Pis

Mijn oudste dochter (bijna 3) probeert regelmatig mijn jongste dochter (8 maanden) te slaan. We doen er alles aan om dat te voorkomen, maar het lukt niet altijd. Toen mijn vriendin een keer net te laat was, sprak ze de oudste boos toe: “In dit huis wordt niet geslagen!”
Haar reactie: “En in het nieuwe huis?”
.
Op De Vuurvlinder in Beuningen leren kleuters lezen met zinnen als ‘ik mep rik’, zo stond vorige week in de krant. Ik hoef niet overal iets van te vinden, maar dit keer ligt het anders. De Vuurvlinder is namelijk voor een kwart mijn basisschool. (Ik zat op De Beundert, die door twee recente fusies samen is gegaan met ’t Schrijverke, De Achtsprong en De Regenboog – drie andere scholen uit mijn tijd).
.
Ik vind dat meppen niet het ergste aan de oefentekst. Ik stoor me vooral aan ‘koe doet poep’. Vanwege ‘doet’. Het argument van de bedenker van de tekst is dat het simpel en herkenbaar moet zijn, maar is zo’n gebrekkige zin nodig? In de tekst staan ook langere zinnen, zoals ‘rik zit bij een boom’. Dat kan blijkbaar wel. Waarom niet gewoon ‘koe legt een vlaai’?
.
Met ‘poep’ en ‘pis’ heb ik geen moeite. Ik heb het daar met mijn dochters constant over. Als ik ze ’s ochtends naar beneden breng, begin ik vaak over ‘ouwe pis’, want daar zitten hun luiers dan vol mee. Pis van de hele nacht. De oudste mag me bij het verschonen aanvullen.
Dan zeg ik: “Kijk, hier hebben we ouwe…”
En zij: “…pis”.
Er komt vast een dag dat ik dit terugkrijg van een juf en ik het vol schaamte zal moeten weglachen. Maar tot die tijd gun ik mezelf dit pleziertje, als goedmakertje voor al het werk dat in die kinderen gaat zitten.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
Noot: ‘Pis’ staat in een andere oefentekst voor kleuters.

 

Familiedag


Op een natte, winderige zondag keert mijn familie terug naar haar oorsprong. Met auto’s, bussen en treinen komen ze van heinde en verre: Friesland, Rotterdam, Stompetoren, Luxemburg en ga zo maar door. 52 personen en een hond, bijna compleet.
.
Vanaf onze boerderij rijden we in huifkarren naar het ouderlijk huis, een herenboerderij midden in het dorp die 50 jaar in bezit was van de familie. Een tussenstop, want eigenlijk zijn we op weg naar de uiterwaarden voor een wandeling.
.
Bij de herenboerderij, waar nu een financieel adviseur kantoor houdt, is alles dicht. Aan de voorzijde zit spinrag op de deuren en kozijnen. “Moeder zou zich omdraaien in haar graf,” zegt mijn tante. Ze herinnert zich het laatste bezoek aan de boerderij, waar ik ook bij was. We woonden er toen net een paar jaar niet meer. De nieuwe eigenaar gaf een rondleiding. Daarbij viel op dat de vloer van de lange, majestueuze gang was gezandstraald. Mijn tante weet het nog goed. “Moeder vroeg aan hem: ‘Weet je hoe je die tegels mooi glimmend zwart houdt?’ Zo was moeder, die wilde helpen, die ging er oprecht vanuit dat het zo niet bedoeld was.”
.
Ook dit keer valt de terugkeer een beetje tegen. De boerderij is veranderd in een ietwat onpersoonlijk bedrijfspand. We lopen terug naar de huifkarren. “Kijk,” zegt mijn vader, de enige van de familie die zijn hele leven in Beuningen is gebleven, “hier is de foto gemaakt van Willem, toen hij met die poes bij dat bakje melk zat.” Het is een laatste greep naar een herinnering, om de plek weer kleur te geven. Maar zijn broers en zussen weten niet waar hij het over heeft. Zij waren op het moment van dat bakje melk al uit Beuningen vertrokken.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.
Noot: Het doorzoeken van het familiearchief leverde vooralsnog niet de juiste foto op. Het kan ook zijn dat de herinnering aan de foto en de foto zelf niet helemaal op elkaar aansluiten. Dat zou betekenen dat er misschien nooit sprake is geweest van een bakje melk. 

