Postfruit

.
Ze heeft haar ogen nog open, maar haar ademhaling is veranderd. Ik loop rondjes door de slaapkamer, omdat dat voor haar de beste manier is om in slaap te vallen. Die onmogelijke, gruwelijke slaap. Samen met de wind (‘hoetteniet de wind!’) haar grootste vijand.
.
Het is een flinke peuter die ik in mijn armen hou, ruim dertien kilo. Dat kolosale hoofd en die benen. Het valt me ineens op, nu haar zusje net geboren is. Het zal niet voor niets zijn dat we haar naam steeds uitspreken als we tegen haar zusje brabbelen. Ze is heel lief voor de baby en omdat ik moe ben moet ik bijna huilen om haar strijd tegen de slaap.
.
Toen ik vanavond begon met de rondjes wilde ik voor haar zingen, zoals ik altijd doe, maar dat mocht niet. Elke keer als ik begon, zei ze ‘nee, nee’ en legde ze haar hand op mijn mond. Dat had ze nog niet eerder gedaan. Misschien hoorde het bij het gevecht tegen het slapen, maar misschien was het een ander gevecht. Dat van het niet meer klein willen zijn.
.
‘Gaan slapen’. Die woorden mag ik niet gebruiken.
‘Naar bed’ ook niet.
‘Een dutje doen’ ook niet.
‘Even rusten’ evenmin.
Toch was er vanavond een vorm van acceptatie. Ik mocht van haar zeggen: ‘Even een slaapje doen en dan naar opa en oma’. Dat opa en oma morgen helemaal niet op de planning staan, zorgde voor een minihuilbui.
.
Eindelijk heeft ze haar ogen dicht. Aan de andere kant van de muur kermt haar kleine zusje, maar dat hoort ze niet. Haar ogen bewegen onder haar oogleden. Ik tel langzaam af van honderd naar nul. In de hoek van de kamer ligt Ik wil naar verder van Anne Provoost op de grond. Mijn blik wordt steeds naar dat boek getrokken.
‘Ze kan nog niet lopen,’ merkte ze vandaag op tegen de kraamvisite.

Als ik haar wegleg, wordt ze even wakker. Ik ga er vanuit dat ze meteen verder slaapt, maar ze kijkt op en lacht naar me. Ik zeg: ‘Nu echt gaan slapen’. Ze gaat liggen, de ogen open, maar het is snel gedaan.
In de verte zoeft de snelweg.
.

Alle stukken in de Fruit-serie staan hier onder elkaar.

 

Knollenland

cram006vers01ill0014 .
Wekelijks rijd ik zingend Beuningen binnen. Niet omdat ik zo’n blije kerel ben, maar om voor mijn dochter van twee de tijd in de auto te doden. Ik neem het kinderrepertoire door, waarbij ze bij sommige liedjes steeds het laatste woord van de regel invult. Zo zoef ik over de Van Heemstraweg, met onvaste stem en knijpende ogen vanwege de lage winterzon in de voorruit.
.
Onlangs realiseerde ik me dat er geen droevige liedjes door onze gezinswagen klinken. Er zaten zeven kikkertjes en In een groen knollenland sla ik onbewust over. En dat terwijl er wel regelmatig een hoerenliedje voorbij komt: Altijd is Kortjakje ziek. Een lofzang op sekswerkers, want ‘Kortrokje’ ligt de hele week op bed en vraagt God op zondag om haar zonden te vergeven. Maar dat geheel terzijde.
.
Wat betekent het dat ik die droevige liedjes vermijd? Probeer ik haar de ellendigheden van het leven te besparen? Of heb ik gewoon geen zin om die treurige verhalen te bezingen? Ik weet het niet, waarschijnlijk allebei een beetje. In elk geval heeft het niets met mijn eigen boerenjeugd te maken. Ik werd niet wild enthousiast als er weer een dode haas in de kelder lag – cadeautje van de jager – maar ik heb daar geen trauma aan over gehouden. En de kikkers die ik vroeger bij de sloot vond, sprongen vrolijk rond.
.
Ik heb me voorgenomen om de droeftoeters van de Nederlandstalige kindermuziek niet meer uit de weg te gaan. Omdat het leven nu eenmaal niet alleen hosanna is. De week van een prostituee is ook geen vrolijke boel. En mijn dochter ziet het nog niet vanuit haar zitje, maar we rijden met de auto vaak langs opengereten vogels, poezen of egels.
Pas huilde ze omdat ze koude handjes had. Toen dacht ik: als het daarbij bleef.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Tekening van illustratrice, boekbandontwerpster en schrijfster Rie Cramer (1887-1977). 

