Koppen

Als er iets te doen is in het dorp, zie ik ze altijd. Of het nu gaat om een braderie, carnaval of de kermis. Er zijn een paar figuren die ik elke keer tegenkom. Ik ken ze niet echt, ik weet amper hun naam, maar ik herken ze omdat ze iets heel eigens hebben. Het zijn echte Beuningse koppen. 

Ik weet niet precies waar het ‘m in zit. Het komt denk ik door de vorm van hun gezicht. De stand van de neus, de ogen, de oren, de mond. Of door de manier waarop ze praten, lachen, lopen. Ze zijn niet te missen. Ze horen bij het dorp, zoals de uiterwaarden bij de Waal.

Op een strand in Portugal heb ik een keer een van deze figuren zien lopen. Ik dacht: die ken ik ergens van. Maar ik kon het niet plaatsen. Ik was gedesoriënteerd. Het duurde even voor ik de situatie begreep. Ook zij kunnen loskomen van hun decor, van Beuningen. Soms dan.

Ik heb altijd gedacht dat ze uniek waren. Ik dacht dat ieder mens uniek was en zeker zij, de Beuningse koppen. Levend lokaal erfgoed. Maar mijn goede vriend Ton uit Thailand beweert iets heel anders. Hij komt zelf van oorsprong uit Weurt en heeft in Phetchaburi, het district waar hij al een paar jaar woont en werkt, enkele Weurtenaren zien rondlopen. Ze hebben een andere huidskleur en een ander soort haar, maar verder zijn ze echt Weurts. Het zorgt ervoor dat hij zich een beetje thuis voelt. 

Als ik Ton moet geloven, zou je met wat grondig speurwerk over de hele wereld – van Namibië tot Guatamala en van Noord-Korea tot Cyprus – een tweede Beuningen kunnen samenstellen. Ze hebben andere gewoonten, spreken een andere taal, maar verder zijn ze precies hetzelfde. 

Dat klinkt eigenlijk best als een goed idee. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Mini-tour

Nog even wat puntjes op de i, want met mijn voordracht ‘Beungening’ maak ik de komende tijd een mini-tour langs drie wereldsteden:
– Beuningen, 18 mei, Lenteommetje
– Amsterdam, 31 mei, De Ruimte
– Rotterdam, 16 juni, Frontaal

Komt heen. Wees welkom.

Akoestiek

Het is een menselijke variant van de vogeltrek. Elke donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond beweegt een fietsende meute richting Nijmegen. De Van Heemstraweg als slagader naar vertier.

Langs de route ligt ook de boerderij van mijn ouders. Toch merkt mijn moeder weinig van de heenweg. Ze kan binnen de muren van het huis de eau de colognes en deodoranten niet ruiken. Bij de terugweg is dat anders. Als de jongeren zijn leeggedanst en volgetankt, hebben ze geen besef van de akoestiek van het platteland. De wind hoeft maar een beetje goed te staan en mijn moeder kan, liggend op een oor, alles horen met haar andere oor. Het uitgestrekte grasland tussen de boerderij en de weg doet daar niks aan.

Zelf heb ik ook een tijd aan die kant van het huis geslapen, in de tijd dat ik nog te jong was om uit te gaan. Het waren voor mij toekomstgeluiden uit de nacht: het geschreeuw, de vreugdekreten, het geouwehoer, het roddelen, maar ook de serieuze gesprekken, vol twijfels en verlangens en dronken eerlijkheid. 

Toen ik eenmaal oud genoeg was en in benevelde toestand het laatste stuk naar huis aflegde, hield ik me – ondanks de kermis in mijn hoofd – wijselijk stil. Zelfs het gedag zeggen tegen mijn vrienden deed ik fluisterend, in de hoop dat mijn moeder het niet zou horen. Of nog beter: dat ik haar niet wakker zou maken. 

Maar mijn moeder is van nature geen goede slaper. Ze waakt over de nacht. Vaak genoeg stond ze me in haar pyjama in de keuken op te wachten, hoe geruisloos ik de deur ook van het slot had gedaan. 

