In de buurt van bier

Het was na twee bruiloften in drie dagen dat ik besloot om de alcohol eens een tijdje in de koelkast te laten staan. Ik begon zogezegd aan een alcoholvrije maand, een vreselijke doch heldere term, en daarmee had ik heel wat uit te leggen.
Nee, ik ben geen alcoholist. Ook heb ik er niet de neiging toe. Ik kan best zonder een biertje, om het beestje maar eens bij de naam te noemen.
Het lag ook niet aan de katers, dat ik ze beu zou zijn of zoiets. Zo’n mietje ben ik nou ook weer niet.
Nee, het was het bloed. Of, om de juiste volgorde aan te nemen: eczeem, jeuk, krabben, bloed en alles wat daar in de buurt komt.
Korsten ja. Ik had korsten tot achter mijn oren.
En nu, na een maand lang zonder bier en wijn, ben ik schoon, gevrijwaard, heel.
Ik zal hem weer op een zuipen gaan zetten. Zoals dat hoort. En dan kunnen er twee dingen gebeuren: binnen de kortste keren zit ik weer onder de korsten, of ik heb mijn lichaam lang genoeg schoon gehouden en de zieke boel daarbinnen is genezen. Ik ga weer zuipen, maar houd wel een vinger aan de pols. Of een hele hand, omdat ik het een rare uitdrukking vind.
.
Nu moet ik bekennen dat het me toch wel ietsje tegenviel. Ik ben geen alcoholist zoals gezegd, maar het was soms lastig om in de buurt van bier een cola’tje te nemen. Of een jus’tje. Dan had ik op mijn lippen al weer de smaak van bier. Maar de laatste weken ging het steeds beter. Toch heb ik één keer gezondigd, op Oerol, witte wijn. Gelukkig is de kans groot, volgens mijn wonderdokter, dat witte wijn mijn lichaam geen kwaad kan doen. Dus echt zondigen was het niet. Ik merkte het wel zeg, die wijn. Zo’n klein glaasje, maar het voelde alsof ik een fles aan mond had gezet. Maar geen bloed, geen korsten. Niks viezigs.
.
Dus ga ik dat eerst maar eens tot me nemen, voordat ik het bier toelaat.
Eerst maar eens een goede scheut witte wijn. Maar heb ik eigenlijk nog wel een fles in huis? Ja toch zeker?

Laarzen

Luc was eens met laarzen aan naar de universiteit gekomen. Het zag er niet uit. Dat kwam door zijn kleine, tengere gestalte. In de pauze stonden we buiten. Luc rookte een peuk. Achter hem werd gelachen, maar hij haalde zijn schouders op. ‘Je moet wat doen om authentiek te zijn’, zei hij. Drie dagen had hij de laarzen aan. Daarna heb ik hem er nooit meer mee zien lopen.

Dagboek Oerol

dinsdag 16 juni
.
Op de boot zit een man met een oorbelletje alleen aan een tafel. Hij leest een pocket met de titel Verhalen over mannen. Op een gegeven moment legt hij het boek weg en kijkt hij voor zich uit. We hebben oogcontact. Snel kijk ik een andere kant op terwijl ik het gevoel had dat hij blijft kijken. Ik kus Hilde.
.
We gaan naar het eiland waar het comazuipen zo goed als uitgevonden is. We zitten op een jongerencamping, maar daar is weinig van te merken. Goed, veel twintigers, maar ook dertigers, veertigers en waarschijnlijk ook vijftigers.
Het festivalterrein bevindt zich vlak achter de camping. Terwijl we bezig zijn onze tent op te zetten, luisteren we naar de trompet van Eric Vloeimans. Een buurman die ook bezig is met zijn tent noemt ons ‘handige Harry’s’. Ik zeg hem dat Hilde vooral de handige Harry is. ‘Ik volg enkel en alleen haar aanwijzingen. Dat is de beste manier.’
.
’s Nachts koelt het flink af. Terwijl ’s middags de zon scheen, kunnen we nu wolkjes blazen in de tent.
.
woensdag 17 juni

.
We gaan naar een improvisatieconcert van Vloeimans, Spinvis en een pianist van wie ik de naam niet weet. Het is te zien dat het allemaal ter plekke wordt bedacht, maar het levert wel heel fraaie geluidslandschappen op. Na ongeveer een uur klinkt er het zoveelste applaus. De drie muzikanten overleggen kort. Dan loopt Spinvis naar de microfoon: ‘We kappen’.
.
We bezoeken de voorstellingen De Beer (een Tjechov-bewerking) en Liquid Space, met raar dansende witte figuren en een soort van cybership.
.
Hilde blijkt een wandelend weerstation. Ze zegt dat als het overdag bewolkt is, het ’s nachts warm blijft omdat de bewolking de warmte vasthoudt. De nieuwe buurvrouw spreekt haar tegen en heeft het over een voorspelling van 7 graden in de nacht. Ik koop een extra joggingbroek voor in mijn slaapzak, maar het is niet nodig. Hilde heeft gelijk.
.
Lees verder Dagboek Oerol

Je moet zijn waar ik niet ben

Het is heel raar, maar het kan gewoon even niet anders. Ik heb een heel programma van Op Ruwe Planken in elkaar gedraaid waar ik zelf niet bij zal zijn. Ik ga namelijk naar Oerol omdat ik daar al heel vaak naartoe heb gewild en het maar één week is. Ik vraag jullie om mij niet te volgen. Misschien is Oerol wel heel stom, misschien is Oerol voor losers. Dat kan ik volgende week aan jullie mededelen.
Voor nu vraag ik jullie om aanstaande donderdag naar het Lindenbergtheater in Nijmegen te gaan. Daar wordt een fijn dik nummer van ORP gepresenteerd. Er is een workshop, er is muziek, er is een lezing van mijn scriptiebegeleider (die van ‘Willem was in Wanssum’) en er zijn voordrachten.
Ga! En vertel mij hoe het was.

