Alleen

Ergens in de jungle van Thailand loopt een man uit Weurt. Hij is helemaal alleen. Althans, er zijn nergens menselijke dieren te bekennen. Wel stikt het er van de niet-menselijke dieren. Met een camera om zijn nek speurt de man naar slangen. Ineens staat hij recht tegenover een gouden cobra. Een slang die je kan bijten en die op een paar meter afstand gif in je ogen kan spugen. De man is opgetogen, maar ook op zijn hoede. Hij weet dat hij mijlenver verwijderd is van een ziekenhuis. Bovendien staat hij naast een beekje. Door het lawaai van het stromende water hoort hij niets, terwijl er olifanten aan kunnen komen. En er zijn problemen met de flitser. Maar hij krijgt het voor elkaar. Hij maakt een foto en komt heelhuids thuis.

Ook voor mijn vriend Ton is dit een jaar om snel te vergeten. Al 12 jaar woont deze Weurtenaar in Thailand. Hij verzorgt tours in de jungle, maar sinds maart struint hij voornamelijk in zijn eentje tussen de bomen. Alleen toeristen uit eigen land kunnen met hem mee. Toch staat zijn bedrijf nog overeind. Hij heeft een buffer, een beetje overheidssteun en lage leefkosten. 

Ondanks de tegenslag zit Ton niet bij de pakken neer. Nieuwe plannen geven hem energie. Hij wil nachtwandelingen gaan organiseren in Bangkok. In die wereldstad zijn behalve veel menselijke dieren ook veel niet-menselijke dieren te vinden. Slangen bijvoorbeeld, van bamboeadders tot netpythons. Het is weer eens wat anders. 

Een bezoek aan Nederland zit er voorlopig niet in. Vanwege de restricties, maar ook vanwege het geld. Ik moet het doen met de foto’s die hij online deelt. Gibbons, honingberen, cobra’s. Al zijn deze fraaie kiekjes vooral bedoeld voor klanten. Dat ze de drang voelen om, zodra het weer mag, met hem mee op pad te gaan.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Sebastiaan

Precies een week na het gruwelijke drama in Wijchen stak mijn vrouw trillend haar middelvinger op naar een automobilist. Op een eenrichtingsweg middenin een wijk kwam een auto zo hard op haar af, dat ze zich niet meer veilig voelde en met haar fiets de stoep op bonkte.

Ik herken het gevoel dat bij die opgestoken vinger hoort. Het is woede die ineens achter je borstkast omhoogschiet, als een totaal onverwachte vulkaanuitbarsting. Ik ervaar het vaak genoeg, zowel op de fiets als in de auto. Gierende banden vlak achter of naast me, iemand die door rood rijdt, iemand die op het allerlaatste moment remt, iemand die me afsnijdt. Dan vervloek ik de bestuurder en wens diegene het ergste van het ergste toe. Een auto is een vervoersmiddel, maar ook een wapen. Je kunt er iemand mee verwonden en doden. Geen wonder dat het zulke rauwe emoties oproept.

Alleen laat ik die gevoelens nauwelijks zien of horen. Ik schud een beetje afkeurend mijn hoofd en mompel hel en verdoemenis. Ik ben iemand die inslikt. De angst overheerst, waardoor de woede snel weer terugglijdt in mijn lichaam en daar lang voortsuddert. De laatste jaren probeer ik dat te veranderen, ook in verkeerssituaties. Maar dat is lastig. Je weet niet wie er achter het stuur zit. Je weet ook niet of het zin heeft. Als iemand in het verkeer boos op mij is, omdat ik een fout heb gemaakt, dan is mijn eerste reactie ook boosheid. Boosheid om de boosheid van de ander. 

Toen mijn vriendin met het verhaal van de middelvinger thuiskwam, was het eerste wat ik zei: “Had je beter niet kunnen doen”. Dat was misschien de verstandigste reactie, maar ook iets waarvoor ik me schaam. Als we niet meer van ons laten horen, zijn we nergens. Ik wou dat ik wat meer van de Wijchense Sebastiaan in me had. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Respect

‘Alles wat bewustwording vereist, een nieuwe manier van kijken of een andere manier van leven, is volgens populisten zoals Trump dwaasheid, een regelrechte aanval of een samenzwering van bovenaf.’

