Wisselen

Mijn oudste dochter belde een paar weken geleden naar haar Beuningse supportersvereniging om te melden dat ze twee wiebeltanden heeft. Hoewel de twee moeilijk te missen zijn, ze zitten vooraan in haar gebit, ontdekte mijn dochter ze niet zelf. Die eer ging naar haar tandarts. “Hier heb ik zes en een half jaar op gewacht”, verzuchtte ze aan telefoon. Mijn ouders vonden het mooi nieuws en wensten haar veel succes met wiebelen.

De tanden houden haar al een hele tijd bezig. Het duurde lang voor ze doorkwamen en nu duurt het lang voor ze haar mond verlaten. Ze kan er amper geduld voor opbrengen. Op school is iedereen om haar heen aan het wisselen. “Ik wil harde dingen eten”, zei ze pas. Nooit eerder heb ik haar zo enthousiast rauwe wortels naar binnen zien werken.  

Haar zus van 4 kwam vorige week vroeg in de ochtend naar me toe en fluisterde in mijn oor: “Een tand zit superduper los”. Ze had het niet over zichzelf. Inmiddels zijn we allemaal in de ban van de tanden van de oudste. Het wachten is op dat ene grote moment. De eerste die losraakt, daarna zal de rest spoedig volgen. We hebben een mooi met stof bekleed doosje waarin de eerste past. Het doosje reist constant met haar mee, want o wee als ze ergens met een tand in haar hand staat en ze ‘m niet kan opbergen.

Maar nog altijd is er niet gewisseld. Ik probeer het soms te relativeren. “Je krijgt ze niet meer terug als je ze kwijt bent”, zeg ik dan, “geniet er nog maar van”. Het is niet aan haar besteed. Dat haar tante uit Druten het al zo’n 45 jaar met melktanden moet doen en dat dit heel goed gaat, maakt evenmin indruk. Het is haar ook nooit opgevallen dat mijn oudste zus kleine tandjes heeft. Ze wil een gat, een fietsenrek, en dan zo’n grote, buitenproportionele, volwassen joekel. En dan lachen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Rotzooi

Terwijl er in Maas en Waal flink verzet is tegen grote windmolens, voer ik thuis een min of meer omgekeerde strijd. Het zijn kleine gevechten op veel fronten: ik doe lampen uit, zet de thermostaat laag, hou deuren dicht en tel hardop af als er iemand onder de douche staat. 

Maar vooral op spullen heb ik het voorzien. Hebbedingetjes, gadgets, kleren, alles. In een vorig leven moet ik een monnik zijn geweest, nu ben ik een mopperende vader en echtgenoot. Sinds ik las dat 34 procent van de CO2-uitstoot van een gemiddeld huishouden te maken heeft met spullen kopen, doe ik er een schepje bovenop. Ter vergelijking: bij voedsel, energieverbruik en vervoer gaat het telkens om 20 procent.

Hoewel ik twee dochters heb, ben ik toch echt de enige Greta Thunberg in huis. Ze kunnen amper lezen, maar zijn wel al slaaf van de consumptiemaatschappij. Elke dag zijn ze bezig met zakgeld en wat ze daarvan willen kopen. Elke dag peper ik ze in dat al die rotzooi hun toekomst in de weg staat. 

Bij milieuvervuiling had ik altijd afgedankte spullen in mijn hoofd, maar sinds kort denk ik aan de aanschaf van producten. ‘Verborgen’ broeikasgas. Hoe ingewikkelder om te produceren, hoe belastender voor het milieu. Vooral smartphones, tablets, flatscreens, keukenmachines en klusapparaten. Een goeie om te onthouden: de productie van één auto doet een aanslag op het milieu die even groot is als zeker zes jaar ermee rijden. 