.

Toren

14691280_1446740772020092_2389027141862446358_o

.
Elke keer als we bezoek krijgen in ons nieuwe, tijdelijke huis, loopt mijn dochter van bijna twee naar het raam en wijst naar buiten.
“Tore’!”
Het uitzicht op de Sint Stevenskerk is het begin van haar rondleiding en tevens het hoogtepunt.
Nimmer had een kerk zo’n prominente plek in mijn leven. Mijn dagelijks leven, wel te verstaan. Als ik wil weten hoe laat het is, hoef ik maar uit het raam te kijken. Of ik luister naar hoe vaak ze de klok luiden.
Bij protestanten herinnert het luiden van de klokken, bij begrafenissen in elk geval, aan de vergankelijkheid van het bestaan. Bij ons herinnert het aan de vergankelijkheid van ons onderkomen. We wisten het van tevoren: na drie maanden moeten we weer vertrekken.
Dankzij mijn dochter ben ik me heel bewust van de kerk. We lopen door de benedenstad en steeds merkt ze eerder dan ik een ander doorkijkje op.
“Tore’!”
Op de Waalkade houd ik haar op de arm. We kijken naar de bootjes die voorbij varen. Ineens steekt ze haar hand uit.
“Tore’!”
Het is de kerk van Lent. Ze draait haar hoofd om en haar hand gebaart naar die andere toren, háár toren, onze toren.
In Beuningen is ze me opnieuw voor. Vanuit de voortuin van mijn ouders is de Corneliuskerk te zien.
“Tore’!”
Jarenlang heb ik vanuit mijn slaapkamer dit uitzicht gehad, maar ik heb nooit echt goed gekeken.
Er zijn momenten dat ze de Sint Stevenskerk kwijt is en hevig naar hem verlangt. Dan hangt er mist voor.
“Tore’ weg?”
Zo went ze alvast een beetje.
Maar ook als ze hem niet kan zien, weet ze dat hij er is. In de Lange Hezelstraat zoekt ze hem niet meer, maar blijft ze wel luisteren.
“Bim, bam, bom,” zingt ze met hem mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Een

