Beurtbalkje

Ik zette vandaag een beurtbalkje achter mijn boodschappen en keek naar de vrouw achter me. Ik lachte naar haar op een uitnodigende manier. Althans, mijn lach moest een subtiel gebaar zijn om haar uit te nodigen haar boodschappen op de lopende band te zetten. Maar mijn bedoeling leek niet over te komen, ze keek me koel aan.
.
Ik vind het altijd een moeilijk moment als ik dat balkje op de band zet. Het is als het plaatsen van een schutting: dit is van mij, dat is van jou. Er zit een stukje onverdraagzaamheid en hebzucht in. Ik probeer dat dan te compenseren met een kleine lach. Ietsje meer dan vriendelijk, maar nog niet hartelijk. Soms wordt er goed op gereageerd, soms niet, meestal weet ik niet hoe de lach overkwam.
.
Zou ik nu de enige zijn die zich hiermee bezig houdt? Of zouden er meer mensen zijn die deze kwestie interessanter vinden dan het woord beurtbalkje?

Thais

Het is geen grap. De mensen uit Thailand hebben echt moeite met de ‘r’, zo leerde ik gisteravond. Ze kunnen het wel, het zit zelfs in hun taal, maar het kost ze gewoon te veel energie om steeds die ‘r’ te laten rollen. Nog meer dan wanneer wij de ‘n’ zouden uitspreken bij elk woord dat er op eindigt.
‘We zijn gewoon te lui’, zei de Thaise gisteren eerlijk, in het Engels.
‘Eigenlijk spreken ze alleen op de nationale tv de ‘r’ uit’.
En zo kreeg ik ‘aloy’ (lekker eten) voorgeschoteld, in plaats van ‘aroy’.
.
Een vriend van me heeft een Thaise aan de haak geslagen.
Deze zin klinkt als het begin van een slecht verhaal over een dikbuikige vijftiger uit een programma van Jambers. Bedenk echter dat de uitzondering de regel bevestigt. Mijn vriend kan er over meepraten. Hij heeft ze gezien, die mannetjes in Thailand, en hij heeft gewalgd.
.
Het was een mooie avond bij het smoorverliefde stel. Ik at massaman en andere Oosterse lekkernijen. Op nadrukkelijk verzoek van mijn vriend was het meisje zuinig geweest met de chili. Ik kom nu eenmaal van een Nederlandse boerderij en dan ben je zulke pittigheid niet gewend. Ze gehoorzaamde; slechts een keer stonden mijn wangen in brand.
.
Maar er was meer dan alleen eten. Mijn vriend en ik leerden haar ‘klootzak’ en ‘mothefucke’ zeggen. Extra leuk in combinatie met wat ze zich eerder eigenmaakte: ‘graag gedaan’ en het Brabantse ‘joa settie!’. Later werd er een landkaart te voorschijn gehaald en raakten we verstrikt in het Thaise districtenstelsel.
.
Het was bijna middernacht toen ik een lampje op mijn fiets bevestigde en de twee alleen liet. Nog drie weken en dan gaat ze terug.

De Italiaan en het terras

Een Italiaanse restauranthouder met het juiste accent en het juiste Zuidelijke uiterlijk wilde een terras aan de voorzijde van zijn zaak. Hij moest daarvoor eerst een schutting plaatsen ter afbakening.
Dit bleek geen eenvoudige onderneming.
De plek waar het terras zou komen was tot voor kort bestemd om auto’s te parkeren. Sterker nog, niets wees er op dat er niet langer geparkeerd mocht worden.
Zo kwam het dat de Italiaanse restauranthouder maar een deel van de schutting neer kon zetten. Een kleine, zwarte Peugeot stond – bijna halsstarrig – op de plek waar pasta’s geserveerd moesten worden.
.
Het een en ander vond plaats op een maandagmorgen. De Italiaan met het juiste accent en het juiste uiterlijk leunde op zijn halve schutting en was bezig zijn temperament binnen te houden. Hij vroeg aan mij of ik de eigenaar van de Peugeot kende. De auto stond er al twee dagen en hij had geen idee van wie het vehikel kon zijn.
Ik kon hem er helaas niet bij helpen.
De Italiaan zei dat hij de stoelen van het terras op de auto zou zetten. Het was waarschijnlijk een grap, maar het kon ook een glimp van zijn temperament zijn, dat binnen kolkte en als lava in een berg het moment afwachtte voor een fraaie uitbarsting.
Ik lachte een beetje om het dwaze dreigement, maar zag ondertussen voor me dat die auto het werk was van een of andere activist. Iemand die liever parkeerplaatsen had dan Italiaanse restaurantterrassen. De auto was het offer dat de activist bracht. De Peugeot zou er eeuwig blijven staan, de Italiaan zou fraai uitbarsten en woedend met zijn pasta’s uit de stad vertrekken.