Ondertussen doe ik mijn best een gezellige jongen te blijven. Ergens hoop ik op een keerpunt waarop iedereen minder gaat consumeren. Dat zou het allemaal makkelijker maken. Voorlopig strijd ik achter de voordeur en daar heb ik nog lang niet gewonnen. Dat merk ik als ik alleen thuis ben, de bel gaat en er weer een pakketbezorger voor de deur staat.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Midlife

Een jonge schrijver die ik begeleid, werkt aan een verhaal over een man van middelbare leeftijd. “Ik moest tijdens het schrijven aan jou denken”, bekende hij pas. Ik was gevleid dat ik als inspiratiebron diende, maar ook licht verontwaardigd. We kregen een discussie over het begrip ‘middelbare leeftijd’. Ik dacht dat je daar toch echt iets ouder voor moest zijn, maar dat valt vies tegen. Nog een half jaartje, volgens Wikipedia. 

De laatste tijd denk ik vaak na over de eindigheid van mijn leven. Altijd ’s avonds in bed, waardoor het even duurt voor ik in slaap val. Is dit het begin van mijn midlifecrisis? En wat gaat me dat brengen: een motor, een cabrio of een hoed? Ik heb altijd gedacht dat het alleen iets was voor zielige mannen, maar misschien is het zoals met de puberteit: niemand ontkomt eraan. Als puber geloof je niet in puberteit. Je wilt niet dat het bestaat en je schaamt je ervoor. Ik heb Wikipedia niet verder doorgespit, maar dit kan bij een midlifecrisis natuurlijk ook aan de hand zijn. 

Ik moet denken aan die man uit Wijchen die in februari op tv kwam omdat hij dé gemiddelde Nederlander is. “Je lijkt wel op hem”, zei mijn vrouw toen. “Niet bepaald”, mompelde ik. Misschien is dat de kern van de midlifecrisis: dat je niet gemiddeld wilt zijn.

In het verhaal van de jonge schrijver komt de man van middelbare leeftijd terecht bij een ouder echtpaar. Ze verzorgen hem alsof hij hun kind is. De man vindt dat prettig, zeker in het begin. Het is niet iets waar ik concreet naar verlang, maar terug naar mijn kindertijd betekent wel extra jaren. 

In Beuningen zijn de wijzers van de kerktoren verdwenen. Waarschijnlijk voor een opknapbeurt. Het ziet er gek uit, een klok zonder wijzers, maar mij geeft het rust. Zo belangrijk is tijd niet.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Zus

Dit is de laatste keer dat ik over mijn gehandicapte zus schrijf. Het is genoeg geweest. Het moet anders.

Mijn zus laat zo af en toe van zich horen in mijn columns en dan steelt ze de show. In die stukken maak ik in de eerste zinnen duidelijk met wat voor een persoon we te maken hebben. Als je maar 300 woorden hebt, moet je niet te veel om de hete brij heen draaien. Door haar ‘gehandicapt’ te noemen, valt haar gedrag te begrijpen, want haar handicap is vaak bepalend voor haar gedrag.

Ik heb al vaker getwijfeld over die formulering, ‘gehandicapte zus’. Dat ik het niet heb over ‘mijn zus die het syndroom van Down heeft’ is een bewuste keuze. Maar gehandicapt blijft alleen gehandicapt, terwijl ze ook een ochtendmens is, een veertiger, een Drutense, een boerendochter, een decoratiemedewerker en een liefhebber van Goede Tijden

Over dat laatste gesproken, op het moment dat ik dit schrijf kijkt ze naar Goede Tijden. Ze maakt er vast geluidjes bij, “hiiiii”, want dat doet ze. Het zal spannend zijn, want het is altijd spannend en al helemaal aan het einde van het seizoen. Toen ik haar onlangs aan telefoon had, spraken we over de soap. Ik kreeg een samenvatting waar ik zoals gebruikelijk geen touw aan vast kon knopen. “Het seizoen is bijna afgelopen, toch?”, zei ik. “O ja”, zei ze, “maar ik heb nog dvd’s!”. 

Bij mijn laatste bezoek aan mijn zus maakte mijn dochters ruzie op de trampoline in de tuin. Ze trok de oudste mee naar haar kamer om daar een hartig woordje met haar te spreken. Een strenge tante, dat is ze ook. 

