Verdomd mooi beeld

Dankzij de voorlichten van de tractor is hij te zien. Mijn vader. Hij staat gebogen op de drie meter hoge graskuil en slaat met een grote hamer op de kuil. Het is winter. Vrieskou, donker, mistig. Wolkjes komen uit zijn mond terwijl hij met de hamer zwaait.
.
Een verdomd mooi beeld. En dat weet mijn vader ook, kan haast niet anders. Ik heb hem gebeld om te vragen naar anekdotes over de boerderij in de winter. Het is voor een kerstverhaal. En dan zegt hij dat: met een grote hamer op de kuil slaan. Ik zie het helemaal voor me. Ik krabbel het op een leeg vel papier, als een journalist. Hij legt uit hoe het zit, ook al weet ik dat al. Het zand dat ter bescherming op de graskuil ligt, moet er afgeschept worden, elke dag een stukje. Dan kan het zeil weggeschoven worden en komt het gras open te liggen, zodat de kuilsnijder erbij kan. Maar in de winter, als het hard vriest, raakt het zand van de kuil bevroren. Het worden bonken zand, die in stukken moeten worden gehakt om ze van de kuil te kunnen scheppen.
Hij weet nog wel meer ontberingen in de winter op de boerderij. Ze gaan vooral over bevroren waterleidingen en welke dingen je moet doen om het ontdooid te krijgen. Kokend water, emmers, rennen. Hij praat maar door, wordt steeds enthousiaster, en ik blijf schrijven, ook al weet ik dat er niks mee ga doen.
‘Heb je er iets aan?’ vraagt hij.
‘Ik denk het wel.’
‘Komt het in het verhaal?’
Ik denk aan mijn vader met een grote hamer op de kuil. De mist, de wolkjes.
‘Misschien.’
‘Goed zo. Kijk maar even.’
Ik stel hem voor aan de andere kant van de lijn. Achterover leunend in zijn stoel. Dat waren heel veel goede anekdotes, zal hij denken. Het hoeft alleen nog maar opgeschreven worden.
Als ik heb opgehangen, denk ik na over wat het verhaal kan zijn, het verhaal achter mijn vader met de hamer. Maar er komt niets. Daar was ik al een beetje bang voor. Uiteindelijk schrijf ik iets heel anders. Het wordt een kerstverhaal zonder graskuil, zelfs zonder boerderij. Maar wel met een vader.

De Blijf Binnen-speech


.
We maken geen pas op de plaats, we doen een stap terug.
We blijven binnen.
.
Vorige week werd Obama herkozen als president van de VS. Voor de Election Night in LUX schreef ik een alternatieve acceptance speech, die ik voordroeg rond half negen in de ochtend, aan het eind van twaalf uur durende marathonprogramma.
.
De speech valt hier te lezen.

Buienradar

Het was vrijdag en het was zes uur geweest. We konden de computers afsluiten en naar huis, maar dat deden we niet. Vanachter onze bureaus keken we naar buiten. Het was donker, maar dankzij de straatverlichting zagen we de regen neerkomen. Het ging hard.
Ik keek op buienradar. Het duurde nog zeker een half uur voor de vlek boven de stad weg zou drijven. We waren allen met de fiets. Ik zag mezelf al doorweekt thuiskomen. Erik en Ron kwamen achter me staan. Erik slaakte een diepe zucht en keerde terug naar zijn plek. Ron bleef iets langer staan, maar ging uiteindelijk ook weg.
We tuurden weer uit het raam. Carolien mompelde iets wat ik niet kon verstaan. Dat deed ze vaker, daarvoor hoefde het niet vrijdag na zessen te zijn.
Dolf kwam met vijf bierflesjes in zijn hand de kamer binnen.
‘Uit de koelkast.’
‘Koelkast?’
‘Ja, die andere, die oude.’
We schoven onze bureaustoelen naar het midden van de ruimte en maakten een kring. Een voor een vertelden we wat de plannen voor vanavond waren. Erik zei dat hij een enorme berg friet ging kopen en dat alleen ging oppeuzelen. Hij wreef in zijn handen terwijl hij dat zei. Dolf moest zaalvoetballen en hoopte eindelijk eens een doelpunt te maken. Ron had afgesproken met vrienden in een kroeg. Carolien zou bij een vriendin een heel slecht tv-programma gaan kijken, waar ze dan samen op konden kankeren. Ik zei dat ik een film wilde zien.
Even waren we stil. Zo zaten we daar. Toen draaide Carolien een rondje op haar bureaustoel en vertelde over de rest van het weekend. Erik wist nog nootjes te liggen. Ron deed een trucje met het bierflesje.