Het is de tijd van aaien en zwaaien. Van lange middagdutjes en van dansen op muziek. Van meer eten dan melk drinken. Van wijzen naar lampen en van graaien naar mijn baard.
.
Als ik de foto’s bekijk van toen ze net geboren was, een jaar geleden nu, dan schrik ik. Hoe heb ik haar ooit een mooie baby kunnen vinden? Zo mooi was ze helemaal niet. Nu is ze dat wel natuurlijk, toen nog niet.
Het lijkt ook zo lang geleden. Ineens herinner ik me weer de kruiken die we in de eerste weken in haar bedje stopten. De zorgvuldigheid waarmee ik ze vulde met gekookt water en ze liet rollen op de vloer om te kijken of ze goed dicht zaten. En dan toch nog altijd de angst voor het lekken. Het is een andere tijd. Om nog maar te zwijgen over toen ze nog niet bestond, toen ze slechts een schaduw in mijn hoofd was. Toen ik Ik ben vandaag zo vrolijk dichtbij de buik van S. zong, in de hoop dat ze dat liedje na haar geboorte zou herkennen als we het weer zouden zingen. Wat ze niet deed overigens.
.
Maar er heeft zich de afgelopen maanden ook veel herhaald. Ik loop dezelfde routes met haar als driekwart jaar geleden, met dezelfde markeerpunten onderweg waarin ik slechts af en toe varieer.
We lachen in de spiegel op de slaapkamer.
We bekijken in de gang de ingelijste tekening, een zelfportret die haar moeder maakte toen ze zes was.
We stoppen bij het spionnetje van de voordeur en ze voelt aan het ronde gaatje.
We halen de krant uit de brievenbus in de entreehal van de flat. Zij houdt hem met één hand vast. (De eerste maanden stopte ze het papier in haar mond, nu wijst ze naar de plaatjes op de voorpagina.)
We blijven drentelen voor het fornuis. Een van de magneten op de afzuigkap is een afbeelding van Paus Franciscus. Zij wijst en ik zeg dat dat opa is. (En daarmee hoop ik dat ze er op een dag naar zal wijzen en zal zeggen dat het opa is, liefst als ze op de arm zit van een van haar opa’s.)
.
Terugblikkend op dit wonderbaarlijke, stormachtige eerste jaar besef ik dat ik vooral veel bezig ben geweest met het zoeken naar bevestiging. Ik wilde dat ze me zag als haar vader en ik twijfelde vaak of ze dat wel deed.
Wie is die meneer die me in slaap probeert te wiegen? Kan dat niet iedere meneer zijn? En is dit wel dezelfde meneer als de meneer die me gisternacht in slaap probeerde te wiegen? Maakt mij dat wat uit?
In de boeken hebben ze het over geur, stemgeluid, de manier waarop je haar vasthoudt. Daardoor weet ze: jij bent mijn vader. Maar soms lijkt ze me niet te herkennen. En soms geef ik haar alle aandacht en kijkt ze doodleuk weg. Dan komt de twijfel, en die was er in de tweede maand, maar ook in de elfde maand. Ik wil heel graag haar vader zijn.
Enkele weken geleden ging het helemaal mis. Ik haalde haar op bij mijn moeder die een dag op haar had gepast. Ik had me erop verheugd haar weer te zien, maar nog voordat mijn moeder haar aan me overhandigde, deed ze wat ze tot dan toe alleen bij anderen heeft gedaan. Haar gezicht vertrok en ze begon te huilen.
.
Er zijn ook andere momenten.
Het is halverwege de ochtend. Ik heb haar een stukje mandarijn gegeven. Ze houdt het tussen haar vingertjes en steekt het dan behendig in haar mond. Ze neemt alle tijd. Ze zuigt, sabbelt en kauwt. Ze lijkt helemaal op te gaan in de handeling van het eten. Het sap stroomt via haar mondhoeken naar buiten en glijdt langs haar mollige babykin omlaag.
Dan steekt ze haar hand uit en vraagt om een nieuw stukje.
Papa, zeg ik.
Dede, zegt zij.

Fruit (Epiloog)

goodoldpolly

Het is diep in de nacht. Driekoningen, volle maan. In de slaapkamer zoemt het verwarmingskacheltje dat ik twee dagen geleden heb gekocht. Op mijn borst rust een mensje. Amper drie kilo, maar zo enorm groot in betekenis dat het nauwelijks te bevatten is.
Ik had een kwetsbaar kind verwacht, te klein voor de wereld, bangig, maar het kind op mijn borst ligt er zorgeloos bij. Ze heeft haar ogen gesloten en vertrouwt helemaal op mij. Het maakt me rustig. Ik heb een dochter.

Die laatste weken ging het van een ananas naar een watermeloen. We verhoogden het bed, volgden een cursus en reden naar Dordrecht voor een tas vol kinderkleertjes.
Soms vergeet ik dat ik zwanger ben, zei ze.
Maar die buik was moeilijk weg te denken. Het was een boei in bed. Soms, als ik in een droom dreigde te verdrinken, hield ik me vast aan die boei.

