op het terras. Bij de stal zag ze het beestje onrustig heen en weer lopen. Dat was er een van de buren, wist ze. Te grazen genomen door onze honden. Mijn moeder sloop op het dier af en zette haar in het hok bij onze vier kippen.
.
Toen ik de volgende dag op bezoek was, nam mijn moeder me mee naar het kippenhok. Ze keek door het raam en deed verslag, al kon ik het zelf ook wel zien. Er stond een los stuk gaas in het hok ter bescherming van de nieuwe kip, want ze werd nog niet bepaald geaccepteerd. En dat terwijl ze allemaal even wit waren.
.
Een week later vroeg mijn moeder of ik de kippen wilde voeren. Het gaas was weg, maar ik moest de etensresten wel goed over het hok verspreiden.
Het blijft een stiefkind, zei ze.
’s Nachts droomde ik van de kippen en van mijn moeder. Ik was een alcoholist. De symboliek ontging me.
.
Een Canadees meisje liep vijf dagen stage op de boerderij. Mijn moeder probeerde Engels tegen haar te praten, maar ze kwam steeds bij het Duits terecht. Zo vertelde ze in het Duits over de nieuwe kip. De Canadese bekende me op haar laatste dag dat ze er niets van had verstaan. Zelfs het verschil tussen het Nederlands en het Duits was haar ontgaan.

Deze week liepen de kippen buiten. De nieuwe scharrelde ontspannen tussen de anderen. Ik vond vier eieren in het hok. Dat leek me veelzeggend, de acceptatie was maar schijn. Mijn moeder vermoedde echter dat ze om beurten een dag rust hielden. Ik kon dat niet geloven, maar toen vertelde ze dat ze tot voor kort elke dag drie eieren legden. Alles wees op een happy end.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Fiets

Voor het dorpshuis van Weurt staat al twee maanden een fiets geparkeerd. Vorige week werd op de Facebookpagina van De Kloosterhof een oproep geplaatst: “Wie o wie mist zijn/haar fiets?”. Een foto toonde de tweewieler eenzaam badend in het zonlicht.
.
Ik zag de oproep langskomen en dacht met schrik aan de oude fiets van mijn vriendin. Zou dat ding nog steeds aan de Marialaan staan? Toen we in oktober van Nijmegen-West naar -Noord verhuisden, vergaten we de fiets met de lekke band mee te nemen. Ze stond toen al een tijdje voor onze flat, schuin hangend aan een kettingslot in het fietsenrek. Na de verhuizing reden we met de auto af en toe voorbij en elke keer kwam de fiets terug in onze gedachten, met het bijbehorende schuldgevoel. We moesten het sleuteltje vinden, de band maken en naar het nieuwe huis fietsen. Simpel, maar eenmaal thuis vergaten we de fiets weer.
.
Met mijn eigen fiets keerde ik ook een paar keer terug naar de flat. Dat was niet de bedoeling. Ik fietste van mijn werk naar ons nieuwe huis en raakte in gedachten verzonken. Ik sloeg af waar ik altijd had afgeslagen en voor ik het wist stond ik voor de flat. Een keer zette ik zelfs mijn fiets op slot en probeerde met de sleutel van het nieuwe huis de voordeur van de flat te openen. Het duurde even voor ik doorhad wat ik aan het doen was. Ik schaamde me nu niet alleen voor de fiets van mijn vriendin.
.
Het bericht over de fiets in Weurt werd 12 keer gedeeld. Binnen een dag was de eigenaar gevonden. Wij moesten ook maar eens actie ondernemen. Zondag pakten we doelbewust de auto naar de Marialaan. Stapvoets reden we langs de flat. De fiets was weg. Ons schuldgevoel nog niet.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Heimat


.
Toen ik een huis zocht in de stad, vroeg mijn vader of ik ook aan de omliggende dorpen had gedacht. Beuningen bijvoorbeeld.
Toen ik mijn trouwplannen bekendmaakte, merkte mijn vader op dat je de plechtigheid tegenwoordig niet meer hoeft te houden in de plaats waar je woont. Het kan ook in Beuningen.
En toen ik een sportvereniging zocht, zei mijn vader dat ik misschien verder moest kijken.
‘Wat dacht je van een club in Malden, Wijchen of… Beuningen?’
.
Mijn vader die tegen mij zegt dat ik verder moet kijken – het klinkt als een goeie grap. Hij is geboren in Beuningen, heeft nooit ergens anders gewoond en zal dat ook niet meer gaan doen. Als hij naar een bedrijf of instantie belt, is het eerste wat hij zegt: ‘Met Claassen uit Beuningen’. Toen hij dit voorjaar vakantie vierde op Terschelling, noemde hij de hoofdweg van het eiland steeds ‘de Van Heemstraweg’.
.
Mijn vader groeide op in een dorp met zo’n 2.000 inwoners. Weurt, Ewijk en Winssen waren destijds van ongeveer vergelijkbare grootte. In ruim zestig jaar zijn de inwonersaantallen van die drie dorpen verdubbeld. Maar Beuningen werd negen keer (!) zo groot. Mijn vader behoort tot de oude kern. Soms denk ik dat hij door die enorme groei zo gehecht is aan zijn dorp.
.
Uiteraard heb ik wat van die hechting meegekregen. Ik lees over Beuningen, schrijf over Beuningen en ik vergelijk op vakantie Rome met Beuningen. Dat gaat nog een generatie verder. Mijn nichtje vroeg eens (ze was toen 3) waar ik woonde.
‘Wat denk je?’
Ze dacht in Beuningen.
Toen ik mijn hoofd schudde, riep ze: ‘Ewijk!’
‘Nijmegen.’
Verwonderd herhaalde ze wat ik zei. Haar wereld werd ter plekke een stuk groter.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dochter


