Star-struck

Onlangs leerde ik het woord star-struck kennen en moest ik denken aan die keer dat ik met Arnon Grunberg bij de wc’s stond. Het was een groot openbaar toilet met wel twintig wc’s en dus ook twintig wasbakken met spiegels. Bij een van die spiegels waste ik mijn handen. Toen ik opzij keek, zag ik een paar wasbakken verderop een kleine man met een flinke bos krullen. Een heel kort moment, het moet minder dan een fractie van een seconde zijn geweest, besefte ik niet dat het om AG ging. Ik registreerde slechts dat er nog iemand in de ruimte was. Maar toen drong het tot me door. AG stond op het punt een lezing te gaan houden die ik bij zou wonen, dus heel vreemd was het niet dat hij daar voor die spiegel stond. Ik ben geen fan, maar ben dat wel geweest, vooral toen hij boeken schreef onder de naam Marek van der Jagt. Maar fan of niet, het blijft AG. Ik probeerde me zo normaal mogelijk te gedragen, alsof ik het niet doorhad, alsof zijn aanwezigheid me niet in de weg zat, maar mijn lichaam had al gereageerd nog voor ik het in toom kon houden. Ik schrok, zoals je van onverwachte knal kunt schrikken. Het hoofd schoot iets naar achteren, het gezicht verstrakte, het hart versnelde. Star-struck. Heel even maar. Hoe vaak zou hij dit niet meemaken? Iemand die schrikt en dan met alle macht probeert te doen alsof er niets aan de hand is. Ik gaapte halfslachtig. AG droogde zijn handen, liep weg en verdween uit de spiegel. Het water bleef over mijn handen stromen. Ik keek naar mijn kop. AG was here. Ik wachtte nog even.

Overvecht

donderdagavond, grote genade
bang voor van alles en hoe het zal gaan

Overvecht – Spinvis
.
Vroeg op de zondagavond stond ik voor het raam van een slaapkamer in Overvecht, een wijk met cijfers. Ik had een vuilniszak en een rol plakband in mijn handen. Een jonge vrouw met een hoofddoek liep voorbij. Ze zag me niet, maar had me wel kunnen zien, als ze iets omhoog keek. Toen ze uit zicht was, hield ik de zak voor het raam en plakte hem vast.
.
Het was mijn eerste dag in Overvecht. Ik zou me voor een week opsluiten in een rijtjeshuis dat tijdelijk niet werd bewoond. De slaapkamer had geen gordijnen. Het meisje van wie het huis nog heel even was, stelde voor dat ik vuilniszakken voor de ramen zou hangen. Dan werd ik niet in alle vroegte gewekt door het licht. Ik hing drie zakken op en hield het daarbij. Dat het licht nu nog steeds door een deel van het raam zou dringen, nam ik voor lief.
.
Die nacht lag ik in de hoek op een matras op de grond. Ik kon niet slapen en las een Noors boek. Ergens tussen twee en drie viel de middelste vuilniszak naar beneden. Dat gebeurde in een fractie van een seconde, alsof iemand aan de zak had getrokken. Niet lang daarna viel de tweede. Met vermoeide, half dichtgeknepen ogen keek ik naar het raam en wachtte op de derde, maar de derde bleef hangen.
.
Hele dagen zat ik in de studeerkamer achter mijn laptop. De studeerkamer bevond zich aan de achterkant van het huis. Elke keer als ik uit het raam keek, zag ik groepen jongeren voorbij komen. Ze liepen dwars over het pleintje waar ik op uitkeek. Het verbaasde me. Ze liepen daar midden op de dag en altijd in groepjes. ’s Nachts droomde ik dat die jongeren zich verzamelden op het plein. Er stond iets te gebeuren, maar het was onduidelijk wat. Ze hadden allemaal capuchons op, waren onrustig. Op een gegeven moment stormden ze op het huis af waar ik verbleef. Ze klommen tegen de muur, braken door het raam. Ik verstopte me op de wc. Een mes werd door de deur gestoken. De punt van het mes glinsterde. Ik werd wakker.