Periode

Ik heb al heel lang niet meer zo’n periode gehad als waar ik nu in zit. Goed, ik ben een beetje vreemd. Niets van wat ik op de computer doe heeft met spel te maken. Ik doe geen games, ook niet eenvoudige on-line spelletjes. Vaak voel ik me daardoor een buitenstaander. Dan probeer ik een verhaal te schrijven over iemand van mijn leeftijd, maar dan wil ik niet geforceerd gaan doen en er iemand van maken die games speelt, terwijl toch het gros van mijn leeftijdsgenoten daar de nodige uurtjes aan besteed.
.
Ooit heb ik wel spelletjes gedaan op de computer. Woordspellen, of Tetris, maar ook Fifa via een cd-rom. Ik was dan binnen een mum van tijd verslaafd en deed elk vrij uur van de dag het spel. Ik probeerde zo ver mogelijk te komen. Bij de woordspellen in een zo hoog mogelijk level, bij Fifa door alle landen wereldkampioen te laten worden. Na een tijdje werd ik het beu en stopte ermee, op naar het volgende spelletje. Maar op een gegeven moment vond ik het nutteloos,al die spelletjes, en ben ik er niet meer aan begonnen. Zo kon ik ook niet meer verslaafd raken en mijn tijd beter besteden.
.
Nu zit ik dus in een Sudoku-periode. Ik ben weer terug bij af. Het begon toen ik me een keer gruwelijk verveelde en er een uit een krant ben gaan doen. Dat was zo’n succes – in de zin dat het me intrigeerde – dat ik moeilijk kon stoppen. Meestal duurde zo’n periode vroeger een paar maanden. En dan was het van de ene op het andere moment opeens afgelopen. Hoever ik met Sudoku ga komen is helemaal de vraag. Ik ben begonnen met drie bolletjes, heb toen al snel een stapje terug gedaan naar twee bolletjes, en zit nu weer een hele tijd op drie bolletjes. Of het er meer worden, betwijfel ik. Ik ben eigenlijk niet zo goed met cijfers, en geduldig kun je mij ook niet noemen.
.
Maar de kracht van Sudoku is dat je zelf iets lijkt te maken. Dat is tenminste mijn theorie. Het is niet alleen puzzelen, maar ook iets opbouwen. Het is net alsof je het zelf in de hand hebt, alsof je zelf bepaalt welk cijfertje waar komt te staan. Het verslavende gevoel ontstaat als je een aantal cijfers op een rij kunt invullen. Het einde is echter een anti-climax. Dan is de puzzel ingevuld en verliest het al zijn waarde. Dan is het een invuloefening die iedereen gemaakt had kunnen hebben. Het enige middel wat helpt tegen dat teleurstellende, lege gevoel is een nieuwe Sudoku. En daar ga ik weer.

Opstaan

‘Nee, jullie moeten niet opstaan’, zegt ze zo zacht dat alleen ik het kan horen.
Mijn lief geeft commentaar op het echtpaar dat door het treinstel begint te lopen. We zitten op een trapje in de trein van Roermond naar Maastricht. Halte Sittard is zojuist omgeroepen. Ik denk dat ze reageert op het volume van de vrouw, op de twijfelachtige esthetiek van het echtpaar, maar dat is het niet.
‘Ze zitten eerste klas’, legt mijn lief uit, zonder dat ik er naar gevraagd heb.
Ik ben weer aan het veroordelen en dat terwijl ik een boek lees over Zen Boeddhisme.
De vrouw met volume loopt door de glazen deur en valt dan bijna bij ons trapje, omdat de trein plots tot stilstand komt.
De tweede klas blijft vol. We zijn veroordeeld tot het trapje. Mijn lief zit voor me, een paar treden lager. Ze heeft de punten van mijn schoenen een beetje opzij geduwd, zodat ze in een ‘v’ staan en ze haar rug tussen mijn knieën kan klemmen.