En zo hoort ze de laatste maanden altijd wanneer de buurjongen thuiskomt. Zijn ‘houdoe’ schalt dan over het veld. Hij heeft het naar zijn zin gehad en is veilig teruggekeerd. Mijn moeder kan zich eindelijk overgeven aan de slaap. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geertrude

In Beuningen in oude ansichten vind je ergens halverwege een zwart-wit foto van de knappe, jonge vrouw Geertrude van Raaij. Dit boekje staat al sinds mijn jeugd in de boekenkast van mijn ouders en deze foto, of eigenlijk het onderschrift bij deze foto, maakt elke keer als ik het weer onder ogen krijg diepe indruk. Geertrude stierf in 1916 op haar 21etoen ze bij de Koningsstraat met haar fiets onder de stoomtram kwam. Volgens de Maas en Waler uit die tijd ‘werden het meisje zoo goed als beide benen bij onderlijf afgesneden’. 

Op jonge leeftijd overlijden is al heel erg treurig, maar dat in zulke gevallen vooral de doodsoorzaak wordt onthouden maakt het nog treuriger. Wie de persoon was, vertellen mensen niet aan elkaar door. Ze hebben het alleen over hoe iemand aan zijn einde kwam. Voor Geertrude geldt dat helemaal. Haar dood staat omschreven in een boekje dat meer dan 70 jaar later verscheen. 

Daar komt bij dat het hier gaat om een tramongeluk. Zoiets zou nu niet meer kunnen gebeuren. Al vanaf 1934 niet meer, toen de tramlijn Nijmegen-Wamel werd opgeheven. Zo voelt haar dood achteraf extra zinloos. 

Arme Geertrude. Ik zou haar graag herdenken om wie ze was tijdens haar leven, maar er is niets wat ik over haar kan vinden. Althans, dat dacht ik. Toen ik laatst Beuningen in oude ansichtenweer opensloeg, zag ik op de volgende pagina een foto van het huis van Geertrude’s vader. In het onderschrift stond nog iets over haar. Dat ze een geëmancipeerde vrouw moest zijn geweest, want ze fietste en dat was in die tijd voor vrouwen zeer ongebruikelijk. Het is slechts een glimp uit haar leven, maar wel een heel mooie.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Schoolplein

De school was uit. Mijn dochter rende op me af, stopte vlak voor mijn neus en keek over mijn schouder. Ze wou heel graag met iemand afspreken. Ze heeft een vriendinnetje op wie ze gek is, maar zij had met iemand anders afgesproken. Mijn dochter speurde rond en ik zag het al misgaan. Ze liep een rondje over het schoolplein, en toen nog een. Ik zei dat we beter naar huis konden gaan, dat we thuis iets leuks zouden doen, maar ze bleef zoeken. Het werd steeds rustiger, tot we als laatste over waren. Ik zei dat ze de volgende keer zeker met iemand af kon spreken, maar dat we nu toch echt naar huis gingen. Toen was het mis. Ze sloeg tegen mijn been, smeet haar rugzak weg en liet zich op de grond vallen. Haar gehuil ging door merg en been. 

Ik stelde me voor dat op dat moment overal in het land kleuters op schoolpleinen lagen, snakkend naar contact met een leeftijdsgenoot. Ik heb zelf vast en zeker ook weleens op het schoolplein in Beuningen gelegen. Al denk ik niet dat het vaak is gebeurd. Ik was te geremd om mijn verdriet en frustratie op deze manier te tonen. Bovendien vroeg ik bijna nooit iemand om te spelen, bang om teleurgesteld te worden.  
    
