Bioscoop

Het was een goed idee van mijn gehandicapte zus en dat vond ze zelf ook. ‘Ik ben slim hè!’ Haar meest gebruikte zin, maar dit keer had ze helemaal gelijk. We hadden de bioscoop voor ons alleen.
Terwijl de zon ondraaglijk hard op het dorp scheen en er op de boerderij gekuild werd – zwaarste klus van het jaar – konden wij in de zaal met airco zitten waar we maar wilden.
.
Al een half jaar geleden had ik mijn zus beloofd om een keer samen naar de film te gaan. Telkens kwam er iets tussen, maar dan herinnerde mijn zus me na een tijdje weer fijntjes aan mijn belofte.
.
Het was mijn eerste bezoek aan de bioscoop in Beuningen. Mijn zus pakte de menukaart, die op het tafeltje voor onze stoelen lag, en wees het eerste plaatje aan dat ze zag. Bitterballen, graag. En een cola-light.
Ik liep de zaal uit naar de kassa, maar dat was niet de bedoeling. Je moest bij je stoel op het knopje drukken en dan kwamen ze de bestelling opnemen, ook als er verder niemand in de bioscoop was.
‘Zijn we een servicebioscoop of niet?’ zei de medewerkster vrolijk.
.
Het licht werd gedimd. We zetten de 3D-bril op. Ondanks de jampotglazen van haar eigen bril paste deze er nog wel bij. Terwijl de eerste smurfen over het scherm huppelden, zocht ze naar de bitterballen. Ik hielp haar door de schaal voor haar neus te houden, maar het bleef lastig. Een bal werd pas bij de derde poging in de mosterd gedoopt.
.
De blauwe figuurtjes beleefden allerlei avonturen, maar mijn zus concentreerde zich vooral op één verhaallijn. Smurfin was de boosdoener, veel meer dan Gargamel, en zuslief maakte zich zorgen om Grote Smurf.
Toch kwam het allemaal goed.
.
Op de tandem fietsten we terug. Nog voor we op de boerderij waren, polste ze me voorzichtig voor een volgend uitje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verhaal op De Internet Gids

Voor De Internet Gids (de website van literair tijdschrift De Gids) onderzoeken 26 schrijvers wat het betekent om ergens bij te horen en alleen te zijn. Mijn aandeel aan het ‘Grote Groepsgevoel’ is een stuk proza over de ultieme schlemiel van de groep: de na-aper.

Een fragment:
Een paar dagen geleden fietste ik een tijdje achter vier puberjongens aan die op weg waren naar school. Ze reden twee aan twee en ik had de indruk dat dit hun vaste posities waren. Linksvoor fietste de leider. Hij had niet het hoogste, maar wel het laatste woord.

Het volledige verhaal lees je hier.

 

 

Notabele

Wanneer de bezetting goed is, dan krijgt het publiek iets moois te horen. Meestal zijn de kritieken na concerten lovend. Wij moeten er echter voor zorgdragen, dat het niveau zo blijft en mogelijk nog beter wordt. Want het is plezierig zulke positieve dingen over de club te kunnen schrijven.
.
Aldus Ab Bruisten, verenigingsman te Beuningen, in 2003 in het blaadje van fanfare Kunst en Volharding. Vorige week werd hij begraven. In de stukken die over hem verschenen, werd het nog eens opgesomd. Behalve voorzitter van de fanfare was hij actief bij de voetbalclub, de tennisvereniging, het Bevrijdingscomité en de kerk. Een architect, en daarmee een notabele. Een ouderwetse notabele, een uitstervend ras.
.
Ik heb Bruisten nooit echt gesproken en daardoor ook niet echt gekend. Toen ik hoorn speelde bij de fanfare hield ik afstand van het bestuur, net zoals ik op school afstand hield van mijn leraren. Ik zocht geen contact, omdat ik het idee had dat je iets van ze wilde als je contact zocht. Ook had ik niet zoveel met mensen die er boven staan, ik stond er liever tussenin. Ik was me nauwelijks bewust van hoeveel tijd en energie ze er in staken.
.
Toch had ik ook ontzag voor Bruisten. Een keer ving ik op dat hij elke zondag naar Buitenhof keek. Ik keek dat ook omdat ik journalistiek studeerde, maar ik begreep maar de helft van wat er in dat programma werd gezegd. Het vormde mijn beeld van hem.
.
De laatste tijd dacht ik nog weleens aan Bruisten. Ik hoopte dat hij mijn columns las en er iets van vond. Ik hoefde niet te weten of hij dat echt deed, de mogelijkheid was genoeg. Dat is de rol van de notabele. Hij staat er boven. Voor hem doe je je best.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Huwelijk