Mehmed en Mehmed en de kroket


.
De Vlaamse dj’s Nicolas Geysens en Tristan Jong, oftewel Het Collectief Deruyter, zijn momenteel artists in residence in Nijmegen. Zij doen dit op geheel eigenzinnige wijze. Onder andere met de “Kroketten & Kutdisco” die gisteravond plaatsvond. Op verzoek schreef ik een stuk over kroketten en Belgen. Het is een verslag van een gedegen journalistiek onderzoek. Ik droeg het gisteren, tussen het eten van kroketten, voor.

.
.

Ik was er al bang voor, maar toen ik bij Mehmed en Mehmed vroeg naar kroketten, slaakte Mehmed 1 een diepe zucht. Het was nacht, na vijven. Aan het voorste tafeltje zat een blond meisje te slapen, haar wang tegen het raam, haar mond een stukje open. Ze was alleen.
Mehmed 1 legde het grijpertje, waar een stukje tomaat in zat, op de toonbank. Het broodje lag ernaast. Mijn bestelling zou nog even op zich laten wachten. Wanhopig begon de kleine Turk met zijn korte armpjes te wapperen.
‘Wat is dat toch met die kroketten ineens? Nou, het zit niet in ons assortiment. Nooit gezeten. Kijk maar na,’ zei hij en wees naar de borden boven zijn hoofd. Ik zag Mehmed 2, die een paar meter achter hem stond, opkijken van zijn werk. De oudere, slungelige neef van Mehmed 1 hield een bezem in zijn hand. Altijd als ik in hun zaak was, stond Mehmed 2 met die bezem in zijn hand. Hij leek eraan vastgegroeid.
‘Wij hebben principes,’ spetterde Mehmed 1. Hij klonk Nimweegser dan menig Nimwegenaar. ‘Ja, principes. Wij doen kebab, döner kebab.’ Snel deed hij zijn welbekende James Bond-move. ‘De rest is opvulling,’ ging hij verder, ‘dat weet jij ook, dat doen we er een beetje bij. Het gaat om de döner. Döner, durum döner.’ Weer de James Bond-move. ‘Een kroket is geen vlees. Daar zit teveel onzin omheen. Die komt er hier niet in. Wurum? Durum!’
Mehmed 2 knikte instemmend, met z’n lodderogen. Mehmed 1 sprak in het Turks tegen zijn neef. De reactie van Mehmed 2 klonk bevestigend, al had ik geen idee wat er werd gezegd. Ik keek naar mijn broodje op de toonbank, dat langzaam koud aan het worden was. En toen naar de grijper met het stukje tomaat. Het sap uit was gelopen.
Mehmed 1 stak zijn vinger op. ‘Een kroket is geen vlees, ik zeg het je. Wij zijn de voedingspecialisten van de nacht. Bij ons krijg je vlees én groenten.’ Hij pakte het grijpertje op en zwaaide er triomfantelijk mee door de lucht. Ik volgde het stukje tomaat alsof het om een tennisfinale ging. Links, rechts, links, rechts. Uiteindelijk landde het stukje in mijn broodje.
‘Er zijn ook groentekroketten,’ ging hij verder. ‘Daar moest ik wel om lachen, toen ik dat voor het eerst hoorde. Groentekroketten.’
Hij pakte met het grijpertje één brokje feta. Ik zei dat ik een stukje moest schrijven over kroketten en Belgen. Mehmed 1 zuchtte opnieuw en ik zag het gebeuren: hij legde het grijpertje met feta op de toonbank, terwijl het broodje ernaast lag.
‘O nee, Belgen. Die hebben toch het friet uitgevonden?’
Ik knikte.
‘Zal ik eerlijk zijn?’ zei Mehmed 1. ‘Ik vind het niks. Friet, een bijproduct. Het gaat om het vlees, ik zeg het je, maar hier eten ze er van alles bij, ze vergeten het vlees bijna. Ongelofelijk.’
Hij pakte het grijpertje weer op.
‘Goed, wij doen er friet bij, dat geef ik toe, en dan noemen we het shoarmaschotel. Het verkoopt en het is lang niet zo erg als kroketten. Komen kroketten ook uit België?’
‘Nee, uit Nederland,’ zei ik.
Mehmed 1 keek naar het meisje dat tegen het raam lag te slapen. Hij leek in gedachten verzonken. Een tijdje bleef hij zo staan. Ik stak mijn hand op, zwaaide wat onwennig, in de hoop dat hij weer in actie kwam. Er lag tenslotte een broodje op me te wachten. Ik had honger. Maar er gebeurde niks. Ik moest iets gaan zeggen, maar ik wist niet wat. Eindelijk draaide hij zich weer naar me om.
‘Het is een cultuurverschil,’ zei hij.
En toen begon Mehmed 2 ineens te praten. Hij leunde op zijn bezem. Ik had geen idee wat hij zei.
‘Wacht,’ zei Mehmed 1 tegen mij, ‘hij wil iets zeggen.’
We waren doodstil en keken naar Mehmed 2.
‘Cul-tuur-ver-schil,’ zei Mehmed 2.
We wachtten tot er meer kwam, maar er kwam niets meer. Mehmed 2 begon de vloer weer te vegen.
We knikten naar hem.
Mehmed 1 gaf me het broodje döner.
‘Praat in deze zaak alsjeblieft nooit meer over kroketten, wil je,’ zei hij.
‘Nee, dat zal ik niet meer doen.’
‘Dat is dan vijf euro vijftig,’ zei Mehmed 1.