Voor mij is ze in de eerste plaats mijn oudste zus. Dat is wat mij met haar verbindt. De lezer zal voortaan iets meer zijn best moeten doen om de situatie te begrijpen, maar krijgt daar hopelijk ook meer voor terug. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verlangen

Hoeveel nachten ik wel niet naar meisjes heb uitgekeken zonder dat er ook maar iets, al was het heel klein, gebeurde. Ik was 16, 17, 18, 19 en leverde mijn jas in bij de garderobe van De Morgenzon (Zeeland), De Linde (Groesbeek), De Paulus (Winssen, met carnaval), De Ouwe Deeg (Ewijk, met de kermis) en in de stad: De Spijker, NDRGRND, Merleyn en Billabong. 

Ik heb gedanst en gedronken, grappen gemaakt met vrienden, en dat alles met altijd een meisje in mijn hoofd. Een bekende of onbekende in de menigte. Of iemand op wie ik al een tijdje een oogje had, maar die niet aanwezig was en van wie ik hoopte dat ze nog zou komen. Wat natuurlijk vaker niet dan wel gebeurde.  

Het valt te raden: tot actie kwam het nooit. Ik was een treurig geval, zou je kunnen zeggen. Verloren nachten, verloren jaren. Misschien wel, maar zo kijk ik er niet op terug. Ik vermaakte me prima. Ik was gelukkig in die nachten. Door de muziek, de drank en al die mensen om me heen. Het verlangen was mijn brandstof voor de nacht. Nooit verveelde ik me en nooit keek ik de volgende dag met spijt terug. Verlangen kan een heel fijn gevoel zijn. Het voordeel van passief zijn, is dat alle opties openblijven. Ik wist niet eens precies waar ik naar verlangde. Een gesprek, een arm om me heen, zoenen, of meer. Ik wist niet hoe het zou gaan als het een keer wel zou lukken.

Maar voor dat verlangen had ik wel die disco’s en cafés nodig. Het bier, de geur van parfum en make-up, het duwtje tegen mijn arm als iemand erlangs wil, het wachten bij de bar. Britney Spears, No Doubt, Sean Paul en The Offspring. Thuis zitten, dat zou pas verdrietig zijn.

Daarom zou ik het prima vinden als ze mij als laatste vaccineren. Ik heb mijn slaap nodig. Voor jongeren is elke nacht zonder uitgaan een verloren nacht.

Deze column verscheen in De Gelderlander.


Ondergrei

‘Trek elke week schun ondergrei oan’, zing ik als ik de gewassen onderbroeken van mijn dochters weer terugleg in de kast. Het is een regel die zo nu en dan bij me opborrelt, afkomstig uit het lied Dern, dern, luuster noar moed van Herman Polman. Het staat op Het Beste van Gelderland Plat, een cd uit 1993 die wij vroeger vaak op hadden staan. Dit nummer was onze gezamenlijke favoriet.

Als ik het weer opzet, begrijp ik niet waarom dit geen groter bereik heeft gehad. Door de accordeonbegeleiding en het dialect klinkt het misschien als een makkelijke dijenkletser, maar dan heb je niet goed geluisterd. De vorm is ijzersterk. Een moeder geeft adviezen aan haar boerendochter, ergens in het midden van de vorige eeuw. Dit had mijn overgrootmoeder kunnen zijn die tegen mijn oma sprak. Het gaat over balkenbrij, borstrok, sodawater, wecken en ouwe piepers. Ook een 1-april-grap komt voorbij: ‘Lup nie ut hele durp op en neer / um te vroagen noar de kersenscheer’. Met de ogen van nu is het lied behoorlijk seksistisch, zeker bij de regel: ‘zorg (…) da je met de baas nie sjengt’. Maar elke week ‘schun ondergrei’ aantrekken is dan weer een uitstekend advies tegenwoordig, want goed voor het milieu.

Herman Polman (1937 – 2007) was zeer actief in het culturele dorpsleven van Elst en later Bavel, zo leert internet mij. Hij trad in de regio op als buutreedner en publiceerde boeken over de plaatselijke geschiedenis. Maar juist met dit komische lied ontstijgt hij dat lokale. Het is een tijdsbeeld dat je mee kunt zingen, ook als je niet alles goed verstaat, zoals ik.  