.
Mijn opa en oma trouwden op 20 mei 1941. Het feest was in Neerbosch op boerderij De Bloemberg, waar mijn oma was opgegroeid. Op het menu stond onder meer Julianasoep, Parijse aardappeltjes, kalfsoesters en vanille-ijs.
.
Op mijn oude slaapkamer ligt een doos vol papieren uit die tijd. Ik neem ’m door en vraag me af of het onvermijdelijk was dat ze elkaar in de oorlog het ja-woord gaven. Waarschijnlijk wel. Ze hadden grote plannen en daarvoor moest je getrouwd zijn. Ze wilden een boerenbedrijf starten aan de Wilhelminalaan in Beuningen en een groot katholiek gezin stichten.
.
De brieven aan het bruidspaar staan vol gelukwensen, de oorlog is bijzaak. ‘Die rare wereld’, zoals iemand het noemt, wordt liever onvermeld gelaten bij zo’n heuglijke gebeurtenis. Toch konden de briefschrijvers er niet omheen. Het gaat ook over voedselbonnen, evacuaties en bombardementen.
.
Piet van Schijndel schrijft het meest expliciet over de oorlog. ‘De groote Dictators van Europa, kunnen den vrede niet vinden, omdat ze elkaar niet verstaan en begrijpen willen. Gelukkig dat de schoone, fiere, Jonge Boer en Boerin de ware vrede nog moge vinden.’
En verderop: ‘Jammer dat de internationale toestand het niet toe laat, anders zou den Bloemberg vandaag verborgen liggen onder de vlaggen en wimpels. Maar ongetwijfeld weet ik dat dit Bruiloftsfeest thans, door u allen binnen met des te meer liefde en vreugde gevierd zal worden.’
.
Het huwelijk vindt plaats in de maand dat Joden niet langer welkom zijn in bioscopen. Het ergste moet dan nog komen. Lokaal: het neerstorten van een bommenwerper net buiten Beuningen en het Vergissingsbombardement. Internationaal: de Endlösung.
.
De enige foto van de bruiloft is een portret van mijn grootouders. Opa glimlacht naar de camera, oma kijkt enigszins gespannen naar iets achter de camera. Alsof ze wist dat de wereldgeschiedenis hen voorlopig niet met rust zou laten.
.
Deze column verschijnt in De Gelderlander.

Vingerafdruk

.
Bij de kinderopvang van mijn dochter werken ze met vingerafdrukken. Als ik haar wegbreng of ophaal moet ik bij de ingang mijn rechterwijsvinger op een klein kastje leggen en dan zegt de poort ‘klik’. Op dagen dat ze niet verwacht wordt, als ik bijvoorbeeld haar vergeten laarsjes op moet halen, is er geen klik. Dan moet ik aanbellen.
De opvang bevindt zich niet in de grote boze stad, niet in een buurt met een slechte naam, niet in een anonieme nieuwbouwwijk, maar in een pittoresk dorpje hier in de omgeving. .
.

The times they are a-changin’. Onlangs kwam ik mijn vroegere leider van de Beuningse Boys tegen. Hij vertelde dat hij videobanden van vijfentwintig jaar geleden aan het overzetten was naar dvd. Er zaten ook beelden bij van wedstrijden en hij ontdekte dat hij in de kleedkamer had gefilmd. ‘Dat kon toen nog,’ zei hij.
.
Op een feestje begin ik tegen een goede vriendin, moeder van drie kinderen, over het systeem met de vingerafdrukken. Ik vraag of het bij haar opvang in de stad ook zo wordt gedaan. ‘Nee, daar loop je zo binnen.’ Ze vindt die vingerafdrukken juist een onveilig idee. Tenminste, dat is haar eerste reactie. Ze vertelt dan over de bouwvakkers die in de buurt van haar opvang aan het werk waren. Bij de ingang hadden ze foto’s van hen opgehangen. ‘Ik begreep niet meteen waarom dat was, maar ik was daar toch wel blij mee.’
.
Ik denk aan mijn leider van vroeger, iemand die nooit iets kwaads heeft gedaan, daar durf ik mijn beide handen, en ook mijn beide voetbalvoeten, voor in het vuur te steken. Angst heeft vat op ons, en misschien is dat terecht. Maar het komt uiteindelijk toch vooral neer op iets wat van alle tijden is: de goeden lijden onder de kwaden.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Niet weten