Wanssumse wind – het boekje

.
Mijn columns over de fanfare van Wanssum zijn nu samengebracht in een fraai boekje. Het telt 47 pagina’s en bevat illustraties van alleskunner Sebastiaan Andeweg, die speciaal hiervoor een dag in Wanssum verbleef.
.
Het is te koop! Prijs: 3 euro 50 (incl. verzendkosten). Stuur een mailtje naar willem [at] modderenlijm.nl en het boekje wordt naar je toe gestuurd.
.
Lees hier alvast een column online »
..

Rowwen Hèze lijkt er welhaast een lied over te zingen»

Opgerolde krant

Hoe het begonnen was wisten we niet meer, maar op de achterbank van het bestelbusje streden wij om een opgerolde krant.
Nog 40 kilometer, zei Joeri die de krant stevig geklemd in zijn knuist hield, hopende dat Dennis en ik het op zouden geven.
Het was mistig en nacht. We waren moe, maar vooral opgefokt. De regels waren vastgesteld. Al was dit het laatste wat we deden, die harde, strak opgerolde bijlage, waar je iemand uitstekend mee slaan kon, moest en zou veroverd worden. Het draaide om techniek en tactiek. Je moest snel zijn en een goede timing hebben. Een hele opgave, want Joeri was scherp en verdedigde de krant met zijn leven.
In het begin werd er nog gelachen. We prikten Joeri in de zij in de hoop dat hij mee zou geven en hij sloeg ons grinnikend met de krant om de oren. We streden samen, Dennis en ik. Fluisterend bespraken we onze strategie.
Tot de stemming omsloeg. We hoefden niet meer naar huis. Die opgerolde krant was waar het enkel en alleen om draaide. Iedereen streed voor zich. Ik viel Dennis net zo goed aan. We vlogen op elkaar als wilde dieren. We beten, sloegen, worstelden, knepen elkaars kelen dicht. Er werden stukken van de krant afgescheurd, maar Joeri hield stand.
Achter het stuur zat Kim. Zwijgend. Even twijfelde ze of ze de bus niet aan de kant moest zetten. Maar ze koos ervoor te doen alsof er niets aan de hand was, het moest vanzelf overgaan. We reden verder.
Toen de bus eindelijk stopte en de deur openging, gooide Joeri de krant naar buiten. Hijgend en met bebloede koppen keken we naar de fijngeknepen papieren op de stoep. Niemand ging er achteraan. We waren verslagen, al wisten we niet door wie of wat. Kim stapte als eerste uit.

Er is altijd een begin (met water en thee!)

