Voorop

Je hebt met carnaval mensen die vooroplopen en mensen die vooroplopen. Koos Arts behoorde tot de tweede categorie. Ieder jaar liep de kleine man, die een maand geleden onverwacht overleed, letterlijk voorop. Gehuld in een oranje hesje leidde hij de optocht van Weurt in goede banen.

Tot de eerste categorie van mensen die vooroplopen behoort natuurlijk de prins. Maar ook al die vrolijk uitgedoste figuren die meerdere dagen met hun wagen door de straten gaan en carnaval vieren alsof er geen andere keuze bestaat. Ze kunnen niet zonder de drank, maar ook niet zonder de rituelen en de betekenis van het feest.

De twee categorieën, feestgangers en regelaars, horen bij elkaar als yin en yang en gaan vaak moeiteloos in elkaar over.

Er is echter nog een derde categorie. Vorig jaar eindigde de Weurtse optocht met de wagens van twee grote, onbekende groepen. Zo’n 135 personen uit Wanroij en Rijkevoort mochten in hun eigen regio blijkbaar niet meer meedoen. Nu liepen ze door een voor hun onbekend dorp. Ze draaiden loeiharde muziek, maakten rotzooi en plasten op straat. Het zag er treurig uit. Ze waren enkel en alleen met zichzelf bezig.

Die derde categorie is bekend in Maas en Waal. Meestal zijn dit pubers die allemaal dezelfde overalls of sweaters dragen en gehoorzaam achter een lelijke skihut aanlopen. Bier in de hand, hakkend op oorverdovende beats. Het is de leeftijd die veel, misschien wel alles, vergoelijkt. Op weg naar volwassenheid hoort ook dit erbij. Ergens in de toekomst zal een schifting plaatsvinden. Slechts een deel zal doorstromen naar de eerste categorie en hopelijk ook nog enkelen naar de tweede categorie, want zonder regelaars geen carnaval.
Rust zacht, Koos.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Grond

We zijn op weg naar Oss. Net als vroeger zit ik met mijn ouders, broer en zus weer samengepakt in een stuk rijdend blik. Er is niks veranderd. Er is stress. Of we op tijd komen, waar we precies moeten zijn, waar we kunnen parkeren. In de hal van het theater raken we elkaar bijna kwijt in de drukte. We geven onze jassen af bij de garderobe, klimmen de trap op naar het balkon en zoeken de stoelen die voor ons zijn bestemd. De onrust blijft in onze lijven. Pas bij de eerste akkoorden valt er een warme deken over ons heen. 
Rust.
Rowwen Hèze. 

In mijn tienerjaren draaiden we hun cd’s grijs. Thuis, maar vooral op onze spaarzame vakanties. In een huisje tussen de velden in Drenthe luisterden we naar de Limburgse klanken. Gitaar, drums, blazers en natuurlijk de accordeon. We zongen mee, we neurieden mee, we kregen er geen genoeg van.

Ik was altijd de dj van de familie. Ik wilde ze graag iets nieuws laten horen, zonder het op te dringen. Dat was lastig. Vaak hadden ze geen tijd, of geen zin. Ik weet nog dat ik op onze laatste gezamenlijke vakantie Leonard Cohen opzette. Ik dacht dat ze dat wel konden hebben, maar mijn zus vroeg al snel of dat sombere, klagerige gezang af kon. Hup, Rowwen Hèze maar weer op.

In Oss valt me op hoe veelzijdig de band is. Vooral de ballads springen eruit. Goud, NovemberZilverstroatHelenaveen
“Kijk,” zegt mijn broer, “mam zingt ook mee.”  
In de pauze komt het gesprek moeizaam op gang, maar we staan dichtbij elkaar. Vertrouwde lijven vol energie. We zijn niet zo goed in onszelf uiten. 
‘Ze zeggen dat een lied een brug kan zijn, ma. Maar ik zeg dat het ook de grond is waarop we staan,’ schrijft Ocean Vuong in zijn roman. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Fanfare


Mijn buurman speelt altsaxofoon. Sinds kort is hij elke dag aan het oefenen. Mijn jongste dochter hoort het ook. Ze zit bij me op schoot en kijkt naar de muur. Ik zeg dat het de buurman is.
“Buurman,” zegt ze op een manier alsof dit alles verklaart.
Ze weet niet dat de man niet zelf het geluid produceert, maar dat hij een instrument in zijn handen heeft.
“Vind je het mooi?”
Ze lacht.