.
Op de laatste avond was er in de flat aan de overkant een feest aan de gang. In de slaapkamer deed ik mijn trui en shirt uit en hoorde ineens gelach. Het zwelde aan toen ik mijn broek uittrok. Keken ze naar mij? Vanaf het matras tuurde ik naar buiten, maar ik kon niks zien. Voorzichtig kroop ik over de vloer langs de muur naar het raam en ging in de hoek op mijn knieën zitten. Ik zag slingers, verder niets. Misschien keken ze nog steeds de slaapkamer in en zagen ze zelfs mijn bange oog in de hoek. Ik wist het niet, ik had mijn lenzen al uitgedaan.
.
Vlak voor ik Overvecht verliet, kwam het meisje van wie het huis nog heel even was langs. Ik haalde de overgebleven vuilniszak van het raam. Zij vertelde dat de jongeren die in groepjes over het plein liepen op een school in de buurt zaten. Ze waren steeds op weg naar het winkelcentrum of kwamen daar vandaan. Via het pleintje was de kortste route. In de flat aan de overkant hingen de slingers tussen het raam en de gesloten gordijnen. Dat hoefde niets te betekenen, maar het stelde me gerust. Ook omdat er op de vensterbank geen flesjes, blikjes of asbakken stonden. Volgens het meisje was dit een heel rustig deel van Overvecht. Nooit gedoe, geen rare dingen. Als in een dorp. Alleen was er vorig jaar wel iemand doodgeschoten, achter die flat. Dat wel.
 .

Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken

Voor Festival Mooie Woorden schrijf ik sinds kort columns. Of ja columns, het zijn eigenlijk whatsapp-gesprekken. Ze vroegen me dat te doen omdat ik in december mijn allereerste smartphone heb aangeschaft. Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken heet de serie ‘Willem sms’t’. Maar het is dus eigenlijk whatsappen wat ik doe. Dat u dat weet.
.
Die whatsapp-gesprekken heb ik trouwens steeds met een jonge schrijver. De eerste was met Elfie Tromp en daarin begon al snel de kliko te domineren. Ik moest haar zinnen uit Park sms’en. Dat ben ik nog vergeten: bij elk gesprek zit een geheime opdracht. Lees hier ‘Ik ben opgegroeid met kliko’s’.
.
Bij Nasja Covers mocht ik de autocorrect niet gebruiken. Een auto-incorrect interview als het ware. ‘Ik mocht de autocoureur niet gebruiken’ lees je hier.
.
Met Maurits de Bruijn moest ik het over moeders hebben. Dat vind ik een fijn onderwerp. We besloten om de thematiek van het gesprek te beperken tot slechts twee moeders, die van hem en die van mij. Maar misschien staan zij wel model voor alle moeders in de wereld. ‘Moeders geloven in judo’ lees je hier.

.
Als je van overzicht houdt: hier staan alle columns op een rijtje.

De onderbreking

En opnieuw wordt een nacht onderbroken.
Er is een krakend bed, een gang, een badkamer, een wc. Er is een hoofd. Er is een spoelknop, een scheurkalender, een gang, een krakend bed. Een lichaam dat ligt, beweegt misschien, maar ligt.
Er is een hoofd.
Er is een telefoon en daarin is het nacht. Alles ligt stil daar, woelt misschien, maar het blijft nacht.
Een hoofd. Een hoofd dat draait. Opnieuw een telefoon met daarin de nacht en dan weer alleen een hoofd.
Een krakend bed.
Een boek.
Een hoofd.
Een lichaam. Bewegend, maar liggend.
Een hoofd.
Er zijn vragen, maar er is maar één hoofd.

