Actieheldin


.
Aan het einde van de middag pakte mijn neefje het springtouw van mijn dochter af en was het huilen. We vierden de verjaardag van mijn gehandicapte zus. Voor mijn neefje was het de laatste vakantiedag. Vermoeid van het vele buiten spelen en avonden laat opblijven kwam het treiteren tot een climax. Hij trok net zo lang aan het springtouw tot hij ’m had.
.
Tegen dit onrecht kwam het feestvarken in actie. Ze pakte de hand van mijn dochter en samen gingen ze op zoek naar de dader. Makkelijk was dat niet. Mijn neefje rende ver voor ze uit op het boerenerf. Mijn zus liet de hand van mijn dochter los en ging er in haar eentje achteraan. Ze is groot fan van Flikken Maastricht, voor haar verjaardag had ze het 12e seizoen op dvd gekregen, en liet hier een fraai staaltje Flikken-actie zien. Flikken Beuningen.
.
Mijn neefje was inmiddels bij de graskuil. Mijn zus pakte de skelter en sjeesde weg. Nog nooit had ik haar zo snel zien trappen. Maar het ging haar niet snel genoeg. Uit de garage haalde ze haar driewieler, boog diep over het stuur en crosste langs de melkstal. Ze had niet in de gaten dat mijn neefje achter het huis naar haar stond te kijken. Hij moest ergens zijn, maar haar slechte ogen werkten niet mee. Ze liet zich niet kennen, luisterde niet naar onze aanwijzingen en reed zonder dat ze het merkte de spiegel van haar driewieler eraf.
.
Toen ze doorhad waar de dader was, zette ze de driewieler weg en liep in grote passen op hem af. Mijn neefje was onder de indruk. Hij gaf het springtouw aan mijn dochter en hoorde de preek van mijn zus aan. Mijn dochter keek naar het springtouw in haar handen, sprong drie keer en liet het toen op de grond liggen. Mijn zus nam een flinke slok cola light om bij te komen.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Vasthouden

Eindelijk op de A73 zitten en steeds dichterbij komen. Je huis al kunnen ruiken. Schakelen naar de 4 en dan naar de 3. De buren gedag zeggen als je uitstapt. Ze de ruimte geven hun jaloezie te verwoorden: “Kijk, daar hebben we de vakantiegangers weer”. De deur met moeite open krijgen vanwege de kranten en de post op de mat. Genieten van een schoon en opgeruimd huis. Tegen beter weten in geloven dat dat zo blijft. De kinderen enthousiast zien spelen met het speelgoed dat ze al jaren hebben. Tegen je dochter zeggen dat ze morgen het ijsje krijgt dat je haar beloofd hebt. De kinderen in bed doen. Op teenslippers bier halen in de supermarkt. In de uitgestorven supermarkt de ene vakkenvuller aan de ander horen vragen: “Hoe laat moet jij morgen beginnen?” Bier drinken in de tuin en je geen zorgen maken over het gazon, dat net zo geel is als de strovelden in Noord-Frankrijk. Je vrouw horen bellen met haar moeder, die ze op de luidspreker heeft gezet waardoor je schoonmoeder door het hele huis te horen is. Een oude krant doornemen. Zoeken naar muggen en er geen kunnen vinden. Naar de sterrenhemel kijken. Steeds meer sterren ontdekken. Niet kunnen slapen van de hitte, maar bedenken dat je nog een dag hebt om bij te slapen. Nog maar eens een oude krant lezen. Opschrijven dat je morgen een ventilator moet kopen. Een wandeling maken door de wijk en luisteren naar de geluiden: een scooter, een lach, een deur. Ontspannen op de bank gaan zitten. Nog een biertje openen. Je laptop openklappen en meteen weer dichtklappen. Onderuit gaan zitten. Je ogen dicht doen. Een slok nemen. De warmte voelen. De rust voelen. En dit vasthouden, vasthouden, vasthouden.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Willem