Eigenlijk had ik al een kind gekregen. Ik moest haar aankleden, haar veters strikken en haar rugzak dicht doen. De verloskundigen en verpleegkundigen beschouwden haar af en toe ook als een kind. Steeds weer werd het belang van de euromunt benadrukt. Stel dat je naar het ziekenhuis moest, dan had je een euromunt nodig voor de rolstoel. Zelfs op de checklist van de kraamzorg kwam hij voorbij, die fucking euromunt. Een keer schrok ze badend in het zweet wakker en riep: de euromùùùùùnt!

Tijdens een van onze bezoeken aan mijn ouders noemde ik per ongeluk de naam van het kind. Ik had het niet meteen in de gaten. Ze zat tegenover me en ik schrok van haar blik. Mijn moeder was niet in de buurt, maar mijn vader zat naast me. Hij deed alsof hij het niet had gehoord. Misschien had hij het ook echt niet gehoord. Ik wist het niet en ik kon er niet tegen hem over beginnen.
Het kind zou dezelfde naam krijgen als de hond die mijn ouders veertien jaar hadden gehad en die acht jaar geleden was overleden. Geen bewuste keuze, we vonden het gewoon een mooie naam. Ik had nog wat uit te leggen.

Nu zijn de dagen voorbij voordat ze goed en wel op gang zijn gekomen. Ik leer woorden als troostborst, poepmoment, huidhonger en regeldagen. De eerste luiers zitten vol smeerolie, daarna is het mosterd. Telkens als ze tegen de baby praat, geef ik antwoord omdat ik denk dat ze het tegen mij heeft. Ik heb al verschillende keren het badwater weggegooid. Zonder kind, welteverstaan. De kraamverzorgster moet er ook om lachen, al weet ik niet of ze het begrijpt.

Ik bel mijn moeder en vertel uitgebreid hoe de bevalling ging. Ik nodig haar en mijn vader uit om op bezoek te komen.
Da’s goed, da’s goed, zegt ze, we komen er meteen aan. Maar je hebt nog niet gezegd hoe ze heet. Hoe heet ze?
Ik zeg tegen mijn moeder dat ze even rustig moet gaan zitten.
Polly, zeg ik.
Haar reactie valt mee en die van mijn vader ook. Of misschien weten ze het goed verborgen te houden. Hij heeft mijn verspreking in elk geval niet in de gaten gehad, zegt hij. Een van de cadeaus die we van hen krijgen is een boekje van Polly de pony.

Ze is er. In alle hevigheid.
Ze hikt, piept, burpt, zwaait met haar armen, trekt rare gezichten. Alles is anders en dat voelt goed. Maar af en toe loop ik zonder gedachten de slaapkamer binnen en dan schrik ik van het wiegje met Polly erin. Ik was haar weer even helemaal vergeten.
.
.

Lees hier de eerdere stukken uit de serie Fruit.

Fruit (5)

’s Avonds is er een buikje, ’s ochtends niet.
’s Avonds zegt ze: Ik wil geen buik.
’s Ochtends zegt ze: Ik wil een buik.
Ik zeg: Tjonge jonge, wat een problemen allemaal.

Ik slaap slecht. Steeds draai ik me om, zo rustig mogelijk om haar niet wakker te maken. Uiteindelijk stap ik uit bed en begin door het huis te spoken. Ik denk aan mijn werk, aan alles wat deze week nog gedaan moet worden. Ik lees een boek tot ik niet meer kan en ga weer in bed liggen. Ik droom over alles, behalve over het kind. Onder de douche wrijf ik in mijn ogen. Als ik nu al slecht slaap, hoe moet dat dan als het kind er is? Of heb ik juist een voorsprong?