Mijn dochter lag daar nog altijd uitgestrekt. Er moest een einde aan komen, maar hoe? Ik pakte haar vast en sjouwde haar mee onder mijn arm, terwijl ze loeide als een sirene. Zo liepen we de poort uit. Iets verderop kwamen we het vriendinnetje tegen en het meisje met wie zij had afgesproken. Ook dat nog, dacht ik. Het vriendinnetje kwam naar ons toe en tikte mijn dochter aan. Ik zette haar op de grond. “Volgende keer spreken wij af,” zei het meisje. Dat was voldoende. Wonderbaarlijk. Mijn dochter huppelde naar huis.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Aandacht

Vorige week zat ik op een bankje in de Corneliuskerk in Beuningen en luisterde naar een solo van een sopraan-saxofoon. Ik was ontroerd. Ik ken de solo goed, omdat ik het vaak heb gehoord in mijn fanfaretijd. De soliste van nu was dezelfde als die van toen, maar de muziek had een heel andere lading gekregen. Henriëtte speelde het lied dit keer voor haar overleden vader.     

Het was een mooie dienst voor Frans Litjes, de oud-postbode die bijna 80 jaar deel was van de fanfare. In de periode dat ik muziek maakte, beschouwde ik hem een beetje als mijn opa. Hij was een lieve, benaderbare man die van grapjes hield. In de dienst hoorde ik dat terug: een familieman met veel aandacht voor anderen. Die aandacht ging nu naar hem. “We vieren vandaag zijn leven,” zei pastoor Harry van Dooren. 

Bij een uitvaart springen de kleine anekdotes over de overledene er vaak uit. Ze zijn veelzeggend, ze doen wat met je. Zo vertelde een kleindochter dat Frans elke ochtend voor het raam stond te zwaaien als ze voorbij fietste op weg naar school. Soms stond hij dan klaar voor niets, als ze het eerste uur vrij had. 

Maar dit keer troffen de grote woorden over het geloof me ook. Vooral door de manier waarop Van Dooren ze inleidde. Hij vertelde dat Frans een gelovig christen was en dat hij geloofde in iets na de dood. “Je kunt het een hemel noemen, maar eigenlijk schiet zo’n woord te kort.” Heel helder en genuanceerd legde hij het uit, met begrip voor de niet-gelovigen in de kerk.  

Het mooiste vond ik dat de tijd werd genomen. De fanfare speelde nog een lang stuk. Alles waar Frans voor stond, kwam zo mooi samen: aandacht, familie, geloof en muziek.

Deze column verscheen in De Gelderlander. 

Verkiezingen

De envelop met mijn stempas ligt al een week op de onderste tree van de trap. Elke keer als ik naar boven loop, word ik eraan herinnerd dat ik binnenkort weer het rode potlood ter hand moet nemen. Ik weet niet of de trap de beste plek is voor die envelop, maar zo vergeet ik hem in elk geval niet.
.
Het doet me denken aan mijn allereerste verkiezingen, toen ik nog helemaal niet mocht stemmen. Ik was met mijn ouders op bezoek bij de man die alles vergat, mijn opa in het verpleeghuis. Die middag zat hij in een politieke mist. Hij brabbelde aan een stuk door over raadsvergaderingen en stemrondes. Het bracht me op het idee om verkiezingen te houden. Mijn vader legde uit hoe het precies werkte. Ik zocht een stuk papier en knipte daar stembiljetten uit. Ik liet mijn opa streepjes zetten bij de partijen, waarbij ik zijn trillende hand naar het papier begeleidde.
.
Het was niet vreemd dat mijn opa die middag, en vele andere middagen in zijn laatste jaren, met bestuur en beleid bezig was. Politiek zat in hem. In Beuningen had hij zijn eigen partij gehad en hij was een tijdje wethouder geweest. Op de boerderij ging het vaak over politiek.
.
In het verpleeghuis probeerde ik via het naspelen van verkiezingen contact met hem te maken. Ik wilde hem uit die mist trekken, of anders zelf in die mist terechtkomen. Ik wilde dat hij me zag en met me sprak. Het werkte niet. We zaten naast elkaar, maar ook in twee werelden. Ik was nog met de uitslag bezig toen mijn moeder mijn pen afpakte.
‘Zo is het wel genoeg.’
.
Pas later zag ik hoe wrang de situatie was. Maar voor mij was het meer dan een spelletje geweest. Het voelde belangrijk wat ik deed.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Raam

Gisteravond kleedde mijn dochter zich vlak voor het slapengaan uit, waarbij ze alleen haar onderbroek aanhield. Even later klom ze op de vensterbank en ging voor het raam zitten. Zijwaarts, knieën iets opgetrokken, blik op de overkant. 
‘Wat wil je later worden?’ vroeg ik.
‘IJscoboer.’

