Een maandagmorgen in Beuningen

Ik was maandagmorgen in Beuningen. Ik had wat boodschappen gedaan toen het opeens hard begon te regenen. Ik was daar niet op gekleed en ging onder het kleine afdak van een makelaar staan. Het moet er vreemd hebben uitgezien. Terwijl er steeds maar mensen voorbij renden, stond ik voor lange tijd in mijn eentje voor een etalage met veel te dure huizen. Drie keer las ik alle prijzen. Uiteindelijk koos ik voor de regen.
.
Eenmaal aangekomen bij de bushalte voor de kerk was het droog. Ik ontdekt dat er maar één buslijn langs deze halte kwam, twee keer in het uur. Ik heb altijd gedacht dat er meerdere bussen deze route namen. Nu moest ik nog vijfentwintig minuten wachten.
.
Aan de overkant van de halte was een kermis opgesteld. Er was niets te doen. De meeste attracties waren ingeklapt. Mijn aandacht ging naar de enige beweging op het terrein. Een man was de blauwe vloer van zijn attractie aan het schrobben. Zou het vooral kots zijn wat hij weg moest boenen? In de plaatselijke krant had ik gelezen dat de mensen van de kermis hadden geklaagd over het geringe aantal bezoekers. Dat zou komen omdat het in een ander weekend werd gehouden dan de voorgaande jaren.
.
Het duurde nog een kwartier voor de bus kwam. Ik besloot in de tussentijd het graf van mijn opa en oma te bezoeken, dat was twee minuutjes lopen. Het lag er allemaal goed bij. Aan de hand van de jaartallen rekende ik uit hoe oud ze ook alweer waren geworden. Ik bleef nog even staan en liep toen terug. Toen ik dicht langs de kerk kwam zag ik een bord staan waar één brief aan hing. Het was een waarschuwing. Bij overwoekerende  graven zou de beheerder zonder overleg planten en ander groen verwijderen.
.
De bus liet nog even op zich wachten. De man die zijn attractie schoonmaakte was nergens te bekennen.
Ik stapte als enige in.

Grote zus

Het Nieuwe Zwart gaat de grens over. Dennis, Hanneke en ik gaan om de twee weken stukjes schrijven voor de Vlaamse organisator van de Kunstbende, genaamd Villanella. Dit betekent dat ik om de zes weken aan de beurt ben. Mijn reeks heet Grote zus en gaat over mijn zeven jaar oudere en dertig centimeter kleinere zus.
Het eerste stukje is nu te lezen op Villanella.
En hier.
.
Mens erger je niet
.
Ze ruikt meteen onraad als ik de woonkamer binnenkom. Mijn grote zus, zittend aan de hoge tafel, haar korte benen steunend op de stoel aan de andere kant van de tafel, draait haar hoofd een paar graden mijn richting op om te zien wat daar door de kamer beweegt. Die dikke bril van haar helpt maar mondjesmaat. De sterkte van haar ogen is -13 en ze heeft pupillen die altijd maar in beweging zijn. Dat en nog veel meer kreeg ze gratis en voor niks bij haar Downsyndroom.
.
Toch heeft dat knikje mijn kant op voldoende informatie opgeleverd. Ze kent haar familie. Ze concentreert zich weer op het spel dat voor haar neus ligt, meer nog dan daarvoor. Dit is haar tactiek: als ik net doe alsof ik heel intensief met dit spel bezig ben, laat hij me vast met rust.
.
Ze dobbelt sneller, behendiger ook. Een korte koprol en de dobbelsteen ligt al stil. Ze leest het aantal ogen. Daarvoor moet ze haar neus bijna op de steen drukken. Mijn grote zus behoort tot het selecte gezelschap dat Mens erger je niet alleen kan spelen, soms uren lang.
‘Vier’, mompelt ze als ze de vier zwarte puntjes heeft geteld en grijpt naar het gele poppetje. Het zijn altijd de gelen en de roden die ze laat winnen. Dat is vast wetenschappelijk te verklaren. Waarschijnlijk zijn die twee kleuren het aardigst voor haar moeilijke ogen.
.
Ze doet goed haar best om me uit de buurt te houden, maar het is natuurlijk kansloos.
‘Mag ik meedoen?’ vraag ik met een veel te vriendelijke stem.
‘Nee’, zegt ze snel en beslist.
Ik kijk welke kleur er nog niet in het speelveld staat.
‘Ik wil blauw wel zijn. Die hebben nog geen zes gegooid.’
Mijn grote zus zucht. Gaat dan verder met dobbelen.
Ik pak de stoel waar haar voeten op liggen en schuif ‘m naar achteren. Haar korte benen maken een vrije val.
‘Nou-hou!’ roept ze en gooit haar hoofd in haar nek.
Ik ga tegenover haar zitten, sla mijn armen over elkaar en buig rustig naar voren.
‘En? Wie is er aan het winnen?’
Weer die veel te vriendelijke stem.
Ze ruimt het spel op.
Mijn verbaasde gezicht is het gezicht van iemand die opnieuw, voor de zoveelste keer, heeft gescoord. Zoveel-nul.