Er moet nog veel geregeld worden. We zitten stilletjes aan tafel, terwijl ze de verzekeringsmaatschappij belt. Een vrouwelijke robot loodst haar door het menu. Als ze haar vraag stelt, zegt de robot dat ze harder moet praten, dat ze waarschijnlijk in een drukke ruimte staat en beter een rustige plek op kan zoeken. We gniffelen. Ze wacht even, haalt dan diep adem en stelt met verheven stem dezelfde vraag.
.
Paprika, granaatappel, banaan, mango. We weten nu dat het een meisje wordt. Dat was even spannend, maar vooral omdat het nu zeker is dat het geen jongen zal zijn. Zij dacht altijd al aan een meisje en ik had geen idee, want ik draag het kind niet. Voor een meisje hadden we al een naam, voor een jongen nog niet. Eigenlijk zijn we er helemaal klaar voor.
.
Ze zegt dat het schopt. Dat ze schopt. Heel zacht. Het kriebelt. Ik leg mijn hand op haar buik, op de plek waar ze iets heeft gevoeld, en wacht een minuut. Niets. Ik trek mijn hand weg. Zo gaat het elke keer.
Van een collega leent ze een stethoscoop. Ik doe hem op. De oordoppen drukken pijnlijk hard op mijn oren. Ik verplaats het membraan over haar buik. Volkomen stil. Het kind laat niets merken. Alleen het kraken van de stethoscoop zelf is te horen.
.
Op het voetbalveld spreek ik een man wiens vrouw over een paar weken is uitgerekend. Ze is zangeres. Hij vertelt dat haar stem is veranderd door de zwangerschap. Voller, dieper, mooier. Ik denk aan het telefoontje met de robot van de verzekeringsmaatschappij, zo zacht praatte ze altijd al. Ik vraag de man of het voor zijn vrouw blijvend zal zijn. Nee, zegt hij, als het kind er is, wordt haar stem weer zoals het altijd was. De concerten die ze nu geeft zijn daarom extra bijzonder.
.

Op de wc liggen tijdschriften over zwanger zijn en het ouderschap. Ik heb er nooit naar omgekeken, maar nu blader ik er een door. Het gaat over de baarkruk, de moeder-constellatie en tips voor kolven. Ik blijf hangen bij  een artikel dat bestaat uit quotes van celebrities. Johnny Depp zegt: Alles wat ik deed tot 27 mei 1999 was een soort illusie: bestaan zonder te leven. De geboorte van mijn dochter bracht me pas echt tot leven. Chris Martin zegt: Je borsten zijn tien keer zo groot geworden. Je cuppmaat is van A naar D gegaan. Voor jou niet altijd leuk, maar voor mij is het fun. I ain’t no baddie, I am your baby’s daddy.

In mijn agenda schrijf ik, tussen deadlines, verjaardagen en afspraken: kind erkennen.

Fruit (4)