.
Bij mijn ouders hangt een foto aan de muur van mij als baby op schoot bij opa. De foto is gemaakt op een zonnige dag in onze tuin. Het is begin jaren 80. We wonen nog op de oude boerderij middenin het dorp, tegenover café De Vrijboom. Ik ben mollig, heb hamsterwangen en ik frons naar de camera.
.
Toen mijn eerste dochter was geboren, werd deze foto gedeeld in de Whatsappgroep van de familie. Om te vergelijken. In de eerste weken had ze veel van me weg. Volgens psychologen heeft dat met evolutie te maken. Pasgeborenen hebben een reden om meer op hun vader dan op hun moeder te lijken. Op moeders zorg kun je altijd wel aan, zij weet meestal wel welk kind van haar is. Van een vader die niets van zichzelf in het nageslacht herkent, moet je de zorg nog maar afwachten. Maar na een tijdje is dat niet meer nodig en verdwijnen de overeenkomsten tussen vader en kind. Zo ging dat ook bij ons. Al mijn kenmerken verdwenen. Ze werd een kopie van mijn vriendin in haar jonge jaren. Het enige van mij wat overbleef was de Claassenneus.
.
Dochter nummer twee, nu ruim drie maanden oud, lijkt nog steeds op mij en het ziet er naar uit dat dit zo blijft. Ze heeft de vormen die ik toen had: hamsterwangen, onderkin en breekbroodbeentjes. Een waar Michelinvrouwtje. Ook haar karakter komt overeen. Ze is rustig, kijkt veel en aandachtig rond, en ze kan zowel fronzen als lachen (nooit iets er tussen in). Ik vind het extra fijn om voor haar te zorgen, maar het doet wel iets met mijn zelfbeeld. Mijn vriendin vatte het samen toen ze een foto van haar naar vrienden appte. “Geen schoonheidsprijs, maar wel een zonnetje in huis!”, schreef ze er onder.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Glimlach

..
Dinsdagmiddag, Van Heemstraweg ter hoogte van Weurt. Vanuit mijn auto zie ik een man fietsen met een enorme glimlach op zijn gezicht. Ik herken hem meteen. Aan zijn houding, zijn snelheid, maar vooral zijn gezicht, met die glimlach. Hij is geen steek veranderd. Hij fietst van zijn werk naar huis, zoals hij dat al jaren doet, zo weet ik.
.
Frank Reuser.
Op de basisschool zat ik bij zijn oudste zoon in de klas. Ik kwam weleens bij hen thuis om te spelen.
Bij de Beuningse Boys was hij de leider van ons voetbalteam. Elke uitwedstrijd reed ik met hem en zijn zoon mee. Vanaf de zijlijn gaf hij aanwijzingen.
Op latere leeftijd werd hij lid van fanfare Kunst en Volharding. Hij kwam als hoornist naast me in het orkest te zitten. Nu waren de rollen omgedraaid. Tijdens de repetities wees ik hem aan waar we precies in de partituur waren.
Daar houdt het niet op.
Sinds twee jaar werk ik in het kantoorgebouw waar hij jarenlang heeft gewerkt. Zijn bedrijf is verhuisd naar een andere plek in de stad. Misschien zit ik met mijn bureau wel op de plek waar hij altijd heeft gezeten.
.
Frank Reuser op de fiets, sommige dingen veranderen nooit. Nog altijd is hij lid van de fanfare en nog altijd maakt hij deze dagelijkse rit van Beuningen naar de stad, en terug. En dan die ontspannen glimlach. Het is een glimlach die voor niets of niemand bedoeld is en dat vind ik er zo mooi aan. De glimlach is voor Frank zelf. Een binnenpretje. Het is een glimlach die mij aan het glimlachen maakt. Misschien wordt het opgepikt, ziet iemand mij in mijn auto glimlachen en neemt ’m over, zodat de glimlach de wereld over gaat. Dat zou mooi zijn, maar het hoeft niet.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Batenburg