Aan deze woorden van schrijver Bas Heijne moest ik denken toen ik vorige week het stuk las over de Drutense stichting Vrienden van Sinterklaas. Zonder Zwarte Piet hoeft het voor dit comité niet. Over de landelijke intocht zegt de woordvoerder: “Vroeger was het een feest. Dan zaten we (…) voor de tv en dan kwamen de mandarijntjes en speculaas op tafel. Maar met die roetveegpieten is de lol er voor ons wel af.” Dat kan natuurlijk. Bij ons is het anders. Mijn kinderen beleven, zelfs in coronatijd, volop plezier aan het Sinterklaasfeest. Ook de mandarijntjes en speculaas gaan er goed in. 

Online krijgt de woordvoerder veel bijval. In die reacties gaat het vaak over ‘respect voor traditie en cultuur’. Het traditie-argument is een drogreden. Dat iets al heel lang zo is, voegt inhoudelijk niets toe. En een eigenschap van cultuur is juist dat die steeds veranderd. De reageerders hebben hun mond vol van respect, maar zwijgen over de vele nare ervaringen die door mensen met een donkere huidskleur zijn gedeeld, ook in deze krant. Zoals: “Kinderen vroegen aan mijn moeder of ze pepernoten had.” En: “In november en december draag ik mijn haren vast. Een afrokapsel roept veel reacties op.”  

Een minderheid legt een meerderheid haar wil op, klinkt het dan weer. Ik ben blij dat we in een land leven waar minderheden worden gehoord en afwegingen worden gemaakt die uiteindelijk voor iedereen van belang zijn. Het Sinterklaasfeest is een verhaal dat we als samenleving voor de kinderen creëren. Laat het een verhaal zijn dat niemand buitensluit.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

De kast van Wout Waanders

Voorgedragen op 20 november 2020 tijdens de coronaproof-bundelpresentatie van Parkplan, het debuut van Wout Waanders

Ruud, Jassin, Bella, Marianne, Marcel,
Dylan, Peter, J. Berkelenmans, Barbara,
Priss, Marie, Sjaak, Vicky, Maarten,
Karin, Cynthia, Sara 
en vele vele anderen

komen niet voor in Parkplan, maar ze komen wel voor in gedichten die Wout ooit aan het papier toevertrouwde. Poëzie die ik onder ogen kwam toen ik hem nog begeleidde, en dat is inmiddels meer dan 5 jaar geleden. 

De dichter werkt gestaag verder, gedicht na gedicht, en dus hoef ik mij daar niet over te verbazen. Toch deed het me vreugde om in Parkplan te lezen over Bibi, over Nathalia en over Tom. Namen als sporen, die terugleiden naar de tijd dat ik met Wout en Oscar Wyers, en later met Wout en Dennis Gaens, in café Beij Ons, Villa Voorstad of het Wintertuinkantoor zat met bier en een stapel papieren. 

Het doet me denken aan het verhaal dat Wout me eens vertelde en dat ik altijd heb onthouden en ook weer aan anderen heb verteld, op momenten dat het toepasselijk was.
Een man bezoekt een kunstenaar en vraagt hem om een bepaalde type vogel te tekenen. De kunstenaar zegt dat hij dat wil doen en noemt zijn prijs. De man betaalt. Een week later komt de man terug en vraagt: ‘En, is de tekening al klaar?’ 
‘O ja, die tekening’, zegt de kunstenaar. 
De kunstenaar pakt een leeg vel papier en tekent daarop in een paar seconden de vogel. De man zegt: ‘Ja hé, maar daar heb ik je niet voor betaald’. De kunstenaar staat op, loopt naar een kast, maakt hem open en dan vallen daar honderden schetsen uit van diezelfde vogel. 
 
Ik weet niet in welke mate dit slaat op Wouts schrijverschap, maar ik denk dat ik aardig wat keren in zijn kast heb mogen kijken. 