‘Er ligt anders nog een heel pak hoor’

Ze had het niet helemaal begrepen. Het oude vrouwtje hield mijn verhaal in haar handen en was niet van plan het me zomaar terug te geven. Ik leek het bijna uit haar handen te moeten trekken.
Het was even voor mijn optreden vandaag in de St. Nicolaaskapel, het oudste gebouw van Nederland dat zich in de originele staat bevindt (zo goed als mogelijk dan). Het is een rond gebouw. Het toegestroomde publiek kwam niet alleen voor literatuur, ook voor het gebouw zelf. Sommigen kozen een stoel om te zitten, terwijl anderen een rondje liepen in de buitenring. De oude vrouw behoorde tot de laatsten.
Ik had mijn teksten op het altaar neergelegd. Blijkbaar iets té uitnodigend. Ik werd door iemand gewaarschuwd toen de vrouw de bovenste pagina van de stapel had gepakt en was gaan lezen. Niet lang daarna greep ze nog twee blaadjes, waarmee ze driekwart van mijn voor te lezen verhaal in handen had. Ze liep verder. Ik sprak haar aan.
‘Sorry mevrouw. Dat is mijn verhaal, ik heb het nodig.’
‘Maar dat lag daar gewoon’, zei ze.
‘Maar ik heb het nu nodig om voor te dragen’.
Met twee vingers trok ik zachtjes aan de papieren in haar handen.
‘Er ligt anders nog een heel pak hoor’, zei ze volhoudend.
Toch gaf ze toe. Ik had mijn verhaal terug, het was weer volledig. De oude vrouw verdween uit de kapel. Ik legde de blaadjes terug op het altaar en wachtte tot ik aangekondigd zou worden. Vlak voor dit gebeurde wilde ik de tekst pakken. Nu was het een man die met mijn verhaal in zijn hand stond.

Geef deze branddeur de ruimte

Flux sWe zijn een uitzondering.
Bart van Oost, Ingeborg Klarenberg, Hanneke Hendrix en ik treden zaterdag op achter een deur in een oude Philips-fabriek. Achter een deur, dat is eigenlijk tegen de regels. Ook nu het enorme gebouw leegstaat, wordt er getracht controle op de zaak te houden. Door de brandweer in dit geval.
Het is jammer dat we een uitzondering zijn, maar we hebben er wel veel zin in. En we zullen ons best doen het waar te maken, die uitzondering. Al zorgt dat misschien voor teveel druk op onze kwetsbare schoudertjes. En dan gaat het ook nog eens persoonlijk worden.
Maar in elk geval geven we de branddeur de ruimte.

Komt dat zien bij flux s, aanstaande zaterdag op de Strijp in Eindhoven van 16.00  tot 20.00 uur.  Er is trouwens meer Literaturjugend in de fabriek, en ook Poetracks. Check.

(De fotootjes zijn trouwens van Dennis, die er een eigen en beter stuk over heeft).

Het houdt niet op. Zondag sta ik op Uitfestival Nijmegen met de jugend. Het is van 13.00 tot 17.15 in de St. Nicolaaskapel op de Valkhof. Ik sta om 14.15 uur.