.
Ik ontving een vriendschapsverzoek op Facebook van mijn eerste liefde. Min of meer eerste liefde. Het was van het niveau ‘handjes vasthouden’ en ik vraag me sterk af of het wel tot handjes vasthouden is gekomen. Ze kwam uit Batenburg en daar zat meteen het probleem: de afstand.
.
We leerden elkaar kennen op De Groene Heuvels, wat op de route tussen haar en mijn huis precies in het midden lag. Ik weet nog dat we samen om de plas liepen. Zo lang was ik nog nooit alleen geweest met een meisje dat geen familie was. Er gebeurde uiteraard niets. Al snel daarna fietste ik van Beuningen naar Batenburg, een tocht van een uur. Ze had thuis een schommel en twee broertjes. We hingen wat rond bij die schommel en haar broertjes vroegen steeds of we gingen trouwen, wat ik vervelend maar ook wel leuk vond. We schreven een paar brieven en toen hield het op. Er was niet veel om over te schrijven, denk ik, en ik had blijkbaar geen zin om nog eens helemaal naar Batenburg te fietsen. Of de plas rond te lopen als er niets zou gebeuren.
.
Op Facebook bekijk ik foto’s van haar. Ik zou haar niet hebben herkend als ik haar op straat was tegengekomen. Er gaapt een groot gat tussen De Groene Heuvels en nu. Ik kan me nu, in het bezit van een auto en een gezinsleven, ook moeilijk voorstellen dat ik een uur heen en een uur terug zou fietsen om iemand te bezoeken. Als ik met mijn dochter een rondje door de wijk fiets, ben ik de straat nog niet uit of ze roept vanuit haar zitje: ‘Duurt-ta-lang!’ Ik begrijp dat wel. Al zou het wel mooi zijn: een uur verlangen op de fiets en een uur nagenieten. Tenminste, als het goed is.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

 

 

Bioscoop

Het was een goed idee van mijn gehandicapte zus en dat vond ze zelf ook. ‘Ik ben slim hè!’ Haar meest gebruikte zin, maar dit keer had ze helemaal gelijk. We hadden de bioscoop voor ons alleen.
Terwijl de zon ondraaglijk hard op het dorp scheen en er op de boerderij gekuild werd – zwaarste klus van het jaar – konden wij in de zaal met airco zitten waar we maar wilden.
.
Al een half jaar geleden had ik mijn zus beloofd om een keer samen naar de film te gaan. Telkens kwam er iets tussen, maar dan herinnerde mijn zus me na een tijdje weer fijntjes aan mijn belofte.
.
Het was mijn eerste bezoek aan de bioscoop in Beuningen. Mijn zus pakte de menukaart, die op het tafeltje voor onze stoelen lag, en wees het eerste plaatje aan dat ze zag. Bitterballen, graag. En een cola-light.
Ik liep de zaal uit naar de kassa, maar dat was niet de bedoeling. Je moest bij je stoel op het knopje drukken en dan kwamen ze de bestelling opnemen, ook als er verder niemand in de bioscoop was.
‘Zijn we een servicebioscoop of niet?’ zei de medewerkster vrolijk.
.
Het licht werd gedimd. We zetten de 3D-bril op. Ondanks de jampotglazen van haar eigen bril paste deze er nog wel bij. Terwijl de eerste smurfen over het scherm huppelden, zocht ze naar de bitterballen. Ik hielp haar door de schaal voor haar neus te houden, maar het bleef lastig. Een bal werd pas bij de derde poging in de mosterd gedoopt.
.
De blauwe figuurtjes beleefden allerlei avonturen, maar mijn zus concentreerde zich vooral op één verhaallijn. Smurfin was de boosdoener, veel meer dan Gargamel, en zuslief maakte zich zorgen om Grote Smurf.
Toch kwam het allemaal goed.
.
Op de tandem fietsten we terug. Nog voor we op de boerderij waren, polste ze me voorzichtig voor een volgend uitje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verhaal op De Internet Gids

Voor De Internet Gids (de website van literair tijdschrift De Gids) onderzoeken 26 schrijvers wat het betekent om ergens bij te horen en alleen te zijn. Mijn aandeel aan het ‘Grote Groepsgevoel’ is een stuk proza over de ultieme schlemiel van de groep: de na-aper.

Een fragment:
Een paar dagen geleden fietste ik een tijdje achter vier puberjongens aan die op weg waren naar school. Ze reden twee aan twee en ik had de indruk dat dit hun vaste posities waren. Linksvoor fietste de leider. Hij had niet het hoogste, maar wel het laatste woord.

Het volledige verhaal lees je hier.