1.
Een kruiwagen en een ladder bungelen elke avond aan een kraan voor het huis. Ik heb op Google opgezocht wat het betekent, waarom de bouwvakkers dat doen, maar ik kan er niets over vinden.
Het is ook wel mooi om het niet te weten, om het een mysterie te laten zijn. Behalve als er uiteindelijk een eenvoudige, praktische reden achter schuilgaat. Dan is het vooral knullige onwetendheid.
.
2.
P. is boos op de wind.
‘Hoetteniet wind!’ roept ze vanuit haar zitje, voor op de fiets.
Ze schudt met haar hoofd, veegt de haren uit haar gezicht. De elementen, ze heeft het er niet zo op.
Ik grinnik, omdat ze niet weet wat haar te wachten staat. Ze zeult de hele dag met een babypop, maar ze heeft geen idee.
Voorlopig maakt ze zich druk om de wind.
.
3.
Vier weken geleden stond bij mijn ouders een ooievaar in de wei. Ik kreeg een foto onder ogen met de vraag hoe het met de buik van S. stond. Als het kind op die dag of in die dagen erna was geboren, was er meer tussen hemel en aarde geweest.
Inmiddels is de ooievaar al lang vergeten. Hij komt op plekken waar niemand in verwachting is, waar niemand hem opmerkt.

4.
In de nieuwbouwwijk staan de koop- en huurhuizen door elkaar. Ik probeer te raden welke koop en welke huur zijn. Ook probeer ik te raden welke mensen die hier rondlopen kopers en huurders zijn. Ik geef ze een stempel nog voor ik ze heb gesproken.
.
5.
Met een peuterfiets en een peuterrugzak in mijn handen loop ik door de stad, zonder kind in de buurt.
Er wordt naar me gekeken.
Ik weet zeker dat er naar me wordt gekeken.

6.
Op het terras schuiven de luidruchtige dames met hun doorrookte stemmen van schrik naar het puntje van de stoel.
39 weken? brengen ze tegelijkertijd uit.
Ze kijken naar de buik van S.
Dan wordt het een jongen, zegt de een.
Ja, dan wordt het zeker een jongen, zegt de ander.
Kom hier over een maand terug, dan weten we of we gelijk hebben, zegt de een.

Park


.
Een vriend vertelde me pas dat hij elke keer als hij een Anta Flu in zijn mond stopt, moet denken aan mijn eerste boek. Het is nu precies vijf jaar geleden dat Park uitkwam. In het eerste hoofdstuk schrijf ik over Anta Flu’s: ‘Mijn moeder vond dat snoepjes. Ik vond het meer iets voor als je last hebt van je keel.’
.
Park is onomwonden autobiografisch. De hoofdpersoon heet Willem en de eerste zin luidt: ‘Mijn moeder bracht me naar Beuningen.’ Het boek gaat over het jaar dat mijn leven stilstond en ik in mijn eentje in een chaletpark woonde. Een bijzonder aspect van een autobiografisch verhaal is, en dat drong pas later tot me door, dat het nooit af is.
.
Neem de omgeving waarin het boek zich afspeelt. Om van mijn werk bij het park te komen, moest ik met mijn fiets dwars door een nieuwbouwwijk. Ik vond die wijk maar niets. In het boek probeer ik dat subtiel weer te geven: ‘Om de paar huizen stond er een ooievaar in de tuin. Op het fietspad moest je uitkijken voor kinderen op stepjes en driewielers.’
.
Er is een paar jaar overheen gegaan en mijn leven is in een stroomversnelling gekomen. Ik ben drie keer verhuisd, vader geworden, getrouwd en mag binnenkort een tweede kind in slaap gaan wiegen. Sinds enkele maanden woon ik op steenworp afstand van het park, in een nieuwbouwwijk die net is aangelegd en die naast de wijk ligt waar ik over schreef.
.
Ik kijk nu anders tegen veel dingen aan en daarmee is het boek een tijdsdocument geworden. Dat blijkt alleen al uit deze passage over mijn broer en zijn dochter: ‘Hij zong een kinderliedje. Hij deed het zonder aarzelen, met een iets te hoge stem. Het was heel vreemd om mijn broer zo bezig te zien.’
.
Park is hier te verkrijgen.