Wat me ook wel voor de rest van mijn leven bij zal blijven, is dat ik niet de enige ben die de eigenaardige hobby uit zijn jeugd heeft behouden. Waar Wout al sinds jongs af aan plattegronden met pretparkattracties tekent, daar houd ik al 25 jaar de uitslagen bij van Mari Silenci, een professionele voetbalclub uit Angiesomina, een eiland (voormalig Italiaanse kolonie) voor de Braziliaanse kust. In zijn geheel verzonnen, en nog altijd ben ik bezig die fantasie te laten groeien door hem steeds verder uit te werken. 
Toen Wout zijn idee over zijn chapbook Olifantopia pitchte en vertelde over de plattegronden, kwam ik ook maar meteen uit de kast met mijn voetbalfantasie. Maar Wout is vooralsnog een heel stuk doortastender. Hij weet zijn eigenaardige jeugdhobby op geweldige wijze in te zetten in zijn artistieke werk, dat is bij mij nog niet gelukt, ik heb amper een poging durven ondernemen. 
 
En dan nog iets van Wout dat ik met me meeneem: zijn uitleg over zijn bundel, onlangs prime-time op Radio 1.  
Dat je poëzie kunt vergelijken met pretparkattracties. Als je eruit komt, weet je niet waar het precies over ging, wat het verloop was, maar daar maal je dan niet om, daar denk je niet eens aan, het gaat om de ervaring. Een heel fijne uitleg.  
Ik moet eerlijk bekennen dat ik maar weinig poëzie lees, maar sinds kort lees ik mijn vrouw elke avond voor in bed uit de bundel van Wout. En ja, daar komt ie: zo zijn er toch nog wat attracties in ons bed. 

Wout, gefeliciteerd met je prachtige debuutbundel! Ik hoop nog heel veel van je te lezen -zowel plattegronden als gedichten – en van je te horen. 
Ik wil tot slot een stukje van mezelf voorlezen dat me wel toepasselijk leek. Er komt een naam in voor, liefde, attracties, een dier, Nijmegen en dat godsklere virus. 

Kermis

Soms is het fijn als een evenement wordt afgelast. Ik had dat graag gehad toen ik 14 was. Een afgelaste Beuningse kermis om precies te zijn. Maar in die tijd was er geen corona. 

Twee weken had ik verkering met Lonneke, een knap meisje uit mijn klas. Lang en blond, afkomstig uit Lindenholt. Niet ik had haar, maar zij had mij verkering gevraagd. De eerste week stonden we wat onwennig bij elkaar, altijd met anderen om ons heen. Ergens heb ik haar toen een kettinkje gegeven. De tweede week was het herfstvakantie. Ze belde en vroeg of ik meeging naar de kermis in Beuningen. Ze kwam daar speciaal met een vriendin voor uit Lindenholt. Ik had geen zin in die kermis, omdat ik niks met kermissen heb. Straks zat ze in een attractie die over de kop ging en stond ik erbij te kijken omdat ik niet durfde. Na lang aarzelen zei ik dat ik die dag niet kon. Terwijl ik FIFA speelde op de computer, stelde ik me voor dat zij giechelend met een vriendin in een botsauto stapte en even later een suikerspin kocht. Ik had spijt, maar ook weer niet.    

Het is me allemaal zo goed bijgebleven, omdat ze het uitmaakte op de eerste dag na de vakantie. Ik kreeg het kettinkje terug. Ze zei dat ze me niet aan het lijntje wilde houden. Ik kende die uitdrukking nog niet en moest goed nadenken wat ze daarmee bedoelde. Ik dacht aan een hondje.
Het was een hopeloze verkering. We hadden niet eens gezoend. Toen ik haar niet meer had, werd ik pas echt hevig verliefd. Een vorm van zelfkastijding. In de loop van het schooljaar dacht ik nog vaak terug aan de kermis. Dat was vast en zeker de bron van al het kwaad. Als ik daar nu gewoon naartoe was gegaan, of beter: als dat helemaal niet had plaatsgevonden, dan was het nog altijd L hartje W.