Twintig jaar

Het maken van fouten is een gezonde bezigheid. Het levert altijd wat op.
In Invisible van Paul Auster vertelt de hoofdpersoon over de tijd dat hij als student in een grote universiteitsbibliotheek in New York werkte. Een klassiek baantje: hij moet de ingeleverde boeken op de juiste plek terugzetten. Hoewel het werk leidt tot interessante vondsten, zoals een boek uit 1670, is het bovenal oersaai. Op een bepaald moment – de hoofdpersoon is rustig tussen de kasten bezig – komt de opzichter, Mr. Goines, naar hem toe. Goines zegt niets, maar gebaart dat hij even mee moet lopen. Twee rijen verder, ergens halverwege, stopt de opzichter. Het is precies op de plek waar de hoofdpersoon twintig minuten eerder een aantal boeken heeft teruggezet. Goines haalt twee boeken uit de kast. Ze stonden niet naast elkaar, er zat een meter tussen. Hij toont de ruggen. De boeken blijken niet op de juiste plek te zijn teruggezet. Het ene boek had op de plaats van de ander moeten staan, en andersom. Door de eentonigheid van het werk heeft de hoofdpersoon een fout gemaakt. Goines vraagt hem goed op te letten, want dit mag nooit meer gebeuren.
‘Als een boek op de verkeerde plek wordt teruggezet, kan hij voor twintig jaar zoek zijn,’ zegt hij. ‘Misschien zelfs voor altijd.’.
Dankzij de fout die de hoofdpersoon maakt en de mogelijkheid dat hij daarmee een boek voor twintig jaar kan laten verdwijnen, begrijpt hij hoe belangrijk het is dat hij zijn werk goed doet. Het werk in de bibliotheek stijgt voor hem in waarde. Ineens ervaart hij macht, over het boek en over de lezers. Maar de opmerking van Goines prikkelt ook zijn verbeelding. Door een kleine, onbewuste handeling kan een boek voor eeuwig zoek raken, terwijl het nog altijd in dezelfde ruimte staat, op slechts een meter afstand van de juiste plek.
Ik heb in mijn studententijd twee bijbaantjes gehad. Ik was postbode en werkte bij een pluimveebedrijf. Bij beide baantjes lag verveling op de loer. Het zal vaker dan één keer gebeurd zijn dat ik bij het kippen lossen een kip teveel in een kooi heb gestopt. Dit zal nooit ontdekt zijn door mijn baas. Ik denk niet dat het om een kwestie van leven en dood ging, maar wel om een kwestie van leven. Ik bepaalde in welke kooi die kip zijn leven voortzette. Dat besef ik me nu pas..
Als postbode heb ik meer dan een keer de post van een hele straat verkeerd ingegooid. De huisnummers klopten, de straatnaam niet. Als ik een envelop in een brievenbus stak, was ik hem in principe kwijt. Soms lukte het nog net om hem met mijn vingers terug te halen, als ik merkte dat ik fout zat. Maar vaker was de envelop al op de deurmat beland. Dan deed ik een briefje door de gleuf waarop stond dat ik per abuis post op het verkeerde adres had bezorgd. Ik had de macht echter volledig uit handen gegeven. Het was de persoon achter die deur die bepaalde of de envelop ooit nog op het juiste adres kwam, al was dat misschien maar één straat verder.

In Weurt

In Weurt hebben we toeters. We zoeken hard naar variatie, maar er komt maar één toon uit.
.
De straat is leeg. Pijlen worden een eind verderop afgestoken, in de buurt van de kerk. Het is een indrukwekkend staaltje vuurwerk dat de hemel siert. Volgens Tim komt het van de grootste crimineel van Weurt. We hebben de toeters nog in de mond, maar blazen doen we niet meer.
.
Uit de villa, waarvan de oprit tien meter verderop begint, komen twintig jongeren. Ze dragen volle plastic tassen. Ze zien er niet uit alsof een van hen ouders heeft die zich een villa kunnen veroorloven. De laatsten die naar buiten komen, zijn volwassenen. Het zijn er meer dan twee.
.
De jongeren kijken raar naar onze toeters, dus blazen we maar weer even. De spullen in de plastic zakken worden midden op straat uitgestald. We doen een paar stappen achteruit. Een aansteker wordt uit een broekzak gevist. Een donkere jongen komt naar ons toe en wenst ons een voor een gelukkig nieuwjaar. Onze meisjes krijgen drie zoenen.
.
Het vuurwerk van de jongeren valt in het niet bij de licht- en geluidshow van de grootste crimineel van Weurt. Ze lijken zich er weinig van aan te trekken. Elke keer als een pijl de lucht in schiet en er een wat schamele explosie volgt, roepen ze ‘yeah!’.
.
‘Dit jaar gaan we er vol voor!’ zegt Myrthe en wij knikken en glimlachen. De toeters hebben we weggestopt. Tim vraagt of hij de fles champagne zal halen. We stemmen in en blijven kijken naar alles wat in Weurt gebeurt.