Een goede vriendin zei een tijdje terug tegen me dat ze eigenlijk niet weet wie ik ben. Ze weet vaak niet wat er in me omgaat, wat er echt in me omgaat. We zaten in een café. Het was niet vervelend bedoeld, geen verwijt. Integendeel. Ze bracht het naar voren in een fijn en open gesprek. Ik zei dat ik het goed vond dat ze dit tegen me durfde te zeggen. 

Diezelfde vriendin weet wel dat ik bij de fanfare van Beuningen heb gezeten. Het is iets wat ik als introductie aan mensen vertel. Ik zeg het denk ik vooral om grappig te zijn, een fanfare blijft voor velen toch een eigenaardig fenomeen. Maar ook omdat het bij me hoort. Ik ben 17 jaar lid geweest. Veel melodieën ken ik nog uit mijn hoofd. Als ik een druppel water op de vloer zie liggen, denk ik aan de plasjes condenswater rondom de stoelen in het repetitielokaal. Soms droom ik dat ik weer in het orkest zit. Ik val in met mijn hoorn, maar wil dat eigenlijk niet. Ik zit gevangen. Ik weet niet hoe en wanneer ik kan aangeven dat ik echt niet meer terugkom.
 
Aan mijn dochter wil ik vertellen over de fanfare, maar ze krijgt de slappe lach. Vanwege het woord, dat vindt ze grappig.
“Fuhnare!”
Ik wil graag uitleggen wat het betekent en het liefst ook wat het voor mij betekent. Maar ik weet dat ze het niet zal begrijpen. Nu niet en misschien wel nooit niet.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Op de foto fanfare Kunst en Volharding uit Beuningen, rond 1943.

Briefwisseling

De afgelopen weken schreven Marjolein Takman en ik ieder twee brieven naar elkaar. Waarom we dat deden? Hier een korte uitleg:

Naar aanleiding van de oprichting van de nieuwe omroep Ongehoord Nederland vraagt Marjolein Takman zich af of ze zich gehoord voelt door de politiek. In een briefwisseling met Willem Claassen verkent ze samen met hem het thema ‘niet gehoord worden’. De twee schrijvers gaan het nieuwe jaar in met overdenkingen over o.a. representatie, nieuwsconsumptie, verjaardagen en het smoelenboek van de Tweede Kamer.

De eerste brief was van Marjolein. Onderaan kun je doorklikken naar mijn antwoord, etcetera. Zie hier.

Foto’s: Gaby Jongenelen, Purdey van Dijke.

Jane Fonda

Mijn oma en opa samen met Jane Fonda in 1975.

Zaterdag 18 januari was het precies 45 jaar geleden dat Jane Fonda logeerde op de boerderij van mijn opa en oma. Hoe zat dat precies?
Mijn verhaal over dit bijzondere bezoek stond dit weekend in het magazine van Algemeen Dagblad, en daarmee ook in een rits regionale bladen. Het is ook online te lezen.

Groots

Vandaag viert mijn zus dat ze 12½ jaar in het Drutense Thomashuis woont, een kleinschalige woonvorm voor volwassenen met een verstandelijke beperking. Jubilea zijn belangrijk voor mijn zus, maakt niet uit van wat. Ook als je er niet echt iets voor hoeft te doen, alleen doorlopen en doorleven, is het een mijlpaal en daarmee een reden voor een feestje. 

Eerst dacht ze dat ze een feest voor zichzelf zou krijgen, maar er zijn nog vijf andere bewoners die tegelijkertijd met haar in het Thomashuis kwamen wonen. Die was ze gemakshalve even vergeten. 

Mijn zus denkt groot. Toen ze op het punt stond naar Druten te verhuizen, wilde ze ter afscheid op een platte kar door Beuningen worden rondgereden. Ze zag zichzelf al als een koningin naar de menigte zwaaien. Even hebben we lachend met haar meegefantaseerd en de route voor de kar uitgestippeld. Toen keken we elkaar aan en hebben we het juiste moment afgewacht om het uit haar hoofd te praten. 

Dat is wat we als familie vooral doen: de pret bederven, dingen uit haar hoofd praten. Ik had liever een andere rol vervuld, maar in deze rol groei je vanzelf, het is iets vanzelfsprekends. 