Geluid


De stoelen in de zaal, de lampjes op de lessenaars, het rode gordijn achter het orkest, het programmaboekje, de blauwe consumptiemunten. Veel is hetzelfde gebleven sinds ik 9 jaar geleden voor het laatst aanwezig was bij een optreden van Kunst en Volharding. Toen blies ik mee, nu zit ik in het publiek.
.
De fanfare speelt een try-outconcert in het dorpshuis. Volgende week gaan ze op concours in Zutphen. Ik denk aan 2003, het concours in Enschede. Een uiterst intensieve voorbereiding leidde tot promotie naar de hoogste divisie. Voor veel muzikanten vergde dat teveel. Sindsdien is de club niet meer op concours geweest. Dit keer gaat het anders. Zonder extra voorbereidingen speelt het orkest in de introductiedivisie. Er volgt geen beoordeling met cijfers, maar een advies in welke divisie de vereniging start bij een volgend concours.
.
Ik zag eens een documentaire over het Concertgebouworkest, waarin een dirigent zei dat hij dit orkest blindelings zou herkennen tussen tal van internationale toporkesten. Ook als het een geluidsopname van 30 jaar geleden betrof, met een andere dirigent en andere muzikanten. Ik kon me daar niets bij voorstellen. Mooie praat, dacht ik. Maar nu ik mijn fanfare hoor spelen, herken ik het geluid. Het raakt me. Het is het kopergeluid dat me jarenlang heeft omringd. Ook al zijn er nieuwe gezichten, is er een nieuwe dirigent, en is de groep iets kleiner. Dit kan alleen Kunst en Volharding zijn.
.
Naderhand bespreek ik het optreden met de muzikanten. Ik zeg dat ik het geheel goed vond. Compact, evenwichtig. En dan besef ik dat dit altijd al de kracht was van deze fanfare: de klankkleur van het geheel. Wat wil je als orkest nog meer.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Plat

‘Se slupt al,’ zeg ik tegen mijn moeder.
Het voelt natuurlijk, terwijl ik er toch bewust over heb nagedacht.
Se slupt al.
Normaal zou ik dat nooit zo zeggen. Ik weet niet of het klopt. Of het Bunnings is, of Nimweegs, of niks. Er zijn mensen die het heel strikt nemen, maar hoe meer ik me in de wereld van dialecten verdiep hoe duidelijker het voor me wordt dat het allemaal niet zo strikt is. ‘Piepers’ betekent niet alleen in Maas en Waal aardappelen, ook in Wageningen, Aalten en Den Helder.
.
Taal is vloeiend. Het is constant in beweging. Ik lees een scriptie van een kunstacademiestudent en leer over hyperdialect en diaglossie.
Ook mooi: taalbevriezing. Dat gebeurt soms bij mensen die al heel lang niet meer op de plek wonen waar ze vandaan komen. Ze spreken een taal die niet meer bestaat. Dialect verandert door nieuwe mensen, nieuw werk, door hoe de grote wereld dichterbij komt. Muzikanten die in dialect zingen, eigenen zich de taal toe. Zo zingt Gerard van Maasakkers een mix van meerdere dialecten, een fantasie-Brabants.
.
Ik heb geen idee hoe plat ik praat. Het is net als jezelf terug horen op een geluidsopname. Je herkent iets, maar lang niet alles. Je kunt je moeilijk voorstellen dat jij dat bent. Ik denk altijd dat ik behoorlijk ABN praat, maar mijn vriendin zegt dat ik een duidelijk accent heb. Op mijn werk wordt regelmatig gelachen om mijn uitspraak. Maar mijn buurman zegt juist dat je bij mij niet kan horen dat ik uit de buurt kom. Hij komt zelf uit Nijmegen en dat is wel goed te horen.
Het blijft ongrijpbaar. Mijn dochter spreekt soms met een Gooise ‘R’. Als ik vraag hoe ze daaraan komt, zegt ze: ‘Weet ik niet hoorrr’.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Poppetjes