Half en Hond

 


.
De afgelopen weken publiceerde ik twee korte verhalen waarin een vader in problemen de hoofdrol speelt. Beide verhalen beginnen met een ‘H’.  Tot zover de vergelijkingen.
Hond verscheen op het online magazine De Optimist. Met een illustratie van Rinske Kegel.
Half is een kerstverhaal dat in het december-nummer van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad (ANS) staat. Met een illustratie van Rens van Vliet (het plaatje hier boven).
.
.

Angst

Ik had mij een ander kind gewenst.
Jij wilt niet, nooit. Je ogen priemen,
je hoofd wordt rood.
Ook nu, voor het verkeerslicht.
Niet gaan! Je knuisten gebald.
Ik had je opgetild,
als je een ander was.
.
Geschreven tijdens de poëzieworkshop van Mark Boog tijdens het Wintertuinfestival. Naar aanleiding van zijn bundel ‘De encyclopedie van de grote woorden’ kregen we de opdracht een gedicht te schrijven over een ‘groot woord’.

De Grote Stad (battle)

Afgelopen zaterdag vond op het Wintertuinfestival de Battle Arnhem-Nijmegen plaats. Voor de categorie ‘Ode aan het Oosten’ schreef ik onderstaande tekst die ik net niet binnen de opgelegde 2,5 minuut wist voor te dragen. Maar we wonnen de battle. De prachtige bokaal is echter verdwenen. Nu goed, over een half jaar de return.
Lees hier de tekst van Hanneke Hendrix in de categorie ‘Kroegen’.

Lees hier de tekst van Johan Roos in de categorie ‘Bruggen en water’.
Lees hier de tekst van Martijn Brugman (team Arnhem) in de categorie ‘Bruggen en water’.
.
.
Je vraagt waar het feestje is en nog voor ik mijn schouders ophaal, beantwoord je de vraag zelf: dáár is het feestje! En je wijst op de flyer, maar ik zie nergens een plaatsnaam. Ik vraag ernaar en jij lacht. Lacht hard. Zegt dat dat niet nodig is, dat iedereen het weet.
En dan begin je.
Je zegt dat je stad, je Grote Stad, overal bezongen en beschreven wordt. In de volksliedjes met snikkende stemmen, en in de romans. Drama, avontuur, confrontatie, het speelt zich allemaal dáár af. Voor alle lagen van de bevolking draait het om jouw Grote Stad.
Ongeduldig wacht je op een reactie, terwijl je ogen – die verscholen zitten achter enorm artistiekbewuste brillenglazen – gericht zijn op je iPhone.
Ik zwijg en denk: je hebt gelijk, we kunnen niet om jouw Grote Stad heen. De muziek dringt ver door, tot in kaascommercials. En de romans, die spelen zich inderdaad allemaal af in jouw Grote Stad. Op elke hoek van de straat staat een schrijver klaar om een Grootsteedse drol voor de eeuwigheid vast te leggen. Tot diep in het achterland moet de lezer weten hoe het is om in de regen op een tram te wachten.
Maar ik zeg dus niets en vraag me af wanneer je je iPhone wegstopt, met een hand door je haar gaat en weghobbelt op je Babboe-bakfiets waarvan je de bak nooit gebruikt. En ik vraag me af of je alweer getwitterd hebt. Je vijftiende tweet van vandaag, over een polderjongen die niet weet waar het feestje is, hashtag bizar, hashtag ondereensteen, hashtag komtnooitmeergoed.
Je kijkt me aan. In plaats van weg te gaan, begin je weer te ratelen. Dat ze in jouw Grote Stad het beste en mooiste voetbal spelen, in het grootste stadion. Dat ze een primetime-programma hebben dat in het hele land massaal bekeken wordt, waarin gerefereerd wordt naar de wereld, maar waarin het draait om jouw Grote Stad. En eigenlijk vind je dat wel terecht.
Je loert opnieuw op je iPhone en verwacht nu écht dat ik iets ga zeggen. Over mijn stad, mijn kleine stad, en ergens ben je wel benieuwd, want wat valt daar nou over te zeggen. Levert vast een mooie tweet op. En ik wacht en wacht en dan zeg ik:
Nee, bij ons is er geen feestje. Het is er saai, de mensen praten nauwelijks, doen werk waar je niet van opkijkt, hebben geen grote dromen. Maar ze hebben elkaar. Mijn stad is een posse, geen pose. Mijn stad is de basis. Het is de stad en niets meer dan dat.