Koop Parkplan bij uw favoriete boekhandel. Meer info >>

Zandhand

Eerst ontdekte ik dat mijn dochter eelt op haar handen heeft, toen dat mijn tante de handen van mijn oma heeft en nu blijkt mijn moeder een zandhand te hebben. Ik had er nog nooit van gehoord en ik weet ook niet of het woord bestaat, maar mijn moeder heeft een zandhand. “Het is net alsof ik zand in mijn vingers heb”, legt ze uit. Het is een mysterieus en pijnlijk gevoel, waar ze de hele dag door last van heeft. 

Ze vraagt of ik haar wil helpen met de vragenlijst van de fysiotherapeut. Daarvoor moet ze eerst inloggen. Dat is een hele opgave. De muis werkt niet mee, het scherm werkt niet mee en het wachtwoord werkt niet mee. “Jij weet wel hoe het moet”, zegt ze, maar ik ben daar ook niet goed in. Toch slaan we ons er doorheen. 

Dan komen de vragen. Bij elke vraag slaakt mijn moeder een zucht. Voor haar hoeft het allemaal niet, ze wil gewoon geholpen worden. Na elk antwoord springt er een subvraag in beeld: hoeveel, hoe vaak, hoe erg. Mijn moeder vloekt. Het is net alsof ze al op de massagetafel ligt. Ik kijk naar haar zandhand. Er valt niets aan te zien, toch heeft ze er al zeker tien maanden last van. En ze houdt niet eens van het strand, ze gaat altijd naar Drenthe op vakantie.

Bij de vraag of ze hobby’s heeft, denkt ze even na. “Zorgen. Verzorgen.” Ze bedoelt de kleinkinderen, maar misschien ook de buurkinderen, neven en nichten, opa’s en oma’s voor wie ze gezorgd heeft. Maar dat is natuurlijk geen hobby. “Doe maar sporten”, zegt ze. Maar dat is weer een andere vraag, of ze aan sporten doet. “Vul maar wat in.”

Als het formulier eindelijk is verzonden, bedankt ze me nadrukkelijk voor mijn hulp. Bij mijn vertrek staat ze voor het raam te zwaaien, net als vroeger wanneer ik wegfietste naar school. Alleen nu met haar zandhand. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Jungle

Deze week vroeg iemand hoe ver ik van mijn ouders af woon. “Exact één Jungleboek”, antwoordde ik. Dat had wat uitleg nodig. Als ik de auto start om mijn kinderen naar Beuningen te brengen, zet ik de luister-cd van Jungleboek aan. Op het moment dat we bij mijn ouders het erf oprijden, komt het verhaal ten einde. Zo gaat het elke keer. Mijn jongste dochter viel het als eerste op. “Het past precies!”, riep ze.

Inmiddels hebben ze het verhaal van Mowgli al tientallen keren gehoord, maar het verveelt ze niet. Aandachtig luisteren ze naar Bagheera, de panter die het verhaal vertelt. Ik herken de stem van Bram van der Vlugt, die vroeger de echte Sinterklaas was, maar dat weten zij natuurlijk niet. Ze kijken naar buiten, naar hun eigen jungle. Huizen, industrieterrein, het Maas-Waalkanaal, weer huizen, bomen met rode of gele bladeren, weilanden. En op de terugweg een paars-roze hemel.

Het verhaal in de auto brengt mij terug naar de tijd dat ik bij de welpengroep zat van de scouting. De leiding was vernoemd naar Jungleboek-personages: Kaa, Baloe en Bagheera. De karakters strookten niet helemaal met hen. In het verhaal is Kaa een gemene slang, bij de scouting een vriendelijke vader van een van de jongens. Ik heb nooit geweten hoe de leiders in werkelijkheid heetten.

De climax van Jungleboek vinden mijn kinderen het leukst. De jongste kent deze passage woord voor woord. Ik hoor haar op de achterbank synchroon meepraten met Van der Vlugt. Ze kan hem goed bijhouden en legt de klemtoon op de juiste plekken. “Het vuur maakte Shere Khan zó bang, dat hij als een laffe kat wegrende.”  