Mijn ouders hebben een nieuwe buurman en hij heet Willem. Hij is ongeveer even oud als ik, alleen een stuk handiger. Dat was in elk geval mijn eerste indruk. Ik ontmoette hem toen hij met een soort van snoeiapparaat in de weer was. Er moest nog veel gebeuren in en om het huis, vertelde hij. Hij was een gemakkelijke prater. Zo had hij op de dijk ook al met wat dorpelingen gesproken.
.
Ik hoef me over mijn pensioengerechtigde ouders geen zorgen meer te maken nu ze Willem in de buurt hebben. Niet dat ik dat ook echt deed. Mijn vader viel dit voorjaar van de trap van de voerwagen en liep zes weken met een gebroken botje in zijn hand voordat hij naar de dokter ging. De hand moest alsnog negen weken in het gips. Dat maakte hem nerveus, maar dat kwam omdat onzeker was of met die gipsen hand een geplande vliegreis wel door kon gaan. Hij mocht aan boord, bleek vlak voor vertrek.
.
Komende week loopt mijn vader voor de zesde keer de Vierdaagse. Hij doet dat altijd zonder voorbereiding en in z’n eentje. De eerste keer belde ik iedere avond om te vragen hoe het was gegaan. Telkens verwachtte ik een zwaar verhaal, eindigend met het nieuws dat hij was uitgevallen. Maar nee, mijn vader ging goed, hij had het prima naar z’n zin. Op vrijdag prijkte de medaille op zijn borst.
.
Buurman Willem vroeg of de Vierdaagse aan zijn nieuwe huis voorbij zou trekken. Hij had jaren op de St. Annastraat gewoond, dus hij wist waar hij het over had. Hij reageerde enigszins teleurgesteld toen ik vertelde dat de stoet 300 meter verderop langs zou komen. Maar hij zei dat hij zeker ging kijken. Dat was dan alvast geregeld. Willem zou op mijn vader letten.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Topophilia

Meer nog dan trouwringen en foto’s zorgen geografische locaties voor gevoelens van geborgenheid, rust en geluk. Dit blijkt uit recent Brits onderzoek. Neurowetenschappers van de Universiteit van Surrey haalden proefpersonen door een MRI-scan en onderwierpen ze aan diepte-interviews. ‘Topophilia’ – een woord dat bedacht is door de dichter W.H. Auden – blijkt een aantoonbaar verschijnsel.
.
Mijn ouders hoeven niet onder de scan, zij hebben zeker weten last van ‘topophilia’. Dit wordt al duidelijk als je een blik op hun boekenkast werpt: Kijk op Gelderland, De Nije Weg, Beuningen in oude ansichten, Atlas van het vernieuwde platteland.
.
Zelf ben ik ook onmiskenbaar topophiel. ‘De Waalbrug is thuuskomme,’ zoals we in Nijmegen zeggen. Maar het is bij mij niet per se gericht op mijn eigen omgeving. Ik heb topografie in het algemeen altijd al interessant gevonden. Op de basisschool haalde ik hoge cijfers voor dit vak. Die kennis is behoorlijk vervaagd, maar mijn interesse blijft. Als ik iemand ontmoet, wil ik eerst weten waar hij of zij vandaan komt.
.
In mijn boekenkast zie je dat terug. Romans die zich afspelen in een bestaande stad spreken me aan. Op deze manier worden locaties gevoed met verhalen.
Daar kan ik heel hoogdravend over doen, uiteindelijk heb ik toch ook echt een zwak voor het eigene. Onder meer om die reden ben ik erg enthousiast over De Waren van Daniël Rovers, over drie vrienden die terugkeren naar de plek waar ze elkaar 20 jaar geleden leerden kennen. Inderdaad, Nijmegen. Je hebt me met een zin als deze: ‘Hij wandelt naar het Keizer Karelplein, dat alleen een rotonde kan worden genoemd zoals de oceaan in jongensboeken ‘de grote plas’ heet.’
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

PS: De Waren is natuurlijk veel meer dan alleen een roman over Nijmegen. Lees daarom ook deze recensie van Kees ’t Hart of vindt meer info over het boek bij Rovers’ uitgeverij.