Niet alleen in Den Haag gaat het vooral over de poppetjes, ook in Druten. Zo blijkt weer als ik met mijn gezin een bezoek breng aan mijn gehandicapte zus. Eerst krijgen we thee in de gezamenlijke woonkamer, daarna mogen we een kijkje nemen in haar slaapkamer. We bestuderen de foto’s, knuffels en dvd’s. Mijn 2-jarige dochter staart naar het bureau. Het tafelblad is leeg.
‘Waar zijn de poppetjes?’ vraagt ze.
Mijn dochter heeft het goed onthouden. Normaal gesproken staan op het bureau honderdvijftig oude, niet meer verkrijgbare Fisher Price-figuurtjes, gegroepeerd in een halve cirkel. Mijn 42-jarige zus doet alsof ze de vraag niet heeft gehoord. Een bekend politiek trucje.
Dan ben ik het die naar de poppetjes vraagt.
‘Ze mag er toch wel eventjes mee spelen?’
‘Ze zijn met vakantie,’ zegt mijn zus zonder blikken of blozen.
Mijn vriendin bemiddelt. Ouderwets polderen, het werkt. Schoorvoetend haalt mijn zus vijf poppetjes tevoorschijn en geeft ze aan mijn dochter. We gaan terug naar de woonkamer. Mijn dochter zit met de vijf poppetjes voor haar neus. Ze geeft ze namen.
‘Nee, zo heten ze niet,’ zegt mijn zus en ze vertelt hoe ze dan wel heten.
Al snel is mijn dochter het beu. Ze glijdt van de stoel en rent de tuin in. Mijn zus staat meteen op en legt de poppetjes terug op haar kamer.
Later die dag, bij mijn ouders in Beuningen, gaat het over het voorval. Mijn moeder vertelt dat mijn zus de poppetjes vorig jaar nog weg wilde doen. Ze heeft haar toen overtuigd ze te bewaren, voor als haar neefje en nichtjes op bezoek komen.
Mijn moeder raakt niet uitgepraat over de poppetjes. Tot ik uitroep: ‘En nu weer terug naar de inhoud!’
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Maar wij gaan oe

In aanloop naar mijn Wintertuinsessie op 26 oktober schreef ik een stuk over Normaal, Rowwen Hèze, de bio-industrie, de twee bubbels waar ik tussen zit, het shirt dat ik kapot knipte en een halfvolle boer.
.
Je leest het hier.
.
Over mijn Wintertuinsessie:
Op donderdag 26 oktober zijn muzikant Broeder Dieleman en schrijvers Marieke Lucas Rijneveld en Leo Pleysier te gast tijdens de vierde Wintertuinsessie. Deze literaire talkshow in de Thiemeloods in Nijmegen staat geheel in het teken van ‘de boerenerfenis’, en wordt door mij geleid. Ik ga met de gasten in gesprek over de rol van de boerenachtergrond in hun teksten en muziek: de drie gasten putten namelijk ieder op geheel eigen wijze uit hun plattelandsjeugd voor hun verhalen. Als boerenzoon vraag ik me af wat de artistieke aantrekkingskracht is van een jeugd tussen de weilanden. Tickets koop je hier.
.

Waterput


.
Grootste, rijkste, spectaculairste. Waar de mensen aan de Maas kunnen pronken met scheepswrakken, mammoetresten en stenen van een Romeinse brug, moeten mijn familie en ik het doen met een simpele waterput. ‘In feite een uitgeholde boomstam,’ aldus mijn vader.
.
Acht jaar geleden kreeg een archeologenteam ons weiland in het vizier. Aanleiding was de geplande aanleg van een gasleiding. Mijn vader was niet onder de indruk. Elke ochtend om zeven uur klom een man in de graafmachine en kon de eerste twee uur nauwelijks iets doen. Pas om negen uur arriveerden de archeologen uit ‘Groningen of Drenthe’. Ze namen eerst rustig een bak koffie en kuierden vervolgens naar de onderzoeksplek. Tot vier uur waren ze bezig. En zo vonden ze de uitgeholde boomstam die door Middeleeuwers in de grond was gestoken en gebruikt werd als waterput.
.
Ik weet zelf weinig van die opgraving. Net als mijn moeder ben ik destijds niet bij de greppel gaan kijken, ook al was ik net klaar met mijn studie geschiedenis. We leerden op de opleiding dat materiaal uit vroegere tijden het beste bewaard blijft onder de grond.
Mijn vader was en is meer geïnteresseerd in de gasleiding. Hij vertelt dat er mogelijk Noors, maar nog waarschijnlijker Russisch gas onder onze grond stroomt. Het is inderdaad een boeiend gegeven. Poetin in je achtertuin. Dat is wel iets anders dan een waterput. In de Middeleeuwen had elke boerderij wel zo’n put. Alleen al in de Beuningse Molenstraat zijn eind jaren negentig 25 waterputten gevonden.
.
De boomstam is weg, de greppel is dichtgegroeid. Er is enkel gras. De Middeleeuwen zijn verder weg dan ooit. Nu maar hopen dat over 800 jaar die exotische gasleiding er nog ligt.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Zitten

Er wordt de laatste tijd veel lelijks gezegd over de menselijke handeling zitten. Het zou ongezond zijn, je zou er korter van leven, hoe meer je het doet hoe slechter, bla, bla, bla. Maar het meest ontroerende moment in het vijfmaandig bestaan van mijn dochter is toch wel dat ze zit. Vandaag, in een kinderstoel, naast haar zus. Rechtop zitten en om je heen kijken en daarmee van het ene op het andere moment een persoon worden.
.