Ik word wakker als zij al wakker is. Ze staart naar het plafond en kijkt dan naar mij.
Hoe lang lig je al zo? vraag ik.
Een tijdje.
Is er iets?
Nee, ik ben wakker aan het worden.
Ik vraag haar hoe laat het is.
Acht uur.
Ik sta op en neem een douche. Ik denk na over de dag, over het werk en wat ik ’s avonds ga doen.
Terwijl ik me afdroog, komt ze de badkamer binnen. Ze glimlacht.
Het wordt een meisje, zegt ze. Ik weet het zeker.
Ik moet even nadenken. Het kind. Natuurlijk. Ik was het helemaal vergeten. Dat overkomt me vaker. Ik knik en ik glimlach. Een meisje, dat zou goed kunnen.
.
We hebben fruitvliegjes in huis.
Volgens mij is dat losse fruit niet handig, zegt ze.
Vooral die kersen en druiven, zeg ik, dat zoetige, daar komen ze op af.
Dan doen we dat weg, zegt ze. Dat soort fruit hebben we toch al achter de rug.
.
Ik kijk een voetbalwedstrijd bij een vriend van een vriend en ik vergeet mijn jas. De volgende dag achterhaal ik het telefoonnummer van de vriend van een vriend. Ik sms hem dat mijn jas nog bij hem ligt. Hij stuurt terug dat ik de jas elk moment van de dag kan ophalen. Hij is thuis, hij past op zijn zoon van zes maanden. Ik mag alleen niet aanbellen, want het kan zijn dat de baby slaapt. Als ik die middag voor zijn deur sta, stuur ik een sms. Hij doet open met het kind op zijn arm. Het jongetje heeft mooie helderblauwe ogen. De vriend van een vriend geeft me mijn jas en zegt dat hij me niet binnen kan laten, omdat hij aan de slag moet. Hij toont me de bruine strook die aan de rand van de pamper van zijn zoontje zit.
.
De verloskundige praktijk is gevestigd aan een grote weg. In de voortuin is geen beschutting. Als je naar buiten stapt, sta je vol in het zicht. We omarmen elkaar en ik voel de fietsers en automobilisten kijken. Het is voor iedereen duidelijk. We spelen in een clichéfilm. Elke dag komen hier aan de lopende band stelletjes naar buiten die elkaar op de stoep omarmen. En om de zoveel tijd stelletjes die elkaar huilend omarmen.
.
Het is een limoen.
.
Ik kijk met mijn vrienden weer een voetbalwedstrijd en wacht op het juiste moment.
Na het volkslied? Nee, toch maar niet.
Tijdens een wissel? Nee, ze hebben het over vakanties.
Na een doelpunt? Nee, er wordt gescholden.
In de rust stamel ik dat ik vader word.
Een van de jongens slaat me op de schouder.
Waarom heb je dat niet meteen gezegd?
.
De wedstrijd is afgelopen. Met een vriend heb ik het over hoe snel kinderen groeien en hoe ze je leven veranderen. Voor je het weet zijn het geen baby’s meer waar je zo weinig mee kunt. Het is een mooi gesprek, al hebben we beiden geen idee waar we het over hebben. Hij is zelfs nog single. Dan begint de vriend over een plant die hij vorig jaar stekte en die van niets groeide tot een halve meter. Hij is enthousiast, blijft maar praten over zijn plant. Hij gebaart driftig, zijn ogen glinsteren.
.
Vlak voor middernacht zoemen onze telefoons tegelijkertijd. Een vriendin heeft een bericht gestuurd naar onze vierpersoons-WhatsAppgroep.
‘Slaap zacht, lieve limoen.’
.

Fruit (3)

Bij het opstaan heb ik Viva Tirol in mijn hoofd. Zoals vaker ben ik binnen een tel uit bed, alsof een scheidsrechter in de slaapkamer een startschot heeft gegeven. Zij kreunt en draait zich op haar zij. Ik huppel door de gang en zing flarden tekst mee.
Viva Oh Viva Tirol 
in ‘t lere breukske bovenop de stool 
Ik weet ook niet waar het vandaan komt. Het is een vreselijk lied, zeker om de dag mee te beginnen. Maar ik ga ermee door, al is het alleen maar om haar te jennen. En dan ineens begrijp ik het. Lachend kom ik de kamer binnen. Ze zucht, maar ik zeg dat ze echt even naar me moet luisteren. Met een opgestoken vinger begin ik te zingen, in een langzaam tempo, woord voor woord.
wat ginge veer tekier op ‘t tirolerbal 
en den echo echo echo
galmde door ‘t dal 