Jungle

Foto: Ton Smits
.
Elke keer als mijn goede vriend Ton voor even terugkeert uit Thailand, vraag ik hem of er iets veranderd is aan Nederland en elke keer is zijn antwoord: nee. Hij ziet zijn neefjes en nichtjes uit Weurt razendsnel groot worden, maar verder valt hem eigenlijk niets op. Hij is er ook niet zo mee bezig. Ik wel. Al ging mijn aandacht tijdens zijn laatste bezoek niet zozeer uit naar de veranderingen in eigen land, als wel naar de verschillen tussen waar hij leeft en waar wij leven.
.
Ton heeft in Thailand een bloeiend bedrijf waarmee hij tours verzorgt in enkele Nationale Parken. Daarnaast is hij actief als natuurfotograaf.
Tijdens zijn verblijf in Nederland bracht hij een dag door op de Veluwezoom en maakte prachtfoto’s van slangen, reeën, eenden en libellen.
Hij heeft er duidelijk oog voor, maar toch is het contrast wel erg groot met Kaeng Krachan, het park waar hij dichtbij woont.
Ter vergelijking: de Veluwezoom omvat 50 vierkante kilometer, Kaeng Krachan bijna 3000. Daar kan hij, met een beetje geluk, foto’s maken van tijgers, luipaarden, olifanten, makaken en zwarte beren. En dat doet hij dan ook.
.
Halverwege zijn verblijf kwam Ton samen met zijn vrouw en zoontje bij me op visite en maakte kennis met mijn dochters. Na een klein uur brak er paniek uit. Mijn oudste dochter gilde en was helemaal verstijfd van schrik.
“Mier!” snikte ze.
Ton vroeg hoe groot de mier was en mijn dochter wees naar het piepkleine beestje op de vloer. Ton liet de mier op zijn vinger lopen en zette hem in de tuin. Bijna terloops vertelde hij dat zijn zoon in Thailand niet buiten op het gras kan spelen. Het gras is te droog en te hard. Bovendien zijn er daar bijtende slangen en mieren.
Mijn dochter hoorde het niet. Ze keek uit het raam, beducht voor de Hollandse jungle.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tijd

“Ben ik daar een keer geweest?” vraagt ze als we over de Neerbosscheweg richting Beuningen rijden. Via de achteruitkijkspiegel zie ik waar ze naar kijkt. Tankstation ANAC.
Mijn oudste dochter is drie jaar en vier maanden, heeft ’s nachts last van groeipijn en begint langzaamaan vat te krijgen op haar geheugen.
“Ja,” zeg ik. “Bij de wasstraat.”
“Wasstraat, stroopwafel,” zegt ze.
Ze heeft het goed onthouden, want het is al even geleden. Ik dacht dat ze het leuk zou vinden, zo’n wasstraat, al die borstels en dat water rondom de auto, maar in de eerste tunnel ging ze tekeer. Toen we eruit waren, haalde ik haar uit haar zitje en gaf haar mee aan een medewerker. Ze kreeg een stroopwafel en mocht van buitenaf toekijken hoe ik met de auto de tweede tunnel in ging. Prima samenvatting dus: wasstraat, stroopwafel.
“Vroeger toen ik klein was ben ik daar geweest,” zegt ze tegen haar zusje van één, dat naast haar zit en niet reageert.
Met vroeger bedoelt ze driekwart jaar geleden. Dat is een hele tijd voor iemand van drie en een beetje. Als we foto’s kijken van toen ze een baby was, heeft ze het over ‘lang geleden’. Dat komt door mij, ik praat zo tegen haar. Zelf heb ik het ook over ‘vroeger’ als het gaat om iets van een paar jaar terug, en dan hoeft het niets met de kinderen van doen te hebben.
We steken het Maas-Waalkanaal over.
“Over een week komen we hier weer langs,” zeg ik.
Ze knikt, maar aan haar gezicht zie ik dat ze geen flauw benul heeft.
“Dat is zeven nachtjes slapen,” voeg ik er nog aan toe. Alsof rijden langs een tankstation iets is om naar uit te kijken.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wilfred

