De bakker in Roosendaal

Soms heb je dat, dan ben je ergens waar je eigenlijk niet wil zijn. Maar het viel wel mee daar in Roosendaal.
Alleen die bakker deed de wenkbrauwen fronzen.
Niet dat ‘ie open was, maar er hing een grote vlag aan zijn gevel. Daarop stond een vrouw op die twee witte bolletjes tegen haar shirtje drukte. De begeleidende tekst: Van korstjes krijg je borstjes.
.
Nu heb ik niks tegen korstjes. Ik eet ze altijd netjes op. Niet op het laatst, maar gewoon met de boterham mee. Niks mis mee, maar waar ik geen behoefte aan heb is borstvorming.
.
Inmiddels heb ik uit betrouwbare bron begrepen dat het waarschijnlijk een verwijzing is naar Sint Agatha. Bij de marteling van deze heilige werden haar borsten afgesneden. Daarom wordt zij vaak voorgesteld met een schotel, waarop twee borsten liggen. De censuur liet die later vervangen door twee broden.
.
Zo leer je nog wat op een zaterdagavond in Roosendaal, waar je eigenlijk niet wil zijn en al helemaal geen zin hebt in boterhammen.

Lek

Het is donker, nacht en er zit een gat in mijn plafond. De regen lekt er door heen, tikt op de vensterbank. Ik tel de tikken zoals duizenden anderen op dit moment schapen tellen. Hoewel ik het eigenlijk niet wil, concentreer ik me op de tikken. Ik kan het niet tegenhouden. Ik denk aan wat die tikken zijn: druppels die naar beneden suizen. Ik denk aan hoe snel ze wel niet gaan, zo snel dat ik er bijna medelijden mee krijg. Ik hoor steeds alleen het einde, de val, tik, nooit het begin.
Opeens moet ik heel nodig naar het toilet.

In plaats van buikdanseressen

Het verhaal gaat dat we ter vervanging zijn van een groep buikdanseressen. In dat geval had ik ook wel in het voorprogramma willen staan.

.
Maar ’t Neije Swert staat dus op Oranjepop, het leukste Koninginnedagfeescht van ’t ganzen land!
We gaan ieder een verhaal uit de bundel voordragen. En dan is het weer voorbij. Kun je weer gaan luisteren naar De Staat, Mr Blue Sky en het Antwerp Gipsy Ska Orchestra. Bijvoorbeeld.
.

Het is van 14.15 tot 14.35 in de tipi in het Hunnerpark en misschien, je weet nooit, hebben we belletjes om de enkels.
Lees ook hier.

.
Voor foto’s van afgelopen vrijdag kun je bij Photomike terecht.

De winkel is geopend

hnz1

978-90-79571-03-1. Zo mag je ‘m noemen.
Of gewoon: Het nieuwe zwart.
.
Hij is er! Gisteravond werd de winkel van Hanneke, Dennis en mij officieel geopend. Tijdens een mooie presentatie in de Paraplufabriek (foto’s volgen) zijn de eerste exemplaren over de toonbank gegaan. En nu kun je ‘m hier bestellen. Of via de boekhandel, die op de Nijmeegse campus bijvoorbeeld. Maar je kunt me ook een mailtje sturen: zie hier.

Brilcolumn

‘De meisjes hebben namen. Nina. Marthe. Myrthe. Annika. Avril. Anna. Lisa. Thembi. Charlotte. Iris. Nischa. Ze waren 2, 3 en 4 jaar oud. Ze zijn misbruikt door W. K. de V.
Gisteren was de rechtszaak.
W. K. de V. is een blonde, stevige jongeman. Hij werd zonder enig ceremonieel de zaal binnengevoerd. Ineens was hij er. Zijn haar neigde naar krullen. Zijn schouders hingen en hij stond wat wijdbeens. Hij droeg een spijkerbroek, een donkerblauw jack en bruine bergschoenen. Hij had grote, bleke handen en sprak met een lijzig, Gronings accent. Hij bleek Wilko te heten.’
.
(februari 2002, de Volkskrant)
.
Als Martin Bril op een persconferentie was en alle aanwezige journalisten zich op de minister-president stortten, dan stapte hij achterin de zaal op de koffiejuffrouw af. Daar zat het interessante verhaal.
Bril had Jimmy Breslin, columnist bij Herald Tribune, als voorbeeld. Die schreef over figuren in rechtszaken alsof het om een romanpersonages ging. Dat wilde Bril ook.
.
Voor het afstuderen aan de Hogeschool voor Journalistiek schreef ik mijn scriptie over New Journalism en de overblijfselen daarvan in Nederland. Martin Bril speelde een belangrijke rol in mijn eerste versie. Hij was de eerste New Journalist die ik in de Nederlandse pers opdook. De mensen die mijn scriptie beoordeelden – een leraar en een Parool-journaliste- vonden mijn tekst echter niet voldoende en ik moest ‘m herschrijven. Nu ik aan het terugbladeren ben, merk ik dat ik Bril maar een minimale rol heb gegeven in mijn tweede versie. Waarschijnlijk hebben de mensen die mijn scriptie beoordeelden gezegd dat Martin Bril geen New Journalist is. Nog steeds koester ik enig wrok waarmee mijn eerste versie en ook bijna mijn tweede (ik kreeg nog net een 6) opzij werden geschoven. Nu – zes jaar later – kan ik gewoon zeggen: Bril was wel degelijk verwant aan New Journalism.
.
Bril bleef in mijn systeem. Toen ik aan mijn columns over Beuningen begon, pakte ik een Brilbundel (Twee broers en een broodjeszaak) er bij. Zo wilde ik het ook gaan doen. De aantekeningen voor mijn columns bewaarde ik in deze mooie bundel. Het duurde even voor ik mijn draai had gevonden. Door op twijfelmomenten een Brilcolumn te lezen, raakte ik weer geïnspireerd.
.
Bril is een van de schrijvers die me heeft geleerd hoe mooi ‘het kleine schrijven’ (in letterlijke en figuurlijke zin)  kan zijn. Het is zeer spijtig dat hij nooit meer zal schrijven.
.