In feite zijn wij de rotzakken, de nee-knikkers. Terwijl we hetzelfde zijn als mijn zus, met die jubilea en dat grootse denken. Als ik naar mezelf kijk: ook ik tel de jaren, ook ik zou weleens alle aandacht willen hebben. Alleen ik kan die gevoelens camoufleren. Ik rem mezelf af, relativeer de boel, zie de beren op de weg. Mijn zus ziet die niet, met haar slechte zicht. Ze is en blijft een kind. Ze doet zich niet anders voor. Wat binnenin haar leeft, komt er in dezelfde vorm uit. Dat is het enige echte verschil tussen iemand met en iemand zonder verstandelijke beperking.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Bos



In het jaar waarin een deel van de Amazone in vlammen opging, raakten mijn ouders de populieren in hun straat kwijt. Al drie maanden kijken ze uit over een treurige rij boomstronken. Ik heb begrepen dat je een nieuwe boom het beste plant in het najaar. Dan is hij klaar om te groeien zodra de temperatuur stijgt in het voorjaar. Maar dat zit er voor de Hosterdstraat niet meer in.

De oorzaak is klein, kleiner, kleinst. In de gemeente zouden 561 zieke en oude bomen verdwijnen en vervangen worden voor 305 nieuwe exemplaren. Een kleiner aantal, maar: kwaliteit boven kwantiteit. De nieuwe bomen krijgen meer ruimte om te groeien en alleen groeiende bomen leggen structureel CO2 vast. Maar doordat bezwaar werd gemaakt, is het hele project halverwege stil komen te liggen.  

De Beuningse bomenkwestie past bij 2019. Gerommel in de marge, net als op nationaal en internationaal niveau. Zie stikstofcrisis, zie mislukte klimaattop. Hoeveel wetenschappelijke alarmbellen moeten afgaan om te kiezen voor een compleet ander beleid?
Topeconoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz vergelijkt klimaatverandering met de Tweede Wereldoorlog en pleit voor grote veranderingen, net als tijdens en na de oorlog.
“Als we slechts stapje voor stapje veranderen, worden we gefrituurd.” 

Er is ook goed nieuws. In Beuningen kwam de SP met een voorstel voor een geboortebos. Voor ieder kind dat geboren wordt, plant de gemeente een boom. Het college is geïnteresseerd en stelt een onderzoek in om te kijken of het haalbaar is. Maar daar gaan we weer: een onderzoek. Nee, aan de slag! 

Ik snak naar de lange termijn op de korte termijn. Naar grote stappen, naar visie, naar daden. Ook als ze onaangenaam zijn. Er is geen weg terug, dus kunnen we er maar beter vol voor gaan. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Het interview met Joseph Stiglitz is hier te vinden.

Preek

Kerstavond betekende bij ons thuis jarenlang: eten, koeien melken, douchen, omkleden, kerkdienst bijwonen, terug naar huis, saucijzenbroodjes in de oven leggen, saucijzenbroodjes eten en dan de tv aan voor All You Need Is Love

Een traditie binnen deze traditie was het tafelgesprek bij het saucijzenbroodje. Dat verliep ieder jaar hetzelfde. Mijn moeder trapte af door zich enthousiast uit te laten over de overweging – oftewel de preek – van pastoor Harry van Dooren. Vervolgens nam ik het woord om diezelfde preek kapot te recenseren. 

Ik moest toegeven, de insteek van Van Dooren werkte. Hij had iedere kerst een object bij zich waarmee hij een mooi bruggetje maakte naar de toestand in de wereld. Zo herinner ik me een opblaaskerstboom. De pastoor stak de stekker in het stopcontact en de boom blies zichzelf overeind. Het ontbrak in zijn preken niet aan humor, maar op weg naar de conclusie haalde hij altijd God en het geloof erbij, vaak op krampachtige wijze. 

Thuis maakte ik gehakt van de redeneringen van Van Dooren en daarmee van het geloof en de kerk. Niemand luisterde, behalve mijn moeder. Zij schudde moedeloos haar hoofd en verwachtte dat mijn preek over de preek de pubertijd niet zou overleven. Helaas voor haar, ik hield het vol tot ver na mijn 20e.