Na negen seizoenen lang geen aflevering te hebben gemist, werd ik zondag eindelijk beloond: er dook familie op in Boer Zoekt Vrouw.
Tijdens de uitzending had ik niets in de gaten. Pas de volgende ochtend, toen mijn Facebooktijdlijn vol stond met berichten over Wilfred, begon ik iets te vermoeden. Mijn moeder kon het bevestigen. De boer uit Beneden-Leeuwen was familie. Of nou ja, een achterneef van zowel mijn vader als mijn moeder (aan mijn moeders kant aangetrouwd, dus niets aan de hand). Eigenlijk is hij dan geloof ik niks van mij, maar toch.
.
Tijdens de lunch op mijn werk kondigde ik met veel aplomb aan dat iemand uit mijn familie meedeed aan BZV. Een collega raadde meteen de juiste boer. Ze had tijdens de uitzending al gedacht dat hij weleens een bloedverwant van me kon zijn, vanwege de tongval en de melkrobot. Alsof ze alleen in mijn familie werken met melkrobots.
.
’s Avonds bekeek ik de aflevering nog eens en zocht naar gelijkenissen, als een vader bij zijn pasgeboren kind. Pas toen vielen zijn lichtblauwe ogen me op. Zulke ogen heb ik ook! Ik zocht verder. Wilfred vertelde aan Yvon dat hij ‘vaak in de put gestoken was’. Dat spreekwoord is bij ons thuis nooit gebruikt, het betekent blijkbaar ‘iemand begraven’.
In een andere scène wilde hij iets blauw verven, enkel omdat dat mooier stond dan wit. Ook dat past niet bij mijn familie. Dat hij twee keer zijn tegenslagen relativeerde, is wel weer herkenbaar. “Dat deed een beetje zeer, maar voor de rest gaat het wel goed.”
.
Zelf was ik ook niet zo snel in het vinden van de ware, maar ik heb haar uiteindelijk gevonden. Ik hoop van harte voor Wilfred dat dit een familietrekje is.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Foto: Linelle Deunk

Solo


Vanavond, iets voor achten, klinkt overal in het land vanuit het niets, vanuit een ongekende rust – slechts enkele vogeltjes laten misschien van zich horen – een eenzame trompet. Signaal Taptoe, het begin van de Dodenherdenking. In Beuningen zal een van mijn oud-collega’s van Kunst en Volharding het instrument aan de lippen moeten zetten.
.
Ik heb het geluk gehad, en met mij de fanfare en de rest van de aanwezigen, dat ik als hoornist dit stuk nooit hoefde te spelen. Alle solo’s die ik heb gespeeld, waren geen succes. Vaak kon ik de noten die op het papier stonden best blazen, maar als ik de enige was die speelde, de enige waar iedereen naar luisterde, dan lukte het niet meer.
.
Zo niet bij Twan Aalbers, oud-trompettist bij de Weurtse fanfare. Twee keer speelde hij het Signaal Taptoe. Geen moeilijk partij, vertelt hij. Het zijn natuurtonen, zonder uitschieters.
‘Maar de setting is lastig. Je speelt ’m koud in. Je moet die lange noten zuiver zien te houden.’
Hij oefende het uit ten treure en dan kwam het aan op stalen zenuwen.
.
Het eindigt normaal gesproken zo: na de laatste noot slaan de kerkklokken acht uur en volgt twee minuten stilte, vervolgens speelt de fanfare het Wilhelmus. Ik heb het eens anders meegemaakt. De trompettist was klaar, het was stil, maar na anderhalve minuut begonnen de klokken ineens te slaan. Toen moesten we nog eens twee minuten stil zijn. Voor de klokken dacht ik aan de slachtoffers van de Tweede en ook maar meteen de Eerste Wereldoorlog. Na de klokken dacht ik aan de slachtoffers in voormalig-Joegoslavië, Afghanistan en Irak, en aan mijn opa’s en oma’s. En aan de trompettist, bij wie de spanning in elke noot te horen was geweest. Maar hij had het wel gedaan.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Ruimte