Observanten

Tot voor kort zag ik alleen maar de verschillen tussen het werk van mijn vader en dat van mij, tussen het boeren en het schrijven. Hij werkt met zijn handen, ik met het hoofd. Hij heeft koeien, weilanden, tractors en stallen. Ik heb een laptop, een pen en een notitieblok. Bij hem komt om de drie dagen een melkwagen de tank te legen. Bij mij duurt het een paar jaar voor ik een boek af heb en het naar de drukker kan.
.
Maar door een gesprek met een collega-schrijver viel me ineens op dat mijn vader en ik ook een belangrijke overeenkomst hebben. We zijn allebei observanten. We staan allebei min of meer buiten de samenleving. Mijn vader letterlijk, zo met zijn boerderij aan de rand van Beuningen. Ik iets minder letterlijk, door altijd van een afstand ergens naar te kijken en te luisteren, materiaal verzamelend voor een verhaal.
.
Mijn vader komt maar één dag in de week in het dorp. Op maandagochtend drinkt hij koffie met zijn oud-collega’s van de vrijwillige brandweer. Op maandagavond rijdt hij naar De Tinnegieter om te sporten. Vroeger was hij al niet van het erf af te slaan. Als hij een winterjas nodig had, ging zijn broer – die dezelfde maat heeft – naar de stad om jassen te passen en er eentje uit te kiezen. Nog altijd koopt mijn moeder vaak kleding voor hem. Dan is het telkens de vraag of het past en of hij het mooi vindt, anders moet ze er weer mee terug.
.
Eigenlijk zou mijn vader schrijver kunnen zijn. Vanaf de boerderij kijkt hij uit op het dorp en daar kan hij dan een verhaal van maken. Eentje vol observaties, want een uitgesproken mening heeft hij niet, of die laat hij niet snel horen.
.
Maar zou ik boer kunnen zijn?
.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Struisvogels


Een keer per week groet ik ’s morgens de dingen in de Reekstraat. Het is net als in het gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen.
‘Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem / ploem ploem / dag stoel naast de tafel / dag brood op de tafel / dag visserke vis met de pijp’.
.
In mijn geval: ‘Dag meisjes op de fiets met de rugzakken op weg naar school / kool kool / dag opblaasboot in de sloot / dag taxibussekebus / dag bevroren landbouwgrondje dat te koop staat’.
.
Dat ik de dingen groet in de Reekstraat komt door de struisvogels. Met hen is het begonnen. Dag struisvogels! Ik weet niet precies of ze nu met vijf, zes of zeven zijn, ook al ben ik er honderden keren langs gereden. Soms volgen ze me, met hun koppen, die net boven de bovenste draad uit komen. Ze kijken dan even ongeïnteresseerd als ze waarschijnlijk in Afrika zouden doen. Soms zie ik ze op de grond pikken en dan vraag ik me af of ze eten zoeken of een gat waar ze hun kop in kunnen steken.
.
Een struisvogel is een raar beest. De grootste vogel die bestaat, die het hardst kan lopen van alle vogels, maar vliegen ho maar. En dan die lange nek, buigzaam als gekookte spaghetti. En dat dan op de Reekstraat, met op de achtergrond een berg die het goed zou doen in Afrika. Als je het niet zou weten zou je denken: wat een eigenaardige maar mooie berg.
.
Je kunt er vast iets symbolisch in zien, in die struisvogels in een weitje op de grens van Beuningen en Weurt, vlak voor een afvalberg. Maar dat doe ik niet. Het zijn gewoon struisvogels. En die groet ik, iedere week. Daa-ag struisvogel. Dag lieve struisvogel. Dag fijne struisvogelijn mijn.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
Afbeelding: Zürcher – Studie van een Struisvogel (Struthio camelus, mannetje)