Terwijl Van Dooren – ondanks zijn pensioen – dit jaar in Beuningen weer de Nachtmis leidt, sla ik inmiddels al aardig wat jaren de kerk over met kerst. Waar ik wel ieder jaar nog wat van meekrijg is het programma over Nederlanders die naar de andere kant van de wereld reizen om daar verliefd te worden en vervolgens Robert ten Brink inschakelen om hun geliefde terug te zien. Zo heb ik toch nog iets om over te zaniken. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Operatie

‘Ik wil ze terug,’ jammerde mijn dochter twee dagen nadat haar keel-amandelen waren verwijderd. Hoewel ik ze zelf nog heb, kon ik me daar iets bij voorstellen. De leegte die je voelt, het gemis. Mijn meisje van 2,5 durfde bijna niet te slikken. Vanwege de pijn, maar ook vanwege dat onwerkelijke gat in haar keel. Het was niet niks wat ze haar hadden afgenomen. De arts van het CWZ noemde haar amandelen ‘indrukwekkend’.

Vooraf was ze heel ontspannen over de operatie. Thuis speelde ze met het mondkapje dat ze van een verpleegkundige had gekregen om te wennen. Elke dag zette ze het kapje op. ‘Even slaapje doen.’ Ze begreep niet waarom ze naar het ziekenhuis moest, ze voelde zich goed, maar als het moest dan moest het maar. Van haar onrustige, soms angstaanjagende slaapapneu merkte ze zelf weinig.

Op de ochtend van de operatie voorvoelde ze dat het menens was. Ze zei dat ze bij de dokter echt niet in slaap zou vallen. We grinnikten daar nog om, maar toen het zover was streed ze twintig seconden lang voor wat ze waard was tegen de verplegers en het mondkapje. Het gaf een nare aanblik, maar uiteindelijk was ze onder narcose.  

Vier dagen later was de pijn aardig weggezakt en raakte ze steeds meer gewend aan de leegte. Rond het middaguur viel ze in mijn armen in slaap. Ik schrok van de manier waarop. Zo snel sliep ze nooit, bovendien hoorde ik haar bijna niet. Ze ademde geruisloos. Ik moest denken aan alle dingen die verdwijnen en dat daar vaak iets moois voor in de plaats komt. 

Wat na een week overbleef was haar angst om in slaap te vallen. Ze wilde constant dichtbij ons zijn. En ze wilde waterijsjes. Steeds weer waterijsjes. Die waren niet meer nodig, maar ze had de smaak te pakken.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Achterbuurjongen

In rode jurken, met de ogen gesloten, allemaal wild schuddend op de maat van de nerveus klinkende muziek die tot in de wijde omtrek te horen was. Maar omdat er binnen een straal van een paar honderd meter toch geen andere huizen stonden, had niemand er last van. 

Dit schrijft Samuel Vermeulen in zijn net verschenen boek Prins van Liefde. Hij heeft gelijk, wat ons betreft. Wij hebben de Bhagwan-volgelingen, die in de jaren ’80 en ’90 in Villa Nieuw Distelakker woonden, nooit gehoord. Mijn vader heeft zich zelfs afgevraagd of ze er wel echt zaten. Het verhaal dat achter onze boerderij een commune zat, heeft me altijd gefascineerd. Tegelijkertijd was ik doodsbang voor wat zich daar achter de deur afspeelde. Het boek van mijn vroegere achterbuurjongen geeft me eindelijk een inkijkje. 

Vermeulen, die in zijn jeugd behalve in Beuningen ook op andere plekken woonde, vertelt over de overal aanwezige wierrooklucht en over de bewoners die elkaar steeds knuffelden. Net als de Netflix-serie Wild Wild Country is het boek geen reclame voor de spirituele beweging die vrije liefde en meditatie hoog in het vaandel heeft staan. Vermeulen werd verwaarloosd, getuige de rotte tandjes op zijn 6e. Maar de vraag is of dat aan de commune lag. Eerder zijn ouders. Zijn vader raakte later in de ban van drugs en prostitutie, zijn moeder kwam in een psychiatrische inrichting terecht. Dat gebeurde natuurlijk niet zomaar. Ook zij zullen geen fijne jeugd hebben gehad. Bij de Bhagwan zochten ze naar een familiegevoel dat ze zelf hadden gemist.

Na jaren in een pleeggezin ging Vermeulen een totaal andere kant op: brallend bij een studentendispuut, studerend aan Cambridge en werkend op de Zuidas. Boeiend is om in interviews te lezen dat hij uiteindelijk afreist naar India, het hart van de Bhagwan, en tegenwoordig mediteert. Zo zijn we toch allemaal kind van onze ouders. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Eerder schreef ik al een stuk over de commune in de villa en mijn angst om gehersenspoeld te worden, zie
hier.
Meer informatie over het boek vind je
hier.