Taart


.
Ik was op de verjaardag van mijn vader en at taart toen mijn vader vroeg of ik het nieuws al had gehoord. Het azc komt er niet. Hij wist dit omdat hij eerder die dag de taart had opgehaald bij de bakker in Ewijk. De klant die voor hem was, kocht ook een taart en vertelde erbij dat er wat te vieren viel, want er was een brief gekomen over het azc. Hij ging ook champagne halen.
.
Ik luisterde naar het verhaal en keek naar het gebaksvorkje dat ik voor mijn mond hield. Het was ineens alsof het een stuk van die andere taart was, alsof ik met die persoon aan tafel zat. Ik legde het vorkje terug op mijn bord.
.
Eenmaal thuis zette ik muziek op van de Zeeuwse zanger Broeder Dieleman. In een lied dat hij schreef voor zijn twee dochters zingt hij zacht en rustig “fuck de haters”. De context is anders, maar het greep me aan. Ik probeerde niet boos te zijn op die taartkoper, ik probeerde hem te begrijpen, maar het was moeilijk.
.
Mijn gedachten gingen naar Barcelona. Twee weken geleden gingen daar 160.000 mensen (!) de straat op om te pleiten voor het binnenhalen van meer vluchtelingen. Reden: Spanje had in 2015 beloofd zestienduizend vluchtelingen op te nemen, maar tot nu toe zijn pas duizend mensen toegelaten. Ondertussen zit Lesbos vol en proberen vluchtelingen nog altijd de Middellandse Zee over te steken. Of er in Ewijk geen azc meer nodig is? Het is maar waar je een muur bouwt.
.
Goed, je kunt opgelucht zijn met het nieuws. Maar taart? Ik luisterde naar het prachtige dialect van Broeder Dieleman en ik wou dat die taartkoper het kon horen:

Draag je n eigen
licht deu de dag
tot a je savonds
slapen mag
en oort dan wakker
mee de vraag
wa vieren we
vandaag
.
en fuck de haters

.

.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Machthebber

.
Het blijft een apart gezicht: volwassenen met een cape om en een pauwenveer op hun hoofd die onder hoempamuziek een zaal binnenkomen. Ik hou van carnaval, ben ermee opgegroeid, maar inmiddels ken ik meer mensen die niets met het feest hebben dan die dat wel hebben. En ik begrijp ze. Een beetje.
.
Dit jaar bestaat het Beuningse prinsengezelschap uit vier bekenden, dat is me nooit eerder overkomen. Met prins Paul ging ik ooit eens op vakantie naar Duitsland, adjudant Heino is mijn neef en tevens degene die me tijdens carnaval de grote zaal binnenloodste terwijl ik daar eigenlijk nog te jong voor was, met page Marlien bouwde ik jarenlang carnavalswagens en met page Sandra heb ik veel geproost op carnaval.
.
Op Facebook zag ik foto’s voorbij komen van de prinsonthulling en ik moest daar ineens aan wennen. Volwassenen in kostuums, ze leken het zo ontzettend belangrijk te vinden. Er volgden meer en meer foto’s, en toen viel bij mij eindelijk het kwartje. Carnaval is een spel en een spel moet je serieus spelen, anders kun je het beter laten. Dat is wat ze doen: ze nemen het spel serieus, maar zichzelf niet al te. De ideale combinatie.
.
Carnaval is zo’n mooi spel omdat het een narrenfeest is. Drie dagen lang wordt het publieke leven flink op de hak genomen, met eigen regels, eigen rituelen, eigen muziek en eigen machthebbers. Prins Paul 2 is niet democratisch gekozen en voerde campagne nadat hij al was gekroond. Het is de wereld op z’n kop. De afgelopen tijd bezocht hij vrijwel elke groep in Beuningen die een carnavalswagen bouwt. Hij dronk een biertje en maakte een praatje. Een machthebber die er is voor zijn volk, simpelweg door er ook echt te zijn, dat zie je niet altijd. Zelfs niet in verkiezingstijd.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.