.
– Voorgedragen tijdens de boekpresentatie van De verjaardagen, het debuut van Hanneke Hendrix, de speech van Dennis vind je hier
.
Dames en heren, Hanneke, Henk,
.
Er is altijd een begin.
En in dit geval is dat: ‘Voor mijn broers.’
Of het is: ‘Het was een frisse zonnige ochtend en de barman hobbelde met een brakke kop over de keien van het plein.’
Of het is: ‘Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt.’
Of het is: ‘Het dorp bestond uit een hoofdweg ingesloten door een klooster aan de ene kant en de kerk aan de andere, met in het midden een heuvel waar de nieuwbouwwoningen tegenop gebouwd waren.’
.
Op mijn boekpresentatie, een half jaar geleden, hield Hanneke een speech. Ergens halverwege zei ze:
‘De eerste keer dat ik Willem ontmoette was toen ik met Lea meeging die moest optreden in Huize Heyendaal.’
Niet alleen bij geliefden is het pijnlijk als zo’n uitspraak in het openbaar niet klopt, dat geldt ook als iemand dit zegt met wie je bevriend bent en die je als schrijver zeer bewondert.
Bij onze eerste ontmoeting was er, als vanzelfsprekend, nog geen sprake van vriendschap. Er was bewondering. Van mijn kant dan, Hanneke kende me nauwelijks. Op het Wintertuinfestival 2007 droeg ze voor. De hele avond wilde ik haar aanspreken, maar pas bij de bar – niet heel vreemd natuurlijk – had ik genoeg moed verzameld. Ik complimenteerde haar, zij maakte een grapje zoals zij dat alleen kan, en het ijs was gebroken. Ik fluisterde dat Michiel Romeijn vlak achter haar stond. Ze keek voorzichtig om en toen weer naar mij. We grinnikten als tienermeisjes. Een bekende Jiskefetter stond daar gewoon een paar meter van ons vandaan een biertje te bestellen, hoe gaaf was dat. Soms is het niet zo moeilijk om vrienden te maken.
.
Een ander begin was mijn eenzijdige kennismaking met Hanneke. Die had ik veel eerder. Ik zat met mijn tante in de zaal bij de prijsuitreiking van de schrijfwedstrijd Write Now! Schuin voor ons zat Hanneke, maar dat wist ik toen nog niet. Ik was zeer gespannen, omdat ik het in mijn hoofd had gehaald dat mijn verhaal weleens kans kon maken. Maar toen er over een theatertekst gesproken werd, wist ik voldoende. Schuin voor me werd een meisje gekust en geknuffeld. Ze liep naar voren. Een piepjonge Hanneke Hendrix, dames en heren.
.
Een vernieuwde eenzijdige kennismaking vond een hele poos later plaats, een paar maanden voor de Michiel Romeijn-ontmoeting op het Wintertuinfestival. Dennis stuurde mij een link: hetmeisjedatopdinsdaghetbierschenkt.nl. Alleen die titel al. Ik las een Hooimanverhaal en nog een en nog een. Toen schoof ik mijn stoel achteruit en dacht: goed, of ik ga dit totaal negeren, of ik stop met schrijven.
Ik heb geen van beiden gedaan. Ik ben HMDODHBS blijven lezen en heb daar veel van opgestoken. Vooral wat betreft stijl. Hoe krijg je snelheid in een verhaal, hoe schakel je soepel over naar een volgende scene, hoe zet je in weinig woorden een karakter neer. Ik ontdekte het effect van het gefragmenteerd schrijven en de kracht van de herhaling. Daar heb je geen Kafka of Tolstoj voor nodig, dat kan met Hanneke. Als ik aan een verhaal wilde beginnen, las ik eerst, om in de stemming te komen, een verhaal op HMDODHBS.
.
Weer een ander begin was een plan, Hanneke’s plan. Ze ontvouwde het in de Paraplufabriek, aan een tafeltje in de Plupub, met veel bier. Het idee van een verhalenbundel. Een boekje met verhalen van ons drieën: Dennis, Hanneke en ik. Een dag later grapten Dennis en ik dat het ‘De hooiman en andere verhalen’ moest gaan heten. Niet omdat Hanneke de aanstichter was, maar omdat wij zodanig onder de indruk waren van haar werk dat we vonden dat dat niveauverschil benadrukt moest worden. Het werd uiteindelijk ‘Het nieuwe zwart’, maar het begon die avond in de Plu, op 25 juni 2008. Dat weet ik omdat ik die nacht nog om twee uur een smsje kreeg van Hanneke, dus op 26 juni 2008. Het is een van de oudste smsjes die ik in mijn supersnelle telefoon heb staan. Sommige dingen moet je bewaren. Hanneke schreef:
.
‘Met water en thee! Ooit zijn we rijk en beroemd… Tot die tijd: de hoop! Slaap goed!’
.