Villa


Ik was een jaar of negen toen ik wegliep van huis en na een uur werd teruggevonden op de Distelakkerstraat, een straat verder. Met mijn hoofd tussen mijn knieën zat ik verscholen in de berm. Ik was dwars door de wei gelopen met het plan om de bus te pakken en zo ver weg mogelijk te gaan, maar eenmaal op de Distelakkerstraat durfde ik niet langs het grote, geheimzinnige huis op de hoek.
.
Villa Nieuw Distelakker. Landhuis met koetshuis uit 1910. Verstopt achter bomen. Vervallen. Het heeft tal van bewoners gehad: weeskinderen, verslaafden, antikrakers, volgelingen van de Bhagwanbeweging.
Nu staat het te koop. Er zijn al geïnteresseerden, schijnt.
.
In de berm probeerde ik me voor te stellen hoe het zou zijn, elders, ver weg van Beuningen. Dat was moeilijk. Vage beelden van een drukke, stinkende metropool. Zo vond ik het ook lastig om te bedenken wat zich achter de voordeur van de villa afspeelde. Ik meende dat de Bhagwan daar nog zat. Ik was bang dat als ik er langs zou lopen, ze me naar binnen zouden sleuren en zouden hersenspoelen.
Ik dacht aan thuis. Aan wanneer ze me zouden vinden. Langzaam verschrompelde het idee van vertrekken. Ik wachtte en hield ondertussen de villa in de gaten.
.
De villa is eerst geveild, maar er werd niet genoeg geboden. Wat de prijs moet zijn, is niet duidelijk, zoals zoveel niet duidelijk is. Als ik mijn ouders bel met de vraag naar wat zij weten van het huis, is het lang stil. De lijn is slecht. Dat kan geen toeval te zijn.
“Het was er vaak een rommeltje,” zegt mijn moeder uiteindelijk.
Of de Bhagwan er echt gezeten heeft, vraagt mijn vader zich sterk af.
“Er waren geluiden dat ze zouden komen, maar we hebben ze nooit gezien.”
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Moment

winssendeestbankje4.
Het mooiste moment van het afgelopen jaar voor mij was toen ik op een zonnige septemberdag met de auto langs een echtpaar op een bankje reed. Dat klinkt onbenullig en dat is het misschien ook. Het betrof het bankje aan de Van Heemstraweg tussen Winssen en Deest. De man en de vrouw waren op middelbare leeftijd. Ze hadden hun fiets naast het bankje gestald en keken, terwijl ze een boterham aten, naar de drukke weg voor hun neus. Als ik niet in de auto had gezeten, zou ik zeker een foto van ze hebben gemaakt.
.
Het echtpaar had overal kunnen pauzeren van hun fietstocht – er zijn genoeg mooie, stille plekjes in de omgeving – maar ze kozen voor het zicht op de Van Heemstraweg. Het leek alsof ik met mijn auto onderdeel was van een metafoor. Ik had de radio aan, een nieuwszender, en er zal ongetwijfeld iets gezegd zijn over de Amerikaanse verkiezingsstrijd, de Brexit, de aanslagen in de zomer, de oorlog in Syrië, de ouderenzorg of de vluchtelingen. Het echtpaar keek naar al die voorbij razende auto’s met hun radio’s en at rustig door. Ze gaven geen oordeel, ze lieten de situatie op zich inwerken.
.
Begin december sprak ik met mijn vader over de problemen in de veeteelt. Nog zo’n moment. Aan de keukentafel schetste hij voor mij de situatie. Zonder emotie, zonder mening. Natuurlijk had hij wel een mening, maar hij liet toen, op dat moment, alleen zien hoe complex het allemaal in elkaar stak.
.
Dat was ook wat ik in het echtpaar in Winssen zag: ze erkennen de complexiteit der dingen. Ze riepen niet meteen, maar ze keken ook niet weg. Ze namen het in zich op. De redelijkheid stond voorop. En dat is wat ik wens voor het nieuwe jaar. Meer van zulke echtparen op bankjes.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.