Flux-S_10

Kruk

Ik vroeg hem om een barkruk en was bang dat hij moeilijk zou doen. Een man met een doorleefde kop, brede schouders en een klein beetje overgewicht.
‘Geen probleem’, zei hij met een lach. ‘Ik haal wel een kruk bij een café hier in de buurt. Ik leen daar wel vaker spullen. Vinden ze prima.’
Hij was al onderweg. In een rechte lijn liep hij naar de uitgang van het festivalterrein. Grote stappen, maar zijn loopje zag er ontspannen uit.
.
Het was tijdens een theaterfestival waar ook literaire en muzikale optredens plaatsvonden. Ik was daar als programmamaker, hij als helpende hand.
De muzikant had even op zich laten wachten. Toen hij er eindelijk was kon hij gelijk gaan soundchecken. Nog voor hij zijn gitaarkoffer had geopend vroeg hij om een barkruk, voor op het podium. Ik zei dat ik gelijk op zoek ging, mijn best zou doen er een op te duiken, zoals een programmamaker dat hoort te doen. Maar goed, ik hoorde niet echt bij het festival. Dus vroeg ik het aan De Helpende Hand. Hij nam de titel van zijn functie letterlijk. Hij zou alles voor me doen. Alles even vriendelijk en met een glimlach. Hij zet stoelen neer, helpt een beamer opstellen, bouwt het podium op, haalt een barkruk. Dat is zijn werk en ik hoop dat hij er goed voor betaald krijgt.
.
Ik keerde terug naar de muzikant. Hij had zijn eerste akkoorden gespeeld.
‘En heb je een barkruk?’, vroeg hij ongeduldig.
‘Daar wordt aan gewerkt. Komt er zo aan.’
Maar het duurde een hele tijd voor De Helpende Hand terugkwam. Ik voelde de blik van de muzikant en ging op de uitkijk staan. Zo zag de muzikant dat ik ermee bezig was en had ik voor mezelf het idee dat ik invloed uitoefende op de snelheid waarmee De Helpende Hand terugkeerde met de kruk.
De soundcheck was afgelopen.
‘Die kruk hoeft niet meer’, zei de muzikant en liep naar de bar om een biertje te bestellen.
Ik bleef staan wachten. Daar kwam De Helpende Hand eindelijk aan. Van verre zag ik hem aankomen, met een bungelende kruk in zijn grote linkerhand. Grote stappen, ontspannen loopje.
‘Uit een café, hier even verderop’, herhaalde hij toen hij me het meubelstuk overhandigde. ‘Vinden ze geen probleem.’ Er klonk iets van trots in zijn stem.
Ik vertelde hem dat de muzikant het zonder kruk wou doen, maar dat hij ‘m misschien op het laatste moment toch wilde gebruiken en dat ik de kruk daarom naast podium zou zetten. Ik wil De Helpende Hand niet teleurstellen, niet boos maken, of iets anders negatiefs.
Hij reageerde vrolijk.
‘Hij moet het maar zien, hij kan ‘m inderdaad altijd gebruiken.’
Maar dat gebeurde niet. De muzikant trad op zonder barkruk. Ik keek tijdens het optreden naar De Helpende Hand achterin de zaal. Hij lachte vriendelijk naar me.
Na afloop liep hij terug naar het café, de barkruk bungelend in zijn grote linkerhand. Grote stappen, ontspannen loopje.