Langzaamaan werden we een soort van clubje. Losvast, eentje zonder teveel verplichtingen. Het nieuwe zwart, Literaturjugend, Waai, whatever. Geef het een naam en wij verzinnen snel iets nieuws. Als je de personen in een groep zou indelen in de categorieën modder en lijm dan hoort Hanneke absoluut bij lijm. Ze smst laat in de nacht: ‘Ik drink nooit meer’, en dan bedoelt ze: ‘Ik voel me nu een dooie hond, maar man, ik kan niet wachten tot het glas weer wordt geheven.’ Als je met haar in de auto Nijmegen binnenrijdt, zegt ze steevast: ‘De Waalbrug is thuuskomme.’ En daarmee bedoelt ze: ‘Ik ken een aardig woordje Nimweegs en dat laat ik graag horen als de stad in zicht is en ik de pijnlijke stilte in deze auto kan doorbreken, we moeten immers nog gaan drinken.’
En als we ergens nadrinken van het drinken na het optreden, verzucht ze: ‘Wat hebben we het toch goed.’ Dan bedoelt ze: ‘Wat hebben we het toch goed.’
Met Hanneke erbij krijgt ons clubje meer kleur op de wangen. Er komt een kleedje op tafel, bloemen, een schemerlamp. En Hanneke zit ergens op de hoek, beentjes over elkaar, sigaretje tussen de vingers, kinnetje iets omhoog, de boel in de gaten te houden. En dan denken wij allemaal: ‘Wat hebben we het toch goed.’
.
En weer was er een begin van iets. Haar naam.
Ooit hebben we haar uit het hoofd kunnen praten dat er A.M.H. Hendrix op de cover zou komen te staan. Wij vonden dat iets te. Je woont in Nijmegen, weet je wel. Maar ergens zijn die initialen niet zo vreemd, want Hanneke heeft iets elegants. Tegelijkertijd is ze ook one of the guys. Hanneke kon in elk geval niet alleen Hanneke blijven als je als schrijvers zoveel met elkaar optrekt. Haar twee bijnamen zijn in dezelfde tijd ontstaan:
– Henk, en de
– Diva van de Nijmeegse en weldra Vaderlandse Letteren.
U mag zelf raden met welke bijnaam ze het meeste moeite had.
Een maand geleden vroeg ze vlak voor een optreden – ik was daar weer eens presentatortje – of ik haar zo niet meer wilde aankondigen. Ik vroeg: ‘Hoe?’ Met de tanden op elkaar zei ze: ‘De Diva van de Nijmeegse en weldra Vaderlandse Letteren’. Ik heb gehoorzaamd. Waarom? Eens heb ik haar Facebook gehacked en een liedje van Marco Borsato op haar tijdlijn gezet. Ik kreeg een high-five-boycot van maar liefst twee en een halve dag. Dat is heftig. Dan kijk je wel uit bij Henk.
.
Nu is daar Henks eerste boek. Eindelijk. Met een flinke stoot adrenaline heb ik De verjaardagen gelezen. Het vertelplezier springt van de pagina’s. Alleen al de woorden botervlaai, zaterdagmiddagwinkel, bakkersvrouw, kersenbier, erlenmeyer, traptractor en oudroze. Ik zie voor me hoe Henk dat met een enorme glimlach en een peuk in de hoek van die lach op haar laptop heeft getikt.
En dorpshavo. Geen dorpsmavo, zoals je misschien zou verwachten, maar dorpshavo, een fraaie, subtiele keuze. O, en Bakkertje Deeg. Leve Bakkertje Deeg! We moeten een fanclub oprichten. Ik had trouwens vroeger ook een traptractor.
.
Henk, ik zat in dat dorp, ik stond in die bakkerij te wachten op mijn brood. Jij kan alles. Je zoomt in, zoomt uit, trekt alle registers open en het klinkt allemaal even goed. En het beklijft. Als je het gelezen hebt, móét je er met iemand over praten. Ik kan daar nog veel meer over zeggen, maar kom op Willem, show don’t tell, lees liever je favoriete passage voor.
.
Mijn favoriete passage:
.
Ze [Lies] dacht aan haar moeders handen, aan de lichte zachte zoenen op haar haar, aan de ademhaling van haar moeder wanneer ze bij haar kwam kijken en Lies deed alsof ze sliep. Lies deed altijd alsof ze sliep. Dat was het fijnst. Dat mogen afluisteren van iemand die denkt dat je er niet bent. Dat je zeker weet dat ze het doen om zichzelf en niet omdat ze denken dat jij dat graag wilt. Die kus plantte haar moeder daar, omdat ze van Lies hield.
.
Pagina 222, dames en heren.
.
We zijn concurrenten nu, Henk, en serieus, ik ben bang dat er daardoor dingen tussen ons veranderen. Misschien helpt het als we terugdenken aan het begin. Met Michiel Romeijn aan de bar. Of in Huize Heyendaal, met die grijze dichter. Voor degene die er niet bij waren: Hij droeg een gedicht voor dat ging over hoe zijn gerimpelde geslacht zich traag ontvouwde terwijl hij naar jonge scholieres keek.
Ik denk dat het helpt als we terugdenken aan het begin. Welk begin dan ook. Dit is een begin. Er is altijd een begin. We zijn vrienden en collega’s en ik hoop dat dat zo mag blijven. Ik gun je alle succes van de wereld. Tenminste, als je me nog eens noemt in literair tijdschrift P.
.
Henk, ik wens je veel verkochte Verjaardagen en een heule lange schrijverscarriere! Met water en thee!
.
En dan wil ik graag eindigen met de ‘Nul woorden tellende omschrijving van het gevoel van de dag’…
.
[zoiets!]
.
.
Het boek van Hanneke is o.a. hier te koop. En dit is de geweldige booktrailer die erbij hoort, gemaakt door Torre Florim (De Staat):