Heenweg I

Er zou een feestje zijn. Verder wisten we niets. We liepen met zijn drieën over straat en ieder van ons verheugde zich waarschijnlijk op iets anders. Ik had het al helemaal in mijn hoofd. De ruimte, de mensen, de sfeer. Ik dacht aan ballonnen. Ik weet niet waarom. Een hoge zaal en dan ballonnen die tegen het plafond drukken, alsof ze een uitweg zoeken.
.
We liepen door straten die ik nauwelijks kende, vaak alleen als een vage herinnering. Ik had de puzzel van de stad nog altijd niet opgelost. Ineens vroeg ik me af of een van ons wel wist of we op de goede weg waren. Ik had daar de hele tijd op vertrouwd. Nu sloeg de twijfel toe. We liepen naast elkaar, op gelijke hoogte, een beetje breed. Het zou een pakkend beeld zijn, ongetwijfeld imponerend. Maar wie bepaalde eigenlijk ons looptempo? En wie bepaalde wanneer we links- of rechtsaf zouden slaan?

Lees verder bij De Nieuwe S

Achtervolgd door Roosbeef

Donderdag had ik gewoon kaartjes, dus dat was niet verwonderlijk. Ik stond met zuslief in de Mezz in Breda. Roos had nieuwe laarzen en deed die vanwege de pijn na het eerste nummer al uit. Liep ze de rest van het concert op kousen. De zaal was vol. Vlak voor ons stond een groepje irritante lieden die luidruchtig waren en Roos op nazongen. Verder was het heel leuk.

Zaterdag liep ik door het centrum van Tilburg. Dat is een stad die 200 jaar geleden werd opgericht, een verbond van zeven dorp volgens mij. In elk geval: het was warm, het was feest, het was druk. En ergens op een podium speelde Roosbeef. Maar ik heb ze uiteindelijk niet gezien, het was me iets te druk.

Zaterdagavond was ik voor een Poetracks-programma voor de Wintertuin in Amsterdam-Noord. Daar was een Culturele Bazaar, met veel tentjes, veel kou en niet zo heel veel publiek. Voordat Poetracks begon zag ik de drummer en de bassist van Roosbeef binnenlopen. Toevallig, dacht ik. Die komen in hun vrije tijd even gezellig muziek luisteren van Chop Wood, Pien Feith en Solo. Neen. Zo bleek. Ze speelden een half uur later in dezelfde tent. En vlak voordat ze begonnen vertelde ik Roos over de achtervolging van haar band. Ze bekende dat ze me vrijdag even uit het oog waren verloren en in Venlo verzeild waren geraakt.

Dat was niet het einde. Na het concert klommen de bassist en de gitarist in het Wintertuin-busje voor een liftje Amsterdam-Nijmegen. De verhalen gingen niet alleen over de band, ook over melkkoeien, diepvrieskoeien, Tilburg, Nijmegen en oude koffiekannen bij een bruisend snelweg-tankstation.

Vandaag keek ik de hele tijd achterom of ik niet iemand van Roosbeef achter me liep.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=p72I7g-RXpg&hl=nl&fs=1]

“Dit is onze nieuwe single…. Ach, volgend jaar kan ik ook nog zeggen dat dit onze nieuwe single is, dat merkt toch niemand.”

Landschap op mijn hand

Sinds vrijdag, sinds de kip met een plons -olijfolie- in de pan viel, heb ik een landschap op mijn hand. Het is een eilandengroep van vier.

– Het eerste is rechthoekig en heeft waarschijnlijk een groot strand. Het strand heeft last van eb en vloed, want er is een hele strook die maar vaag rood is.
– Het tweede is een mini-eiland. Een stipje in de zee, een rots ofzo. Het ligt er duidelijk, je kunt er niet om heen, maar het zal wel niet bewoonbaar zijn.
– Het derde is een groot ovaalvormig eiland. Beetje saai eigenlijk, maar wel bewoond.
– Het vierde is het gaafst. Het is een eiland dat geheel in beslag wordt genomen door een gebergte. Het is gelijk van vorm, beetje zacht, beetje doorzichtig. Op dit moment tenminste. Want dit gebergte verandert met de dag. Eerst was het gebergte hard en rotsachtig. Nu is het dus zacht, los zand op het oppervlak. Het vierde eiland heeft een mooi uitloopje. Een soort steiger. Spring, en je ligt in het water.

Mijn ogen worden steeds naar die vierde getrokken. Daar zullen wel hotels zijn en vakantiehuisjes en in de binnenlanden bergvolk.