Nu moet ze ook lachen.
.
De avond ervoor hadden we bij vrienden van mij gegeten. Van tevoren was ze al gespannen. Mijn vrienden mochten het nog niet weten, het nieuws moest wachten. Ze was bang dat ze haar mond voorbij zou praten. Onderweg op de fiets zei ze dat het er misschien al niet meer is.
Wat niet?
Het kind.
Natuurlijk wel.
Maar ik voel niets.
Dat betekent niets. Het is een heel rustige gedroogde pruim.
Toen mijn vrienden zich naar de keuken begaven en wij achterbleven aan tafel, pakte ze mijn hand vast.
Denk je dat ze de groenten hebben gewassen? fluisterde ze.
De tranen stonden in haar ogen.
Natuurlijk, fluisterde ik dwingend. Maak je toch niet zo druk. Als er mensen zijn van wie ik het zeker weet, dan zijn zij het wel.
Snel wreef ze in haar ogen.
.
De echo. Ik kijk naar het scherm en word er claustrofobisch van. Ik zie het kind liggen, heerlijk op z’n gemak. Het heeft een duim in de mond. Althans, daar lijkt het op. Maar ik denk aan de komende maanden dat het kind nog gevangen zit in die buik en ik snak naar adem. .
.
We staan op het punt om naar mijn ouders te gaan, maar dan blijkt ze haar fietssleutel kwijt te zijn. We zoeken overal. Ze raakt in paniek, begint te huilen. Ik hou haar vast.
We kunnen ook met de auto gaan, zeg ik.
Ik wil niet met de auto, ik wil die sleutel.
Een minuut lang kijkt ze droevig voor zich uit. Ze wil weer gaan zoeken, maar ik hou haar tegen. We gaan met de auto.
.
De buurman van mijn ouders is op bezoek. Hij heeft het over zijn oudste zoon, terwijl mijn moeder krentenbrood ronddeelt. Dan vertel ik over mijn vrienden die heerlijk voor ons gekookt hadden. Als ik klaar ben, staat de buurman op en zegt dat hij moet gaan. We zijn alleen met mijn ouders. Ik kijk naar haar, maar zij ziet het niet, ze glimlacht naar mijn ouders. Mijn vader begint over een vakantie van twee weken geleden. Hij vertelt wat ze gedaan hebben, van uur tot uur. Mijn moeder is stil en kijkt me een lange tijd aan. De telefoon gaat. Mijn moeder neemt op. Met de telefoon loopt ze naar een andere kamer. Mijn vader weet van geen ophouden. Wetenswaardigheden van een Achterhoeks dorpje waar ik nooit van gehoord heb komen ter sprake. Als mijn moeder terug is, schuift mijn vader zijn stoel naar achter. Er moet nog wat gedaan worden op de boerderij. Mijn moeder vraagt of dat niet kan wachten, zo vaak komen wij niet langs, maar hij is de deur al uit. Ze schenkt opnieuw thee in en zegt dat we mee kunnen eten als we dat willen. Ik zeg dat dat wel een goed idee is. Tijdens het eten zit er een hulpje aan tafel. Het gaat over zijn opleiding. Het duurt lang voor de jongen vertrekt.

 .
Ik wil jullie iets vertellen, zeg ik.
Dat dacht ik al, zegt mijn moeder.
Als het hoge woord eruit is, klapt ze enthousiast in haar handen. Ze staat op van tafel en komt ons feliciteren. Mijn vader volgt haar.
Hadden jullie het verwacht? vraag ik.
Nee, helemaal niet, zegt mijn moeder. Maar ik wist dat er iets aan de hand was. Jullie bleven en bleven maar, dat is anders nooit.
.

 

 

 

Fruit (2)

Elke ochtend hoor ik het gebonk van een wasmachine ergens in de flat. Harde slagen in een vast ritme, een doorgedraaid apparaat. Uren achter elkaar gaat het door, zo merk ik op dagen dat ik thuis blijf, en dan ineens houdt het op.
Zij heeft dit allemaal niet in de gaten. Ik kijk naar haar terwijl ze slaapt. Ze doet haar ogen open, kijkt voor zich uit, knippert en doet haar ogen weer dicht.
.
Ik ben bang. Als ik op de fiets zit op weg naar mijn werk, denk ik aan het kind. Een framboos is het nu. Ik ben bang dat ik het niet goed zal doen als vader, dat al mijn zwakheden zichtbaar zullen zijn voor het kind. Maar ik ben ook gewoon bang dat ik geen tijd meer voor mezelf zal hebben.