Hoe het koper zich uitrolt

Ik ben bij een concert van Kapok, een jazztrio met hoornist Morris Kliphuis, en ik kan eindelijk zeggen: ‘Dat ding dus.’
.
Vijftien jaar heb ik hoorn gespeeld. Altijd moet ik uitleggen wat voor een instrument het precies is. Ze zeggen dat ze een vermoeden hebben, maar of ik het toch nog even kan omschrijven. Ik beeld het uit. In mijn lege handen hou ik de hoorn vast. Dit is voor mij duidelijk genoeg, ik zie het helemaal voor me. Vijftien jaar heb ik ‘m zo vastgehouden, wekelijks, soms dagelijks. De vingers van mijn linkerhand op de ventielen, de rechterhand in een kommetje tegen de rand van de kelk. Ik ken het formaat en het gewicht, ook al is het vijf jaar geleden dat ik ‘m voor het laatst heb vastgehouden.
Ik zie ze kijken.
Ze zeggen te snappen welk instrument ik bedoel, maar ik weet dat het niet zo is. De hoorn blijft een onbekende. Ze denken aan een tuba of een trombone. Ik gebaar met mijn handen hoe het koper zich uitrolt. Ik vertel dat je de hoorn er bovenuit hoort schallen bij het logofilmpje van Columbia Pictures, aan het begin van de film. Of richting het eind bij The Lord of The Rings, Indiana Jones, als de spanning flink wordt opgevoerd.
Dat ding dus.
En weer wordt er geknikt en ik weet dat ze echt geen flauw benul hebben. Waarschijnlijk denken ze nu aan een trompet.
.
Ik kijk naar Kliphuis, de enige jazzhoornist van Europa, en geniet van het schijnbare gemak waarmee hij de zaal vult met het geluid van de hoorn. Hij is iel en tamelijk klein, ik weet niet hoe hij dat doet met zijn longen. Ik herinner me nog hoe vermoeiend het was, dat diep inademen vanuit de buik om die lucht vervolgens geleidelijk in het instrument te blazen. Daar kreeg het een mooie, ronde klank van.
.
Kliphuis haalt de hoorn van zijn mond. Hij schudt en draait het instrument in zijn handen. Water. Dat is funest. Het instrument wordt een pruttelend koffieapparaat als je het erin laat zitten. Er zit een soort kraantje op, maar dat is niet voldoende, daarmee worden niet alle buizen geleegd. Schudden en draaien, want dat water is een gevaar. Net als te weinig lucht. Dat ga je horen.
.
Maar dat ding dus.
Ik wijs naar Kliphuis. Nu weten ze wat ik bedoel. Ze luisteren en zijn onder de indruk.
‘Mis je het spelen niet?’ vragen ze.
‘Nee.’
Dat begrijpen ze niet en dat vind ik dan weer mooi.