Dern, dern is het enige lied van Polman op internet. Laat het eindelijk een klassieker worden. Moederdag lijkt me een prima start voor een opleving. Het is te vinden op YouTube en Spotify. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Oorlog

Toen ik deze week een mail aan mijn vriend Ton in Thailand schreef, werd ik me ineens heel bewust van de situatie waarin we zitten. Het bericht ging over van alles en nog wat, werk en privé, en op een bepaald punt tikte ik als een soort tussendoortje een paar woorden over de pandemie. 

In de brieven die mijn oma ontving in de oorlog stond het er net zo. Ik heb weleens een stapeltje doorgenomen. Die brieven, vaak in hanenpotenhandschrift, gingen over allerlei grote en kleine zaken, vrijwel altijd persoonlijk. Ik moest dan echt speuren naar een oorlogsverwijzing. Meestal bleef het bij een zinnetje, ergens halverwege, over bijvoorbeeld voedselbonnen.

De vergelijking is al vaak gemaakt en hij slaat eigenlijk nergens op, toch ben ik in mijn leven nooit dichterbij het gevoel van oorlog geweest dan nu. Dat is goed te zien als je zo’n oude brief naast mijn mail legt. De oorlog was bijna nooit het grootste onderwerp in een brief, want wat moest je nog zeggen over een situatie die al zo lang duurde, waar iedereen mee te maken had en waar je geen enkele invloed op had. Het was ingrijpend, het was het decor waarin je leefde, maar daar was je gewend aan geraakt. Bovendien gebeurde er in het dagelijks leven vaak niet zo veel. Er was wel altijd nieuws, dat zeker, er zat constant beweging in de situatie, maar dat speelde zich af op andere plekken in het land, in Europa of in de wereld. 

De pandemie is elke dag voorpaginanieuws, maar ik volg niet alles. Het leven gaat gewoon door. Ik werk, ik lees, ik kook, ik tuinier, ik breng de kinderen naar bed. Ondertussen is er altijd die onzekerheid over hoe lang het nog zal duren en hoe de wereld er daarna uit zal zien. Pas dan weet ik ook wat de impact is. Die mail aan mijn vriend zal ik goed bewaren.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dominicus

In mijn tijd op de middelbare school had ik weinig met het Dominicus College. De stuudjes van de Energieweg liepen regelmatig door onze gangen, omdat ze gebruik maakten van ons ultramoderne technieklokaal. Ze hadden geen gel in hun haren, droegen bijna allemaal brilletjes, spraken in volzinnen en hielden hun kinnen hoog. Ook zag je ze soms in hun zwart-witte tenues op de velden achter onze school rennen. Dan lachten we ze uit, want wij hadden geen verplichte gymkleding.  

Ik zat op Nijmegen-West aan de Dennenstraat. Ik had de school gekozen vanwege de kleinschaligheid – slechts 600 leerlingen – en het mooie, oude gebouw. Bovendien werkte er in mijn eerste jaar nog een non bij de administratie, toen al een verschijning uit vervlogen tijden. Tijdens mijn havojaren vond er een fusie plaats, maar daar kreeg ik weinig van mee. Wel kwam op mijn rapport ‘Dominicus College Nijmegen-West’ te staan. Dat vond ik heel stom, maar ik was dan ook een puber. Nadat ik mijn diploma haalde, ging het gebouw plat en vertrokken de leerlingen die na mij kwamen naar de Energieweg. 
 
Een kwart eeuw later kijk ik met een heel andere blik naar het Dominicus College, onder meer door het contact met een oud-docent en een oud-leerling. Die laatste toonde me onlangs zijn perspectief: hij was altijd bang dat we hem iets aan zouden doen als hij door de gangen van Nijmegen-West liep.  