Dan is het mis. Een sms. Ik zeg dat ik naar haar toekom, nu meteen, en in mijn hoofd is het al voorbij, is het kind er niet meer. Tegen mijn collega’s zeg ik dat ze ziek is, dat ik ook niet weet wat het is, een griepje waarschijnlijk, dat ik even ga kijken. Ze kijken bezorgd, het wekt geen argwaan. Op de fiets denk ik aan het kind dat er niet meer is, het vloekt in mijn hoofd, het duurt een eeuwigheid voor ik thuis ben.
.
Ze zit aan tafel en oogt rustig. Ik ben blij dat je er bent, zegt ze. En ze zegt: het hoeft niet per se te betekenen dat het mis is. Ze belt de verloskundige. We kunnen meteen terecht.
In de auto ben ik stil. Ik zit achter het stuur, zij reikt me een kauwgumpje aan. Ik ben banger dan zij.
De verloskundige is een andere dan de vorige keer. Ik schud de hand van de stevige dame. Het is een lachebekje dat zich probeert in te houden en dat stelt me enigszins gerust. Ze treuzelt niet, maar zoekt meteen in de buik. Het duurt niet lang. Daar is het kind, duidelijker dan ooit tevoren. Het leven spat van het beeldscherm. Hoofd, armen, benen, alles is in beweging. We geven de verloskundige weer een hand. Op de hoek van de straat eet ik een Bossche bol, zij een appelgebak.

.
Een vriendin vertelt over de heipalen langs de Waal, dat de hele buurt er niet van kan slapen. Later fiets ik langs de bouwput. Op dat moment wordt er niet gewerkt, maar de volgende ochtend hoor ik het weer. Geen wasmachine, maar heipalen.
.
We liggen vroeg in bed. Ik lees, zij kijkt voor zich uit. Ze noemt een naam en ik zeg nee. Ze noemt nog een naam en weer zeg ik nee. Haar vinger zoekt haar neus. Als ik mijn boek dichtsla, legt ze een snotje voor mijn kussen, als een kat die een vogel komt brengen. Verwachtingsvol kijkt ze me aan.

Fruit

Het is een streepje. Nee, een golflijntje. Flikkerend.
De kans was groot dat er nog niets te zien zou zijn, ook als het er wel zit. Dat had ze de avond ervoor gezegd en nu zegt de verloskundige het ook. Maar binnen een paar seconden zie ik het golflijntje. Ik zie het eerder dan haar. De verloskundige wijst naar het scherm en dan ziet zij het ook.
.
We hadden een tijdje in de wachtkamer gezeten. Aan de muur hing een prikbord met geboortekaartjes. Op het tafeltje in de hoek stond een beeld van een baby in foetushouding. De verloskundige kwam binnen en noemde haar naam. We volgden de verloskundige en namen plaats voor het bureau. Dat moment. Voor het eerst voelde ik me geen jongen meer, maar een man. Ik probeerde te doen alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Mijn rug recht, een rustige oogopslag. Ik wreef over mijn baard. De verloskundige glimlachte vriendelijk. Ze keek me heel even aan, maar richtte zich verder alleen op haar.
.
’s Nachts liggen we hand in hand op bed. We kijken naar het plafond en zeggen niets. Op de grond, aan mijn kant van het bed, staat een leeg bierflesje. Aan haar kant ligt haar telefoon waar ze gisteravond patience op speelde.
.
Het is een rijstkorrel, zegt ze.
Een rijstkorrel?
Zo groot is het nu. Dat heb ik gelezen.
.
Ik probeer aan een rijstkorrel te denken, maar ik zie steeds het flikkerende golflijntje voor me.
Slaap je al? vraagt ze.
Nee.
.
’s Morgens onder de douche houd ik mijn ogen dicht en kijk uit over een enorme woestijn, waar ineens iets aan de horizon verschijnt. Het is niet duidelijk wat het is, het is zwart, een zwart vlekje. Het heeft het landschap veranderd.
Terwijl ik me afdroog, zing ik een lied. Ik heb het zelf niet in de gaten. Ze komt binnen en legt een hand op mijn arm.
Wat ben je nu weer aan het zingen?
Ik kijk haar verbaasd aan.
Zingen?
.