Dankzij Mowgli weet ik precies hoe lang het duurt voor ik bij mijn ouders ben. 12 minuten en 44 seconden, zegt het schermpje van de cd-speler. Dat is inclusief stoplichten.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Handen

Vlak voor de huidige lockdown bracht ik een bezoek aan mijn tante. Op een zeker moment viel mijn blik op haar hand, die ze even op tafel had gelegd. Het verbaasde me hoe lang die was. We vergeleken onze handen en ze bleken even lang te zijn. Dat zie ik niet vaak, vrouwenhanden van hetzelfde formaat.

“Oma had ook zulke handen”, zei mijn tante.
Ze had gelijk. Dankzij de handen van mijn tante zag ik ineens de handen van mijn oma, die in 2004 op 90-jarige leeftijd overleed, weer voor me. 
“Ze friemelde altijd met een zakdoek. In het verpleeghuis wreef ze steeds over mijn handen.”
Ja! Dat wist ik nog, dat had ze bij mij ook gedaan. 

Sindsdien denk ik vaak aan mijn oma. Aan haar rijzige gestalte. Aan de soep, stroopwafels en drop die ik van haar kreeg, tussen de middag in de pauze van school. Aan die keer met carnaval, dat ik bij haar logeerde op een luchtbedje in de woonkamer nadat ik flink had gefeest. Aan haar wandelstok, de lange bloemenjurken en de korte, witte haartjes boven haar lippen. Aan de krant die ze alleen had om te weten welke dag het was. Aan die keer dat ze in het centrum van Beuningen hard voorover viel en grote blauwe plekken op haar gezicht had.  

En aan rummikub, het spel waarvan de randen van de doos met plakband bij elkaar werden gehouden. Hoeveel potjes ik wel niet tegen haar heb gespeeld, tot in het verpleeghuis. Ik fantaseerde dat we een rummikubdynastie waren en tot de wereldtop behoorden. Een oma met een glansrijke carrière die het stokje aan haar talentvolle kleinzoon overdroeg. Soms liet ik haar winnen om het spannend te maken.

“Ben ik aan de beurt?”, hoor ik haar nog aarzelend vragen. “Ja, u bent.” En dan pakte die hand, die nu van mijn tante is, weer een steentje van tafel.    

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Sporen

We dragen allebei een bril en dezelfde achternaam, maar als we op de dijk in Beuningen staan zien we iets anders. Ik kijk naar beneden en registreer: gras, sloot, prikkeldraad. Mijn achterneef André aanschouwt een landschap dat met de hand is bewerkt. “Hier bij de dijk is niets hetzelfde. Elk perceel heeft andere contouren. Heel anders dan aan de zuidkant van het dorp. Dat gebied is pas later ontgonnen, door machines. Alle weilanden zijn daar kaarsrecht.”   

Ik heb André gevraagd of hij me wil rondleiden, omdat ik eigenlijk maar weinig weet over het gebied waar ik ben opgegroeid. André studeerde bosbouw. Hij toont zich bescheiden. “Alles wat ik vertel, heb ik van iemand die hier onderzoek heeft gedaan.” Maar dan wijst hij naar een kraai die boven een bosje een buizerd aanvalt. “Een kraai is kleiner, maar wel feller en wendbaarder in de lucht.” 

André vertelt graag over de sporen die de geschiedenis in het landschap heeft achtergelaten. Zoals de Moespotse Waai, die door een dijkbreuk is ontstaan. Klei en zand spoelden weg bij die breuk en heeft tot honderden meters verderop voor vruchtbare grond gezorgd. Bij de Waaloever stopt hij bij wilgentenen die met klei zijn aangesmeerd. “Dit komt mogelijk uit de Middeleeuwen, bedoeld om de oever te beschermen tegen het water.” Iets verder liggen losse bakstenen. “Na de oorlog is hier veel puin uit Nijmegen terechtgekomen, ook om de oever te beschermen.” We klimmen omhoog. “Deze dijk is heel stevig, hier kwam vroeger veel verkeer overheen.” 