Het voelde ongepast. Afgelopen zaterdag nam ik in een atelier in Beuningen meermalen en langdurig het woord, terwijl ik daar voor het eerst was en ik de eigenaar amper kende. Het was in het kader van het Lente-ommetje, een nieuw evenement. De schilder had me binnengelaten, ik had zijn hand geschud en zijn kunstwerken bekeken. Al snel arriveerde de eerste groep bezoekers. Ik las verhalen voor die zich veelal in Beuningen afspeelden.
.
Nadat de laatste groep was vertrokken, begon Piet Snellaars te praten. Hij woonde sinds 1980 in het dorp en was inmiddels gepensioneerd. Hij had als Hoofd Ruimte bij de gemeente gewerkt en het schilderen er altijd naast gedaan. Alle nieuwe wijken die vanaf 1980 zijn gebouwd, heeft hij ingericht.
.
Snellaars zat op een stoel tussen zijn vele schilderijen, waarvan vooral de portretten van zijn moeder mijn aandacht trokken. Hij vertelde onder meer dat huurwoningen eerst nog dicht op elkaar werden gebouwd, volgens het ‘Bruine Boekje’. Later werden deze wijken ruimtelijker opgezet, met brede straten. Met tevredenheid en trots keek hij terug op zijn werkende leven.
.
Ik moest denken aan mijn oom, die bij een waterschap werkte. Toen hij met pensioen ging, was hij behoorlijk verbitterd. Door nieuw beleid ging veel kennis, waaraan hij had bijgedragen, verloren. Hij maakte een boek met alle rapporten en artikelen over zijn werkgebied, om het zo toch te behouden voor de toekomst.
.
Wat een verschil met Snellaars. Terwijl ik mijn jas aantrok, stelde ik me voor hoe hij op zijn dooie gemak door zijn eigen werk fietste. Ik stopte mijn teksten in mijn tas. Verhalen waarbij hij, dat besefte ik nu pas, voor het decor had gezorgd.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Woodstock


.
Er dook een brief op van mijn broer uit Woodstock.
Niet het legendarische festival, maar een plattelandsstadje in Ontario, Canada. De brief dateert van 8 juni 1996. Mijn broer was 19, zat op de Middelbare Agrarische School en verliet die zomer Beuningen voor een stage van acht weken bij een melkveebedrijf.
.
Ik herinner me het nog goed. Ik was 14 en het maakte veel indruk dat mijn broer zo ver weg was en vooral zo lang. Nog nooit in mijn leven was iemand uit ons gezin zo lang weg geweest. Ik trok in die tijd niet veel met hem op, maar toen hij in Canada was miste ik hem enorm. Terwijl de weken voorbij gingen, werd mijn broer – toch al een gesloten jongen – een steeds groter mysterie. Ik weet nog dat ik nerveus was op de dag dat hij terugkwam.
.
De brief beslaat maar liefst vier kantjes. Het is een vreemde ervaring om zoveel woorden van mijn zwijgzame broer achter elkaar te lezen. Het is ook nog eens op een zeer enthousiaste manier geschreven, overdreven bijna, iets wat ik niet van hem herken.
‘De eerste foto’s zijn klaar en zijn schitterend gelukt,’ schrijft hij.
En verderop: ‘De tijd gaat zo snel, ik ben nu al vier weken hier, ik kan het haast niet geloven.’
Eindigend met: ‘Doe iedereen de groeten en zeg maar dat het met mij hartstikke goed gaat.’
.
Vlak voor het einde zit de interessantste passage. Dan spreekt hij ieder van ons gezin persoonlijk aan.
‘Marieke, niet meer op mijn kamer zitten zoeken naar brieven.’
‘Susan, ik ben voor je verjaardag weer terug.’
En wat schrijft hij mij?
‘Mama en Willem, goed trainen voor de Vierdaagse.’
Het stelt me teleur. Zelfs nu nog, na 22 jaar, had ik gehoopt op iets anders, op iets meer.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.