Pal tegenover worden voorbereidingen getroffen

Als ik uit mijn raam kijk, kan ik niet om het CDA heen. Sinds kort prijkt het licht-groene logo van de christendemocraten in de etalage aan de overkant. Het moge duidelijk zijn; het CDA treft voorbereidingen. Over een half jaar staan de gemeenteraadsverkiezingen op de agenda en daarbij moet hoog nodig succes geboekt worden, want de stad is al lang genoeg in handen van linkse lummels. De conservatieven hebben een mooi plekje voor hun hoofdkwartier uitgekozen, in het hart van de stad. Zo kunnen ze de stad van binnenuit overnemen, als met een paard van Troje.
Een beproefde methode. Zo deed stichting Gebroeders Van Limburg het ook. Op precies dezelfde plek, alleen een paar jaar eerder. En met groot succes, niet politiek, maar toch groots. De stad heeft er een festival over de middeleeuwse broertjes aan overgehouden. Elk jaar in het laatste weekend van augustus.
Zal het CDA ook zijn snode plannen weten te verkopen aan de burgerij? Het is een klein pand, dat politieke hoofdkwartier, te klein voor een winkel. Het stond een tijdje leeg nadat de middeleeuwers waren vertrokken. En nu het CDA er een paar weken zit, zie ik nog maar weinig beweging in het gebouw.
Misschien is het veel stiekemer dan dat ik denk en zijn ze een revolutie aan het opzetten. Niks geen verkiezingen, maar pats boem met zwaard en paard erover heen.
Maar het kan ook zijn dat het smalle pand ze nu al te benauwd wordt, zo gewend ze al zijn aan het mooie, ruime zalen in Den Haag. Dan zullen ze de straat op moeten en met eigen ogen ervaren waar het mis gaat in deze stad. Van bezette parkeerplaatsen tot zware criminaliteit. En dan hoor ik ze zuchtend terugkeren naar hun enclave. Daar staat de ventilator aan, om ze te helpen bij het aanwakkeren van frisse ideeën. Altijd lastig voor een conservatieve partij.
Ach ja, politiek. Er zijn fijnere zaken om je mee bezig te houden. De Middeleeuwen bijvoorbeeld. Misschien dat zij ook tot die conclusie komen, daar aan de overkant van de straat.

Vierdaagsefeest, zo ’t een en ander

1.
Zaterdag stapte ik in de bus van Druten naar Nijmegen. Daarmee stapte ik in een walm van deodorant, aftershave en meer van die middeltjes die de natuurlijke geur van mensen op afstand houden. Dit was minstens zo erg als een bus vol zweters.
.
2.
Midden in de nacht liep ik langs kledingzaak Yesterday in de Hertogstraat en verbaasde me voor de zoveelste keer over de keuze van die naam. De neonletters trokken niet alleen mijn aandacht. Vijftig meter voor me liepen twee meisjes die goed vals aan The Beatles begonnen.
.
3.
De mensen in de bus van Druten naar Nijmegen verdenk ik er van dat ze maar één keer per jaar de stad ingaan en de bloemetjes buiten zetten. Het stonk niet alleen naar parfum, ook naar nieuwe kleren.
.
4.
Bij een van de vele buitenlocaties zag ik een jongetje van vier aan een bijna leeg glas mojito lurken. Hij werd gelijk gecorrigeerd. Alles wat dezer dagen op de grond heeft gelegen is niet pluis. Halflege glazen, straatstenen waarop gepist is en uitgeputte wandelaars met blaren.
.
5.
Ik stond bij mijn zus op de meest roze woensdag-locatie van de stad. Ik moest niet te veel om me heen gaan kijken, want dan zou ik verkeerde signalen afgeven. Maar ik mocht ook weer niet te weinig om me heen kijken, want anders zouden ze denken dat ik nog met een been in de kast zat en die zouden ze er graag eigenhandig uit willen helpen.
Natuurlijk kwam er een man naar me toe. Hij vroeg of ik een instrument bespeelde. Ik zei dat ik dat had gedaan ja. Hij vertelde dat hij dat kon zien aan mijn handen. Hij had naar me gekeken en gezien dat ik mijn handen alle kanten op kon bewegen. Ik knikte en draaide me toen weer om naar mijn zus.
.
6.
‘Je hebt best wel een gelhoofd’, werd mij op een ander moment tijdens het Vierdaagsefeest verteld. Ik dacht aan de bus van Druten naar Nijmegen. In die bus had de meerderheid een gelhoofd. Ik was niet langer een observant, maar een onderdeel van het plaatje.