Op weg naar huis stop ik even bij de Oude Koningsstraat in Weurt. André vertelde dat hier ooit een rivierarm lag en dat de straat daarom zo’n typische bocht heeft. Door zijn ogen krijgt deze omgeving, die zo bekend voor me is, een nieuwe dimensie.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Koningshuis

Hoe groot de afstand is tussen het koningshuis en het volk, weten ze in Beuningen al heel wat jaren. Op 11 juli 1950 brachten koningin Juliana en prins Bernhard een bezoek aan het dorp, als onderdeel van een rondreis door Gelderland. Op oudbeuningen.nl staan foto’s van deze gebeurtenis. Beuningen is goed voorbereid. De vlaggen wapperen, de fanfare staat keurig opgesteld en de oudste inwoners – gehuld in zondagse kledij – wachten op een bankje vooraan. Dan arriveert de koninklijke auto. Het achterportier zwaait open, de burgemeester buigt voorover en heet ze welkom. Vanuit de auto kijkt het echtpaar naar een dansje van schoolkinderen. Dan gaat het portier dicht en wordt de reis vervolgd. De vorstin heeft geen stap op Beuningse bodem gezet en de meeste dorpelingen hebben niets van haar gezien.

Vorige week vloog een gevaarte over ons land. Was het een vogel? Een vliegtuig? Nee, het was een koninklijke middelvinger. Ondanks de lockdown vertrok Juliana’s kleinzoon naar Griekenland. Vanwege de ophef keerde hij terug, maar twee dochters bleven stiekem achter. Ze wisten de raki vast goed te raken.      

Ik heb niks met deze poppenkastfamilie, maar ik maak me daar doorgaans niet druk over. Echter, door dit incident hoor ik details die nieuw voor me zijn. Zoals dat de koning bijna een half miljoen (!) per jaar mag spenderen aan privévluchten. Dit jaar stijgt hij minstens vier keer op. Wat me daarbij verbaast, is dat niemand het heeft over zijn ecologische voetafdruk. Die moet enorm zijn. Weet hij wat vliegschaamte is? 

Van mij mag het een paar onsjes minder. Een paleisje minder, een vliegreisje minder, een zakcentje minder. Het koningshuis hoort een symbool van nationale eenheid te zijn, maar is nu vooral een symbool van ongelijkheid.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Voorpret

Maandag belde ik precies op het juiste moment naar Druten. Het reclameblok was van start gegaan bij Goede Tijden, waardoor mijn gehandicapte zus de gelegenheid had om aan de telefoon te komen. Ze klonk blij verrast toen ze hoorde wie er aan de andere kant van de lijn zat, we hadden elkaar al een tijdje niet gesproken. 

Na wat ditjes en datjes vertelde ze over een uitje dat over anderhalve week stond gepland. Ze zou op stap gaan met mijn moeder en mijn andere zus. Iets leuks doen, ergens, ze wist nog niet wat. Ik vroeg me af of die twee daarvan op de hoogte waren. Mijn zus kan soms al dagen iets in haar hoofd hebben wat ze nog niet met de buitenwereld heeft gedeeld. Het lijkt een bewuste tactiek, want haar hoofd zegt altijd ‘ja!’, terwijl de buitenwereld weleens heel goed ‘nee!’ zou kunnen zeggen. Ik wilde de voorpret niet drukken en stelde geen kritische vragen. 
 
Tijdens ons belletje zweeg mijn zus over één bepaald onderwerp. Ze was duidelijk niet op de hoogte van de persconferentie die de volgende dag zou plaatsvinden. Ik wist niet wat de premier ging zeggen, maar het zag er slecht uit. Zo was op twee fronten de kans zeer groot dat haar uitje niet door zou gaan. Ik wilde het aanstippen, maar besloot dat toch maar niet te doen. Ik liet haar in haar onwetendheid, al was het maar voor even. 

Mijn zus hing uiteindelijk opmerkelijk snel op, want de reclame was afgelopen. Ook in dat opzicht had ik mijn telefoontje onbewust goed getimed. Ze kan een gesprek soms rekken tot meer dan een half uur, terwijl er niet echt meer iets wordt gezegd. Nu bleef me dat bespaard, al benijdde ik haar wel. Zij was weer terug bij de fictieve problemen van fictieve mensen. Soms verlang ik zelf naar wat meer bewuste en onbewuste onwetendheid. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.