Het begon met een B

Ik moest ergens zijn in de stad en dacht het makkelijk te vinden. De weg volgen tot de rotonde en dan nog een klein stukje verder, de derde weg links. Zoiets. Ik had het van een computerscherm afgelezen, dacht dat dat wel voldoende zou zijn.
Niet dus.
De naam van de straat had ik niet onthouden. Ik wist alleen dat het met een B begon. De straat waar ik terechtkwam begon met een H. Ik keek rond voor een oplossing. Er reed een auto door de straat, ergens was een elektrische zaag aan de gang en er klonk muziek uit een raam. Op de stoep stond een vrouw die tuinafval in een kliko gooide. Ik sprak haar aan. Ze had me niet gezien en schrok hevig. Ze deed een stap achteruit. Toen lachte ze.
Het kwam door al het geluid in haar straat dat ze van me was geschrokken, legde ze uit. We hadden het over B. Ik verontschuldigde me dat ik alleen die letter had onthouden. Zij wist het ook niet, maar wilde me graag helpen. Ze ging haar huis binnen om een stadsplattegrond te halen. Op de stoep ging mijn vinger over de kaart. De stad bleek een stuk complexer. Uiteindelijk vond ik een straat met een B die me bekend voorkwam. Het was vijf straten verderop. Ik stippelde de snelste route uit, dankte de vrouw en vervolgde mijn weg.
Terwijl ik liep begreep ik dat het een rare kronkel in de weg was die voor de nodige verwarring had gezorgd. Ik dacht aan de vrouw met haar kliko. Ik had haar in elke stad tegen kunnen komen en naar de weg kunnen vragen. Ik had in elke stad op dezelfde manier kunnen verdwalen, met alleen een B.
De stad was nog steeds niet van mij.

Lowlands, zo ’t een en ander

1.
Er stond een groep van twintig man rondom een jongen die een tak in de lucht hield.
‘Mooie tak, mooie tak, mooie tak’, zong de groep, terwijl verschillende vingers naar de tak wezen.
Het festival was begonnen.

2.
Voorheen was de Lima een kleine tent, dit jaar een openluchtpodium. Vorig jaar ging ik met mijn zus de Lima in om naar een hilbillybandje luisteren. Mijn zus, die op vrouwen valt, fluisterde bij binnenkomst in mijn oor dat het wel heel erg naar mannenzweet rook. Ik had het niet opgemerkt, ik zag alleen maar een springende menigte en op het podium de oorzaak daarvan. Nu snoof ik geconcentreerd en rook ook zweet, maar kon niet met zekerheid vaststellen dat het mannenzweet was. Goed, er waren veel mannen in de tent, maar ik wist niet of ik mannenzweet van vrouwenzweet zou kunnen onderscheiden. Toch kon ik me heel goed voorstellen dat wat ik rook afkomstig was van een grote groep springende mannen in een kleine, warme ruimte. Mijn zus had moeite met die penetrante geur, maar hield zich groot. We zijn tot het einde gebleven.

3.
Veel trompetten en drumstellen, dat viel op. Toeters bij Beirut, Calexico, Fanfarlo en Kyteman, al weet ik niet of Kyteman zelf een trompet bespeelde of dat het om een cornet of bugel ging. De vorm van het instrument was anders, maar vorm zegt niet alles.
En drumstellen dus. Sommige bands hadden er zelfs twee. Bij Benjamin Herman – samen met C-mon & Kypski – gingen de drums omstebeurt. Hoewel de sfeer geweldig was, evenals de muziek, zag ik toch steeds een beteuterde drummer zitten die even niet mocht slaan.

4.
Er was één moment dat ik vurig wenste ook op zo’n podium te mogen staan. Ik weet niet meer bij welk optreden dat was en of ik toen zanger of alleen muzikant wilde zijn. Ik hoop eigenlijk dat laatste, want voor zanger moet ik nog een extra horde nemen. Ik ben niet toonvast en heb ook geen stem waar ik mensen mee gelukkig kan maken.
Daarna dacht ik aan de hitte op het podium door al die lampen en was weer blij met mezelf.

5.
Ons tentje stond half in een greppel. Steeds schoven we het luchtbed omhoog tegen het tentdoek aan om zo optimaal mogelijk van de ruimte gebruik te maken. Tevergeefs, binnen een paar minuten was het bed weer naar beneden gegleden.

6.
Ik stond vooraan en probeerde niet te denken aan de warmte van de menigte waarin ik me bevond. Ik probeerde ook niet het zweet te visualiseren dat langs de vele ruggen liep. Ik concentreerde me volledig op de muziek, op de instrumenten, maar niet op de muzikanten zelf, met hun plakkende polo’s. Het ging lang goed. Totdat ik achter me iemand kort een spuitbus hoorde gebruiken. Pssssj. Even later rook ik een zoete walm vermengd met de geur van de massa. Ik knikte mijn hoofd nog een keer mee met de maat van de muziek en viel toen om. Het festival kwam ten einde.