Trut, eh, tros, eh, trots

Toen ik onlangs op de meesterlijke combinatie ‘Op Ruwe Planken’ aan het googelen was, kwam ik bij toeval een vernietigende recensie tegen over een voordracht van mezelf. Ik had ‘m niet eerder ontdekt omdat in de tekst mijn naam verkeerd is gespeld. Het is afkomstig van Rottend Staal en gaat over een presentatie van ORP in 2003. Ik zat toen nog niet in de redactie, maar stond met een verhaal in het blad. Ik herinner me het optreden nog. Het was een van de eerste keren dat ik achter een microfoon stond met een papier in mijn handen. Ik was strontzenuwachtig en ik weet nog dat ik viel over het woord ‘hiërarchie’. Maar blijkbaar viel ik over wel meer woorden:

“(…)
Ditmaal door prozaist Willem Klaassen, die een niet boeiend verhaal op een niet boeiende wijze ten gehore bracht. Enkel door versprekingen “m’n hart vervult van trut, eh, tros, eh, trots” wist hij bij vlagen mijn aandacht te trekken.
(…)”

Station ‘s-Hertogenbosch

Toen je over het station van Den Bosch liep had je de hele tijd het idee dat je veters los waren. De eerste keer dat je met je handen je broekspijpen omhoog schoof was dat ook werkelijk zo. Je knielde en maakte een dubbele knoop. Toch leek het er daarna steeds op dat je onder je voetzool het uiteinde van je veters voelde. Steeds zocht je een plek op waar je niet in de weg stond om de pijpen omhoog te schuiven. Maar de dubbele knoop prijkte – trots bijna – boven de tong van de schoen.
.
Het was de situatie in een notendop. Je was al een hele tijd niet meer op station Den Bosch geweest en je voelde je ongemakkelijk, maar er was geen enkele reden toe. Iets in je hoofd maakte het je moeilijk, maar een dubbele knoop is stevig en gaat er niet zomaar uit.
.
Het besef van het tussen-de-oren-idee kwam vlak voor het moment dat je een bord tegenkwam waarop gewaarschuwd werd voor struikelgevaar. Zeer eigenaardig. Er bestaat natuurlijk ook brandgevaar en lawinegevaar, maar dan komt het van buitenaf en dan moet je zelf bedenken welke actie je onderneemt. In de meeste gevallen: vluchten. Bij struikelgevaar draait het om de actie, het struikelen, en dat doe je uiteindelijk zelf.
Je keek naar de grond en zag de hobbelige, grijze vloerbedekking, die de gaten op het station verborgen hield. Je zou ook over je eigen schoenen kunnen struikelen, bedacht je. Of over het uiteinde van niet bestaande veters onder je schoen. Dat zullen de meeste mensen wel doen.
Toen lachte je en struikelde niet.

Station Wijchen

Station Wijchen is geen fijne plek om op te stappen. Dat kun je daar beter niet doen. Er valt daar weinig te zien. Als je voor je kijkt zie je een enorme fietsenstalling waar soms een jongen op een fiets naar binnenrijdt. Links van je staat een meisje wazig voor zich uit te staren. Rechts komt een besnorde man met een dichte paraplu aangelopen, die je een beetje argwanend aankijkt. En dan op een gegeven ogenblik, want die trein wil maar niet komen, besef je dat je ze allemaal bent. Je bent ook een jongen die deze fietsenstalling is ingereden, je staat ook wazig voor je uit te kijken, nadat je argwanend je toekomstige medepassagiers in je op hebt genomen.
.
Maar het ergste van Station Wijchen is de vrachttrein. Die moederneukende Cargo. Hij komt een paar minuten voor jouw trein voorbij. In volle vaart. En dan sta je daar, gevangen tussen twee sporen. Vijf stappen en je bent van de ene rand bij de andere rand, zo smal is het daar. De vrachttrein raast voorbij met een hels kabaal. Je voelt de lucht wegzuigen, je voelt hoe die trein zichzelf met moeite op de rails weet te houden. Het hele stationnetje trilt. Je wilt je ergens aan vasthouden, maar je hebt niets om handen en je hoopt dat het maar heel snel voorbij gaat, dat het een kleine trein is en dat je maar niet misselijk moet worden.
.
Je leeft nog. De vrachttrein is voorbij. Jouw trein mindert vaart. Je kunt instappen, maar je laat eerst het starende meisje en de man met snor voor. Het is immers al erg genoeg. De trein is vol en klein. De banken zijn hard. Het is benauwd. De mensen kijken je aan, blijven je aankijken. Je probeert na een tijdje te verzitten, maar het is zo krap dat het eigenlijk niet gaat. Pas als je weer uitstapt zijn alle restjes station Wijchen weggespoeld.