Inmiddels dreigt een nieuwe fusie. Mogelijk wordt het Dominicus opgeslokt door het Kandinsky College. Reden: te weinig leerlingen. Kleinschaligheid is wat iedereen al jaren wenst, maar ondertussen blijven de leerfabrieken groeien. Hyperefficiëntie en kortetermijndenken domineren nog altijd het beleid. Zo bezien heb ik meer ontwikkeling doorgemaakt dan de hoge piefen in het voortgezet onderwijs.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dictatuur

Ze zijn er nog steeds. Mensen die geloven dat het virus niet bestaat, of in elk geval geen schade toebrengt, en die denken dat vaccineren het grote kwaad is. Anderhalve week geleden deelde de gemeente Beuningen op Facebook een voorlichtingsfilmpje over testen. Binnen de kortste keren stonden er allerlei schreeuwerige tekstplaatjes onder. Het is er nog steeds. Mijn woede over dit soort reacties. Ik had verwacht dat het me inmiddels weinig meer zou doen, maar ik moest sterk de neiging onderdrukken om niet te reageren. Vooral door het woord ‘dictatuur’ stonden mijn nekharen recht overeind. Hebben die mensen enig idee waar ze het over hebben? Of moet je ze daarvoor een rondreis door Noord-Korea of Syrië aanbieden?

Hij is er nog steeds. Overal zijn de uitingen van de campagne allang verdwenen, maar in de middenberm tegenover de ingang van afvalverwerker ARN stond tot drie weken na de verkiezingen nog een bord met daarop het hoofd van Baudet. In november viel zijn partij vrijwel uit elkaar, maar met zijn coronaontkenning zorgde hij er toch voor dat zijn partij verviervoudigde. Samen met zijn oud-kompanen en charlatan-evenknie Wilders bezet hij een vijfde van de Tweede Kamer. In 1989 hadden we één Hans Janmaat, nu hebben we er 28. Ze verknippen debatfragmenten, schelden op minderheden, rechters, wetenschappers, journalisten en collega-politici, en brengen desinformatie en complottheorieën het parlement in. Alles op haat en wantrouwen, alles op effectbejag. Als er ergens een dictatuur kan ontstaan, is het wel in deze hoek.

Iemand heeft het verband gesnapt tussen het verkiezingsbord en de afvalverwerker. Baudet is verdwenen van de Pieckelaan. Maar in Den Haag zal hij nog blijven, ook als het virus door vaccinaties het onderspit heeft gedolven.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

School

Daar gaat ze. Met een rugzak om, haar haren in een staartje en haar lievelingsrok aan stapt mijn jongste dochter voor me uit. Ze kent de weg. Dit is de route naar de kinderopvang. Maar dit keer is het anders. Naast de opvang zit de school. Daar is ze al vaak geweest, ook binnen, maar altijd vanwege haar zus. Nu gaat het om haar. Ze kijkt achterom, glimlacht en loopt door. 

Ooit liep ik dezelfde weg op een andere plek. Onze boerderij stond midden in Beuningen. Ik hield de hand van mijn moeder vast, terwijl we over de brede stoep langs de Wilhelminalaan liepen. Aan die stoep leek geen einde te komen. Toch zijn we op een gegeven moment afgeslagen en bij een poort gekomen, een plein, een deur, een gang met haakjes aan de muur. Ik hing mijn jas aan een haakje en kreeg een kus van mijn moeder. De juf boog zich naar me toe en gaf me een hand. Mijn moeder zwaaide. De juf duwde me zacht richting klaslokaal. 

Mijn dochter vroeg vorige week wat dat blauwe bord betekent met de pijl die omhoog wijst. “Moet je daar de lucht in rijden?” Precies die gedachte heb ik ook ooit gehad. Pas wilde ze weten wat ‘waarheid’ was. Ze ving het woord op van tv. “Goeie vraag”, zei ik. “Misschien wel de beste. De vraag der vragen.” Ze was niet onder de indruk, ze pakte de afstandsbediening en zette het geluid harder.

Mijn jongste is er klaar voor. Ze kent de school en het schoolplein. Ze kent zelfs wat kinderen uit de klas. Het maakt niets uit. Spannend en nieuw blijft het. Ze slaapt de laatste tijd slecht, is snel uit haar hum. 

We lopen tussen huizen door, steken over, komen langs een heg waar ze een blaadje van aftrekt. Met elke stap die ze zet, komt de school dichterbij. Ze kijkt vooruit, opzij, achterom en ik weet: dit gaat ze onthouden. En zij niet alleen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.