Zingen

‘Gi-no! Gi-no! Gi-no!’
Handen timmeren op een tafel. Ik kan het horen vanuit mijn kamer. Het raam staat een stuk open vanwege de warmte. Er wordt steeds sneller geklapt en steeds harder geschreeuwd, naar een hoogtepunt toe. Dan is het stil. Ik zie voor me hoe in het café aan de overkant de pullen bier aan de lippen worden gezet.
.
Een groep loopt door de straat. Aan het zingen kan ik precies horen waar ze vandaan kwamen, waar ze naartoe gaan en op welk punt ze zijn.
‘Het is stiiiil aan de overkant!’
Het klinkt vals. Het klinkt hoog (veel vrouwen). Het klinkt enthousiast. Alsof een oeroude drift weer boven komt.
Nog een groep.
‘Het is een kwes-tie van ge-duld…’
.
Het is precies tien jaar geleden dat ik mijn intro had. Journalistiek, Tilburg. Ik weet nog dat we midden op de dag op straat een drankspel deden. En ik weet ook nog dat ik op handen en voeten langs het winkelend publiek kroop en riep: ‘Wij zijn de toekomst van dit land!’

Beurtbalkje

Ik zette vandaag een beurtbalkje achter mijn boodschappen en keek naar de vrouw achter me. Ik lachte naar haar op een uitnodigende manier. Althans, mijn lach moest een subtiel gebaar zijn om haar uit te nodigen haar boodschappen op de lopende band te zetten. Maar mijn bedoeling leek niet over te komen, ze keek me koel aan.
.
Ik vind het altijd een moeilijk moment als ik dat balkje op de band zet. Het is als het plaatsen van een schutting: dit is van mij, dat is van jou. Er zit een stukje onverdraagzaamheid en hebzucht in. Ik probeer dat dan te compenseren met een kleine lach. Ietsje meer dan vriendelijk, maar nog niet hartelijk. Soms wordt er goed op gereageerd, soms niet, meestal weet ik niet hoe de lach overkwam.
.
Zou ik nu de enige zijn die zich hiermee bezig houdt? Of zouden er meer mensen zijn die deze kwestie interessanter vinden dan het woord beurtbalkje?

Thais

Het is geen grap. De mensen uit Thailand hebben echt moeite met de ‘r’, zo leerde ik gisteravond. Ze kunnen het wel, het zit zelfs in hun taal, maar het kost ze gewoon te veel energie om steeds die ‘r’ te laten rollen. Nog meer dan wanneer wij de ‘n’ zouden uitspreken bij elk woord dat er op eindigt.
‘We zijn gewoon te lui’, zei de Thaise gisteren eerlijk, in het Engels.
‘Eigenlijk spreken ze alleen op de nationale tv de ‘r’ uit’.
En zo kreeg ik ‘aloy’ (lekker eten) voorgeschoteld, in plaats van ‘aroy’.
.
Een vriend van me heeft een Thaise aan de haak geslagen.
Deze zin klinkt als het begin van een slecht verhaal over een dikbuikige vijftiger uit een programma van Jambers. Bedenk echter dat de uitzondering de regel bevestigt. Mijn vriend kan er over meepraten. Hij heeft ze gezien, die mannetjes in Thailand, en hij heeft gewalgd.
.
Het was een mooie avond bij het smoorverliefde stel. Ik at massaman en andere Oosterse lekkernijen. Op nadrukkelijk verzoek van mijn vriend was het meisje zuinig geweest met de chili. Ik kom nu eenmaal van een Nederlandse boerderij en dan ben je zulke pittigheid niet gewend. Ze gehoorzaamde; slechts een keer stonden mijn wangen in brand.
.
Maar er was meer dan alleen eten. Mijn vriend en ik leerden haar ‘klootzak’ en ‘mothefucke’ zeggen. Extra leuk in combinatie met wat ze zich eerder eigenmaakte: ‘graag gedaan’ en het Brabantse ‘joa settie!’. Later werd er een landkaart te voorschijn gehaald en raakten we verstrikt in het Thaise districtenstelsel.
.
Het was bijna middernacht toen ik een lampje op mijn fiets bevestigde en de twee alleen liet. Nog drie weken en dan gaat ze terug.